135 jaar bakermat van het feminisme

Rebellie van deftige dames

Verheffen door betaald handwerken. Hiermee legde Tesselschade-Arbeid Adelt 135 jaar geleden de basis voor het feminisme. Toen ging het om steun aan ‘beschaafde vrouwen’, tegenwoordig zijn het ‘flinke vrouwen’.

In de chique winkelstraat Noordeinde in Den Haag prijkt in de etalage van de winkel Tesselschade-Arbeid-Adelt tussen eierwarmers en paashaasjes het portret van een jonge vrouw. Het is de pionierster van het Nederlands feminisme: Betsy Perk. Wie de naam Tesselschade-Arbeid Adelt (taa) hoort, zal niet meteen aan haar denken, maar aan zorgvuldig met de hand genaaide en ingenieus geborduurde merklappen, slabbetjes, smokjurken en morsmouwen. De handwerkproducten worden vervaardigd door honderden vrijwilligers en in acht winkels en zo’n dertig depots verkocht door keurige dames van middelbare leeftijd die de klanten niets opdringen en vriendelijk vragen of er ‘misschien iets aardigs bij zit’. Dat achter deze ouderwetse arbeidsintensieve huisnijverheid al 135 jaar een feministisch ideaal schuilgaat, zal niet iedereen zich realiseren. Vrouwen op weg helpen naar economische zelfstandigheid – met deze gedachte werd de eerste Nederlandse vrouwenvereniging Arbeid Adelt in 1871 opgericht in Delft door schrijfster en strijdster voor vrouwenrechten Betsy Perk (1833-1906). Een jaar later draaide de eerste afdeling in Den Haag. In 1953 fuseerde de vereniging met de vereniging Tesselschade. Bij de dertigste sterfdag van Betsy Perk memoreerde De Groene Amsterdammer wat haar betekenis is geweest voor de grote massa van de arbeidende vrouwen. In de rubriek ‘Vrouwen en vrouwenleven’ stond in een artikel: ‘We kunnen het ons nauwelijks meer voorstellen dat in onzen tijd, nu men onder de gepromoveerden, onder de sociale werksters, telkens adellijke namen tegenkomt, dat niet alleen een hatelijk “maar de adel arbeidt niet” achter het opschrift van deze overdenking werd gevoegd, maar dat bovendien het arbeiden voor iedere vrouw, behalve uit de minst bevoorrechte klassen, een onding en een schande werd geacht.’

Vrouwen uit de middengroepen en hogere klassen werden geacht hun leven te besteden aan hun echtgenoot en het moederschap. Trouwden zij niet, tot schande van de omgeving, dan wachtten hun andere onbetaalde zorgtaken of dienden ze zich binnenshuis te verpozen met pianospelen en borduren. Vanwege hun stand was het onmogelijk om tussen de arbeiders in de fabrieken te gaan werken of ander betaald werk te verrichten.

Het feminisme is in oorsprong een zaak van deftige dames. Betsy Perk stelde zich ten doel om ‘beschaafde vrouwen’ de gelegenheid te geven voor geld te werken. Via deze vereniging konden ze hun handwerkproducten verkopen, verkregen ze enige inkomsten en daarmee hun eerste onafhankelijkheid. Het lijkt nu zo klein, maar het was toen revolutionair. Uit de contributies van de leden, giften en legaten van de vereniging werden vrouwen ondersteund in het volgen van studies en opleidingen. De verenigingsnaam was tevens haar motto: ware adeldom lag immers niet alleen in het bezit van een titel, juist zinvolle en nuttige arbeid verhief de vrouw.

Hiermee werd de kiem gelegd voor de eerste feministische golf, die vanaf de jaren tachtig van de negentiende eeuw op verschillende fronten doorbrak en later resulteerde in vrouwenkiesrecht, het opeisen van een stem in het openbare leven, toegang tot de collegezalen van de universiteiten en sociale rechten. Het bewustzijn van de ondergeschikte rol van de vrouw waaierde uit naar de lagere klasse.

