Rebelse Journalisten

Met een ongekende vernieuwingsdrift groeide Vrij Nederland in de jaren zestig uit tot spreekbuis van de jonge generatie. De alcohol vloeide rijkelijk op de redactieburelen.

De een liep in zijn woonplaats Dieren op woensdagmiddag naar het winkelcentrum om te kijken of de nieuwe Vrij Nederland er al was, en als dat niet zo was, bleef hij voor de winkel drentelen tot het blad arriveerde. De ander had een abonnement, zodat het tijdschrift vanzelf donderdag in de bus viel, maar kon het toch niet nalaten woensdag in de stationskiosk al een los nummer te kopen: het blad was nog niet uit, of kennissen klampten hem aan met de vraag of hij Bibeb al gelezen had, en Joop van Tijn. Om te laten zien dat je links was, observeerde Harry Mulisch, hoefde je alleen maar het café van hotel Americain aan het Amsterdamse Leidseplein binnen te lopen met Vrij Nederland goed zichtbaar in je jaszak, het logo geraffineerd naar buiten gekeerd.

John Jansen van Galen begint zijn geschiedenis van de gouden jaren van Vrij Nederland (grofweg van de tweede helft van de jaren zestig tot eind jaren zeventig) met herinneringen van een aantal lezers uit de glorietijd. Zij verwoorden nog eens hoe het weekblad tolk en geweten van links was, het lijfblad van links Nederland. Hoe kan het, vraagt Jansen van Galen zich af, dat een braaf ‘domineesblad’ dat voornamelijk werd volgeschreven door protestantse theologen in de jaren zestig uitgroeide tot de spreekbuis van een jonge, rebelse generatie? En hoe kan het dat het blad die rol van onbetwiste linkse opinieleider zo snel verspeelde in de jaren tachtig? Het zijn vragen die moeilijk te beantwoorden zijn. In ieder geval was het geen kwestie van een groot ‘masterplan’, eerder van toeval, en van een tijdgeest die voor een stevige wind in de rug zorgde.

Medium nienhuis 050 50 renate

Na de bevrijding voorzag het verzetsblad, net als de andere illegale publicaties, in de naoorlogse leeshonger en kende het een geweldige oplage. Maar tien jaar later was het blad op sterven na dood en werden er nog geen twintigduizend exemplaren van verkocht. De kentering kwam toen Mathieu Smedts, voormalig correspondent in Londen van de Volkskrant, in 1955 de nieuwe hoofdredacteur werd. Een katholiek aan het hoofd van het van oorsprong protestante weekblad, dat was nogal een omslag. Hij was wel, net als de oprichters, een verzetsheld.

Jansen van Galen schetst Smedts als een zwaarmoedig man, die flink gebukt ging onder zijn oorlogsverleden en nauwelijks leiding gaf aan de redactie; hij was meer in de kroeg dan op de redactieburelen te vinden. Om elf uur ’s ochtends riep hij al ‘bôhl!’, borrel, en hoopte hij collega’s mee te tronen naar het café. Hij nam geen afscheid van de oorlogsgeneratie die van oudsher het gezicht van het blad bepaalde, maar gaf tegelijkertijd wel de ruimte aan jonge vrijbuiters die een heel andere toon aansloegen.

Bepalend was de benoeming van de dichter Jan Eijkelboom als adjunct-hoofdredacteur in 1957. Eijkelboom was redacteur van Propria Cures geweest en loodste zijn vrienden uit de kring rond het oneerbiedige, pesterige studentenblad in VN. Zo werden onder meer Hugo Brandt Corstius, Renate Rubinstein, Rinus Ferdinandusse en Joop van Tijn medewerker dan wel redacteur. Er begon, ook dankzij nieuwe medewerkers en redacteuren als Jan Vrijman, Igor Cornelissen, Martin van Amerongen en Joris van den Berg, een vlaag van vrijheid in de kolommen van Vrij Nederland te waaien, en dat was nieuw in de restauratieve, gezagsgetrouwe jaren vijftig en vroege jaren zestig. Het maakte ook dat de oplage gestaag begon te groeien.

