Recensenten

Als recensenten niet meer weten wat goed acteren is, of een goed script, of een goed scenario, of een goed boek, of een goede musicus, dan verandert daardoor de literatuur, de film, de muziek, kortom: de kunst.
Ik heb de afgelopen dertig, veertig jaar de waardering van de recensenten en de criteria voor literatuur, film en acteren zien veranderen en daardoor zijn schrijvers, regisseurs en acteurs andere eisen aan zichzelf gaan stellen.
Het is een normaal proces - het is tevens normaal dat ik me daaraan erger: ik vond vroeger misschien niet alles beter, maar wel dusdanig anders dat ik tegenwoordig moeilijk kan begrijpen waarom ‘men’ iets prijst of afwijst.
Vroeger gingen we allemaal naar 'Franse films’ of naar 'Ingmar Bergman’. Die films zouden nu niet populair meer zijn. Lees ik nu boekrecensies en koop ik vervolgens de boeken waarover men enthousiast was, dan begrijp ik, na lezing, vaak het enthousiasme niet. Voor mijn verjaardag kreeg ik iets van de schrijver Helle Helle.
Een boek voor mij, dacht ik, want de recensent sprak van 'verstikkende sfeer, less is more, minimalistische dialogen en beschrijvingen’ - allemaal zaken waarvan ik houd. Ik las het boek en voelde me bedonderd. Een korte zin schrijven heeft niets met minimalisme te maken. Dialogen schrijven die niemand ooit zal uitspreken ook niet.
Ik weet dat het geen zin heeft je te verzetten tegen recensenten. Toen ik onlangs (waarschuwing: er komt nu een opschepperig verhaal) in de beste krant ter wereld een pluimpje kreeg, barstte ik bijna van trots en toen ik daarover belde met iemand die mij na aan het hart lag, zei die: 'Ja, leuk. Heel fijn. Terecht ook. Maar… Echt begrepen heeft de recensent het geloof ik niet.’ Dat was waar - al kon me dat niets schelen. Maar waarom zou me het dan wel kunnen schelen als ik een slechte recensie kreeg?
In mijn jonge jaren heb ik eens met een gigantisch invloedrijke mastodont van de Nederlandse literatuur gesproken (althans, zo dachten mijn ouders erover), namelijk Victor van Vriesland. Een man vol bon-mots die ze tegenwoordig oneliners noemen.
'Critici’, zei hij op dicteersnelheid tegen de jonge verslaggever van de schoolkrant, 'zijn geen gemankeerde auteurs, wat men wel eens denkt, maar ze zijn domweg gemankeerd, want auteurs zijn het nooit.’ Tja, haha, dun grapje, denk je nu, en wonderlijk voor iemand die zelf redacteur was bij De Groene Amsterdammer en vele, vele kritieken heeft geschreven (in de Nieuwe Rotterdamse Courant - zie Onderzoek en Vertoog, 1958). Ik zei dan ook: 'Maar u heeft zelf toch ook kritieken geschreven?’ 'Dat waren meer kleine literaire essays, weet u.’
Indrukwekkend, vond ik toen. Nu denk ik: jammer dat hij niet echt iets heeft gezegd over de verhouding schrijver-recensent. Wat hij ook beweerd zou hebben, het zou nu gedateerd zijn. Maar dat is niet erg. Het oordeel van de recensenten spiegelt culturele opvattingen uit die tijd - en dat is interessant. Jammer alleen dat die opvattingen wel eens veranderen. Hoewel…
Mijn vader vond Lodewijk van Deyssel een groot auteur. (Waarschijnlijk omdat hij Van Deyssel eens een biefstuk had zien eten in Die Port van Cleve en hem toen tegen iemand hoorde zeggen: 'Ziet gij het huis aan de overkant? Daar is de grootste schrijver in de Nederlandse Letteren geboren.’ 'O ja, wie?’ vroeg de tafelgenoot. Waarop Van Deyssel gezegd zou hebben: 'Heer, gij beledigt mij dat gij niet weet wie gij voor u heeft!’
Dat woord 'gij’ vond ik altijd mooi. Maar Van Deyssel als auteur… niets aan. Zijn biograaf Harry Prick schreef oneindig beter en leuker. Maar ook die wordt niet meer gelezen. En ook de recensenten van beiden kennen we niet meer.