Interview Erik van Loon

Recalcitrante brievenkunst

Het afgelopen jaar dook in de brievenrubrieken van dag- en weekbladen bij voortduring de naam Erik van Loon op. Onder die naam verschenen sinds de moord op Fortuyn met grote regelmaat reacties op actuele gebeurtenissen en meningen. Van brieven over intramurale zorg en directe democratie tot cursiefjes over de invoering van de euro en de akkefietjes in de LPF. Was hier sprake van een nieuwe loot aan de boom van obstinate ingezondenbrievenschrijvers als wijlen Henriëtte Boas of E.J. Janssen Perio? Nee, zo bleek al spoedig, want plotseling dook zijn naam ook op tussen de tientallen, soms honderden persberichten die wekelijks bij de kunstredactie op de mat vallen.

Erik van Loon bleek een kunstenaar. De politiek geladen brieven die hij naar de redacties van dag- en weekbladen stuurde, vormen tezamen een kunstwerk, zo maakte hij duidelijk in zijn annonces aan de kunstwereld. En waarom niet? Sinds een pispot meer dan 85 jaar geleden als kunstwerk veel lof oogstte onder het kunstminnend publiek van New York, zijn er merkwaardiger grenzen in de kunst overschreden. Dus waarom niet een stel brieven tot kunstwerk bombarderen?

Het is onduidelijk of alle redacteuren van dienst op de hoogte waren van het kunstzinnige streven van deze zelfverklaarde erfgenaam van Pim Fortuyn («Ik wilde de open recalcitrante toon vasthouden.») Hij schreef er 52, maar stuurde zijn brieven naar verschillende redacties tegelijk. Veertien van hen plaatsten 95 keer een Van Loon-brief. (Record: een brief in zes kranten.) Een enkele redacteur reageerde ontstemd nadat hij had gemerkt dat een opgenomen brief ook in de kolommen van een concurrerend orgaan opdook; anderen zagen daardoor, zo vertelt Van Loon, «de kracht van zijn kunstwerk», zoals de opinie redactrice van Het Financieele Dagblad, die een recordaantal Van Loon-brieven plaatste. Maar ook de Volkskrant, die jaarlijks dertigduizend brieven binnenkrijgt, plaatste twintig procent van het kunstwerk. Enkele brieven werden nergens geplaatst, zoals die waarin de kunstenaar de staat Israël een «gevangenis» noemt en waarin hij een eigen politieke partij opricht met een buitengewoon ondernemersvriendelijk program.

Die brieven zijn wel te vinden in het kunstwerk dat Van Loon verkoopt. De chique cassettes met 52 losse vellen kosten vijfhonderd euro per stuk. En dan krijg je er een handschoen bij om ze aan te pakken. De verkoop ervan is voor Van Loon van groot belang. «Producten die niemand koopt, zijn niets waard.» Hier openbaart zich de heao-opleiding die Van Loon succesvol afrondde voordat hij naar de kunstacademie ging. Zorgen maakt hij zich niet. «Let op mijn woorden: nu kent niemand mij nog, maar over vier jaar staat mijn kunst op de Documenta van Kassel.»

Van Loon is een onstuimige verteller; zonder rem in de vierde versnelling. «Natuurlijk erkent lang niet iedereen het kunstzinnige in dit project. Maar dit jaar zijn ze wel op de Rietveld Academie met een opleiding schrijven begonnen. Dat is erkenning genoeg. Maar ik zoek vooral publiek. Want kunst die niemand ziet is geen kunst.» De komkommertijd ziet Van Loon als een extra kans, niet als uitzichtloze langdradigheid.

Critici klagen over een gebrek aan engagement onder kunstenaars. De gedachte is: kunst wordt wereldvreemder dan de liefhebbers aankunnen. En inderdaad, op de academie moet je met een vergrootglas zoeken naar een student die de krant leest. Maar Erik van Loon draait het engagement om. «Het gaat er in mijn kunst niet om de wereld te zien, maar om mezelf terug te zien in de wereld.»

En krijgt hij daar subsidie voor, zoals een echte kunstenaar betaamt? «Nee. Ik ben principieel tegen subsidie. Niet voor niets heeft het subsidiëren van kunst een enorme vlucht genomen in 1940.»

Wat wil hij daarmee zeggen? «Heel veel.»

Sterke meningen, daar heeft Van Loon een jaartje op geoefend. Hij lacht er zelf om. Daarom ook betreurt hij het einde van dit project. Hij denkt aan de anonimiteit waarin hij nu weer kan belanden. «Ik heb enkele maanden terug afscheid genomen van een miljoenenpubliek. Dat doet nog dagelijks pijn.»