Hoewel handwerken gedurende de 135 jaar de kernwaarde bleef, is het begrip ‘arbeid’ door de tijd heen vertaald naar de eerste vrouwenberoepen, zoals verpleegster, kinderverzorgster, onderwijzeres en telefoniste, en steeds meer naar functies in klassieke mannenbolwerken, zoals arts, rechter en manager. Het Betsy Perk Opleidingsfonds helpt nog altijd vrouwen bij het opbouwen van economische zelfstandigheid.

taa stelt zich ook ten doel dat de oude handwerktechnieken worden bewaard. Want sinds de tweede feministische golf in de jaren zestig van de vorige eeuw is het werken met naald en draad een uitstervende nijverheid geworden. Handwerken werd juist het symbool van een ouderwetse vrouwenactiviteit. In het basisonderwijs verdween het vak handwerken voor meisjes.

Hoe aan de traditionele gedachte anno 2007 invulling wordt gegeven, vertellen bestuursleden van de Haagse afdeling. Het zijn al lang niet meer adellijke meisjes die een beroep doen op het fonds.

Barry Schudel-Vastenholt, die vroeger heeft gewerkt als officier jeugdzaken bij de kinder- en zedenpolitie, zegt: ‘Er wordt nooit gekeken naar afkomst, maar naar noodzaak. Het gaat om vrouwen die op een of andere manier tussen de wal en het schip vallen. De eerste groep zijn studenten die door ziekte of problemen thuis financieel in de knel zijn geraakt. De tweede groep zijn “tweede-kansvrouwen”. Vrouwen die bijvoorbeeld in een blijf-van-mijn-lijfhuis zitten en niet uit hun onbemiddelde situatie komen. Of vrouwen die familieproblemen hebben, na een echtscheiding in de bijstand zitten en weer aan het werk willen. Wij geven hun een steuntje in de rug. Het is altijd een gift. Het gaat nooit om grote bedragen. De laatste tien jaar zijn er steeds meer meisjes van buitenlandse origine bij. Vluchtelingen of allochtone meisjes. Het zijn altijd flinke vrouwen.’

Noor van Braam van Vloten, die jaren in het onderwijs heeft gewerkt: ‘We selecteren op motivatie.’

Nog steeds is het idee dat vrouwen in de kosten voor hun opleiding worden ondersteund, mits deze studie na afronding de mogelijkheid biedt tot economische zelfstandigheid. De kandidates moeten goed gemotiveerd aantonen waarom ze het geld nodig hebben. Studenten moeten bijvoorbeeld al een studieschuld opgebouwd hebben. ‘We zijn geen liefdadigheidsinstelling’, benadrukt de vereniging.

In de afgelopen 135 jaar heeft het fonds vele duizenden vrouwen gesteund in het realiseren van zelfstandigheid. Ondanks de emancipatie bleef het nodig. En hoewel in de loop van de tijd tientallen hulpfondsen zijn opgericht met bredere doelen weten vrouwen nog steeds de weg naar taa te vinden.

Beide bestuursleden zeggen: ‘Ons fonds heeft nog steeds een speciale positie. Daarnaast bestaan we nog steeds bij de gratie van de handwerksters. Vaak denken mensen dat wij, bestuursleden, de winkel vol borduren. Maar dat doen anderen. Wij zijn afhankelijk van hun werkzaamheden. Handwerken heeft uiteraard een andere rol ingenomen in het leven van vrouwen. Vroeger betekende het dat je iets voor jezelf had. Nu is het meer ter ontspanning. Wij bemiddelen bij de verkoop van hun handwerk, zodat ze in staat zijn een eigen, bescheiden inkomen te verdienen.’

Het Haagse bedrijf is klein, met een winkel, vrijwillig personeel en een eigen pand. Er zijn 34 handwerksters in dienst, die eens in de drie weken hun werk inleveren en worden uitbetaald door de penningmeester. Daar staan allerlei sociale activiteiten tegenover, zoals uitjes en de jaarlijkse kerstlunch.

De aanwas van handwerkende vrouwen is geen probleem. Wel is het steeds lastiger vrouwen te vinden die zich vrijwillig inzetten binnen de bestuurlijke gelederen. ‘We gaan nog aan ons eigen succes ten onder. Jonge vrouwen werken tegenwoordig allemaal of hebben om andere redenen nauwelijks tijd om zich in te zetten voor vrijwilligerswerk. Toch zijn er nog steeds vrouwen die er belang aan hechten om zich in te zetten voor de doelstellingen waar Betsy Perk zich ooit zo hard voor maakte. Vrouwen die elkaar helpen.’