Halverwege de jaren zestig werd het duidelijk dat er een tweedeling in Nederland begon te ontstaan, tussen de status-quo aan de ene kant en de rebelse geest van vernieuwing aan de andere. Markeringspunt van die tweedeling was het cabareteske tv-programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer, waarin autoriteiten, koningshuis en kerk bespot werden en waaraan _VN-_redacteuren Ferdinandusse en Van Tijn meewerkten. In een van de afleveringen werd het item ‘Beeldreligie’ getoond: de televisie werd daarin als nieuwe god aanbeden, eindigend met een parodistische variant op het Onze Vader (‘Geef ons heden ons dagelijks programma. Wees met ons, o Beeld, want wij weten niet wat wij zonder u zouden moeten doen’). ‘Beeldreligie’ veroorzaakte een ‘mentale burgeroorlog’.

In de reacties in Vrij Nederland op het item waren aanvankelijk beide Nederlanden terug te vinden. Smedts nodigde de rode dominee Buskes uit te reageren en die noemde het onverbloemd een schandaal, ‘geestelijke terreur en profanie’. Maar in hetzelfde nummer typeerde Harry Mulisch het programma als ‘een ongenadige klap (…) midden in de tronie van de Nederlandse stommiteit en hypocrisie’. Vrij Nederland zou al snel helemaal kiezen vóór het Nederland van Zo is het, en tégen het Nederland van De Telegraaf, de christelijke autoriteiten, de ‘fatsoensrakkers’ en het ‘establishment’. De geest van de vernieuwing won, helemaal toen Mathieu Smedts in 1969 het veld moest ruimen en Rinus Ferdinandusse de nieuwe hoofdredacteur werd.

In de strijd om de macht die overal ontvlamde, van de PvdA tot de VPRO, koos VN voor de opstandelingen

Die nieuwe geest kreeg in het weekblad gestalte in een ongekende journalistieke vernieuwingsdrift. Allereerst was dat een kwestie van toon: die was tegendraads, kritisch tegenover gezagsdragers. De grote woorden werden daarbij niet geschuwd: meermaals werd politie-ingrijpen een ‘derde politionele actie’ genoemd en er waren telkens onverbloemde referenties aan de oorlog – ‘Befehl ist Befehl’ of ‘de laarzen dreunen weer’. Het zat ook in de onderwerpskeuze: de gerichtheid op lieden die fout waren geweest in de oorlog, en de lui die het waren na de oorlog. Het blad rekende af met het toen nog dominante idee dat de oorlog een aberratie was geweest, een inval van een vijandige mogendheid in het ‘goede’ Nederland dat massaal verzet had gepleegd. Nee, de fascistische mentaliteit was er al vóór de oorlog en zij was met de oorlog niet geëindigd – er was ook veel meer met de bezetters gecollaboreerd dan men onder ogen wilde zien. Er was ‘goed’ en ‘fout’ en Vrij Nederland stond onmiskenbaar aan de goede kant, belichaamde die zelfs.

Fout waren in ieder geval de regenten, was iedereen die in het heftige generatieconflict dat eind jaren zestig losbarstte bij oud hoorde. Goed waren de vernieuwingsbewegingen in politieke partijen, onderwijs, zorg en media. In de strijd om de macht die overal ontvlamde, van het Maagdenhuis tot zwakzinnigeninrichting Dennendal, van de pvda tot de vpro, koos VN voor de opstandelingen.

Jansen van Galen beschrijft in afwisselende hoofdstukken, waarbij hij steeds verschillende toonaangevende _VN-_journalisten als hoofdpersoon kiest, de nieuwe genres die het blad introduceerde: de persoonlijke interviews van Bibeb, de gewaagde columns van Piet Grijs (Brandt Corstius) en Tamar (Rubinstein), de onthullingsjournalistiek, de grote sociologische reportages van Gerard van Westerloo, het humoristische strooigoed dat Rinus Ferdinandusse bedacht, de ruimte die aan foto’s werd toebedeeld en, niet in de laatste plaats, de onverhulde contactadvertenties in de rubriek ‘zettertjes’. Alles bij elkaar leidde het tot een ongekende bloei van het blad, dat eind jaren zeventig een recordoplage van 117.000 exemplaren had.

Die vernieuwing was maar zeer gedeeltelijk het gevolg van planning. Ferdinandusse liet zich inspireren door The Sunday Times en was gespitst op humor naast alle zwaarwichtigheid en op het ritme van het blad. Maar voor een veel groter deel werd het nieuwe gebracht door eigenzinnige redacteuren en medewerkers, individualisten die zich vooral lieten leiden door hun eigen voorkeuren. En zij werden niet met zorg geworven, ze waren veelal gesjeesde studenten die kwamen aanwaaien of via-via op de redactie belandden. Er was geen buitenlandredacteur en geen kunstredacteur, politiek waren de meeste redacteuren volkomen onwetend, bij de onthullingsjournalistiek was er aanvankelijk geen flauw benul hoe je journalistiek onderzoek moest doen, waardoor het blad bijna wekelijks voor de rechter werd gedaagd, en er werd door redacteuren, met name door Joop van Tijn, geschnabbeld bij het leven.

Bij het lezen van De gouden jaren van het linkse levensgevoel raak je begeesterd door de avontuurlijke journalistieke experimenten, maar zie je evenveel kiemen voor mislukking als voor succes. Alles was gedrenkt in alcohol, zelfs tijdens de ochtendlijke redactievergaderingen stonden bier en borrels op tafel, waardoor alle conflicten een aangeschoten felheid kregen. De redactie was een gideonsbende, zij tegen de rest van de wereld, maar tegelijkertijd waren de redacteuren egomane individuen die niet tegen kritiek konden. De democratisering die in de maatschappij toesloeg, moest ook gestalte krijgen in de werkwijze van de redactie, waardoor hoofdredacteur Ferdinandusse niet meer dan ‘Rinus inter pares’ was, maar tegelijk heerste er een sekte-achtige cultuur van geheimhouding tegenover de buitenwereld. En al stonden alle _VN-_redacteuren qualitate qua aan de goede kant, al in de jaren zestig noemden medewerkers de redactie een ‘rattennest’.

John Jansen van Galen heeft een heerlijk leesbaar boek geschreven, waarin de journalistiek en de spraakmakende VN-_journalisten centraal staan. Die keuze maakt wel dat hij soms heen en weer springt in de chronologie en dat je als lezer zelf de grote lijnen moet trekken. Als de glorie voor een deel toeval was, was de neergang dat dan ook? De linkse tijdgeest waarop _Vrij Nederland naar de top steeg, sloeg om met het aantreden van het kabinet-Van Agt in 1977 en de no nonsense-kabinetten van Lubbers daarna – daar kon de redactie niets aan veranderen. Uit interne notities bleek ook dat zij oog had voor de veranderende politieke tijden, en voor de concurrentie van de dagbladen, die de weekbladen steeds meer gingen na-apen. Alleen: zij deed niets, zij raakte vooral steeds meer verwikkeld in ruzies die eigenlijk niet of nauwelijks over de journalistieke koers gingen.

Het beeld dat uit het boek van Jansen van Galen opdoemt, is dat het manicheïstische wereldbeeld dat Vrij Nederland groot maakte ook de neergang van het blad betekende. Het goed/fout-denken leidde, zoals H.J.A. Hofland al in de jaren tachtig constateerde, tot meedogenloosheid, maar toen de buitenwereld veranderde had die meedogenloosheid geen helder doel meer. Het was lege meedogenloosheid uit naam van het nieuws geworden. Het goed/foutdenken sloeg bovendien naar binnen, de meedogenloosheid richtten de redacteuren op elkaar.


Beeld: Joop van Tijn en Renate Rubenstein op de vijftigste verjaardag van Joop van Tijn, 1988 (Bert Nienhuis/Uit besproken boek)