Howard Jacobson over de hedendaagse ernst

‘Recensenten begrijpen grappen niet’

De Britse prijs voor het meest komische boek ging dit jaar naar Zoo Time van Howard Jacobson. Voor de auteur is grote literatuur geestig, wild en expressief. Maar: ‘Iedereen is zo snel gekwetst. Vind je het gek dat niemand hier Céline leest.’

Medium uur van de dieren howard jacobson

Howard Jacobson drukt op een knop, waarna de gordijnen van zijn penthouse als in een theater openschuiven. Londen ligt aan onze voeten. Saint Paul’s is nog net zichtbaar tussen de hoogbouw. De bezoeker waant zich in een stomme film. ‘Het heeft wel iets. Ik zit hier midden in Soho, maar je hoort er helemaal niets van, ook niet in de avond wanneer de straten hier veranderen in schilderijen van Jeroen Bosch. Vroeger zat de Marquee Club hier zelfs onder, waar de Rolling Stones en Pink Floyd hebben opgetreden. Het is wel een geruststellende gedachte dat ik als ik wil, en dat gebeurt steeds minder, me binnen vijf minuten kan mengen in het tumult.’ Tumult. Dit woord zal regelmatig vallen tijdens het interview met de winnaar van de Bollinger Everyman Wodehouse Prize, de beloning voor het meest komische boek.

Het is de tweede keer dat Jacobson deze prijs heeft gewonnen. Veertien jaar geleden kreeg hij dit typisch Britse eerbetoon ook al voor The Mighty Walzer, een boek over het wel en wee van een tafeltenniskampioen. ‘Het enige probleem is dat ik nu te boek sta als een komische schrijver. Dat predikaat zit me in de weg. Het suggereert ten onrechte dat mijn boeken lichtvoetig zijn, wodehousiaanse kluchten. Het woord humorous bevalt me evenmin. Te Amerikaans. Laten we het op “geestig” houden. Een geestige benadering is de beste manier om de wereld te begrijpen, om de menselijke ambities belachelijk te maken, om te beginnen bij jezelf. Niet op een burgerlijke, maar op een wrede manier, scherp en wild. Jane Austen kon dat, ze was venijniger dan je denkt, net als Charles Dickens en James Thurber.’

De spot drijven. Dat is precies wat Jacobson heeft gedaan in zijn twaalfde roman. Het bekroonde Zoo Time (Het uur van de dieren) gaat over de schrijver Guy Ableman die ooit veelbelovend, en geruchtmakend, heeft gedebuteerd met het profane Who Gives a Monkey’s? maar zich nu zorgen begint te maken over zijn haperende schrijversloopbaan. Zijn uitgever pleegt zelfmoord, zijn literair agent houdt zich verscholen en vrouwelijke lezers lopen massaal weg, afgestoten door zijn vermeende miso­gynie. Ondertussen is zijn vrouw Vanessa met een roman bezig die wél succesvol dreigt te worden. Ablemans problemen worden verergerd door zijn verlangen om met zijn schoonmoeder Poppy naar bed te gaan. In Zoo Time bespot Jacobson niet alleen de literaire wereld, maar ook het narcisme van zijn alter ego, die in het begin van het verhaal een van zijn eigen boeken steelt (in zijn optiek: ‘bevrijdt’) uit een goededoelenwinkel van Oxfam.

Anders dan Ableman heeft zijn geestelijk vader niet te klagen over gebrek aan succes. Een schrijver in een penthouse is wennen. Zo’n spectaculaire woonomgeving past meer bij een bankier of een voetballer of bij een thrillerschrijver als Jeffrey Archer. Het lijkt een vorm van zelf­parodie van Jacobson, wiens ouderdom verscholen gaat achter een baard, snor en wilde haren. Om zijn schouders hangt een trui. Het bovenste knoopje van zijn blouse is open. Informal chic, zo zouden de Britten het kenschetsen. Kleding is belangrijk voor hem. Een T-shirt heeft hij nog nooit in zijn leven gedragen. Aan de muur van de ruime woonkamer hangen twee schilderijen van L.S. Lowry. ‘De derde ontbreekt. Om die te zien moet je naar Tate Britain. Hebben we uitgeleend’, zegt hij met een licht hese stem. ‘We’, dat zijn Jacobson en zijn derde vrouw, Jenny de Jongh, televisieproducente.

De Lowry’s vormen een verwijzing naar Manchester, de stad waar hij zeventig jaar geleden is geboren. Hij groeide op in een hecht maar onbemiddeld joods gezin. Als schrijver heeft hij vooral veel te danken aan zijn moeder, die elke dag poëzie voorlas en de kleine Howard naar hoorspelen liet luisteren. ‘Daar ontwikkelde ik een oor voor taal. Ik heb de wereld altijd als schrijver beleefd. Wanneer me iets naars overkwam, meestal pech in de liefde, schreef ik het op en dreef ik de spot met mezelf. Genadeloos. In de joodse cultuur zijn de geest en woorden de scherpste wapens. Voor mij als a-sportieve jongen bleek humor bovendien een manier te zijn om meisjes te veroveren.’ Later zou hij op Cambridge onder de bekende literatuurwetenschapper F.R. Leavis nader kennismaken met de wereldliteratuur, een ander belangrijk ingrediënt van zijn schrijverschap.

Jacobson ging zelf literatuur doceren, onder meer op een hogeschool in Wolverhampton. Dat leverde materiaal op voor Coming from Behind, de campusroman waarmee hij in 1983 debuteerde en die hem de bijnaam ‘de Britse Philip Roth’ opleverde (waarna hij zichzelf omdoopte tot ‘de joodse Jane Austen’). Deze satire draaide om de hilarische maar waargebeurde plannen van de school om te fuseren met de plaatselijke voetbalclub. De woeste, sexy en geestige campusroman floreerde indertijd. ‘Ik denk dat we in die tijd anders naar universiteiten keken. Achter de woestheid ging een charme schuil, gevoelens van vertedering voor de excentrieke, fietsende en idealistische professoren. Nu wordt de academie bewoond door mediagenieke professionals die winst moeten draaien en studenten volproppen met theorietjes. Hier heb je een Leerstoel voor Antisemitisme, daar eentje voor Terrorisme. Vrouwenstudies! Dat schreeuwt toch om een satire?’

Hij had graag zoiets willen schrijven, ware het niet dat hij geen binding meer had met de academische wereld. Uiteindelijk bedacht hij dat de ‘literaire wereld’ een vergelijkbaar instituut is. ‘Daar zie je dezelfde pretenties, malligheden en als intelligentie vermomde dommigheden. Misschien speelde de roman Karoo van Steve Tesich mee in mijn achterhoofd, een zwarte, zwarte satire over scenarioschrijvers in Hollywood.’ Jacobson vertelt dat hij als jongeman een wat naïef, romantisch idee had van het schrijverschap, compleet met terrasjes waar hij met andere schrijvers zou zitten, rokend en drinkend. ‘Sartre, Camus en Hemingway, die fantasie. Je kent het wel. Maar we zitten hier in Londen, niet in Parijs. Het louche leven van bohémien Soho, het zuipen in de kroegen, heeft me nooit echt getrokken. Soms ga ik wel eens uit, maar dan vooral met schilders. Er wonen trouwens haast geen schrijvers meer in Soho. Engelse schrijvers zitten meestal op het platteland, waar ze een tam, middle class burgermansbestaan leiden.’ Er lachend aan toevoegend: ‘Dat laatste geldt voor mij ook trouwens.’

Waar Zoo Time werkelijk om draait, is de vertrutting van de Britse samenleving in het algemeen en de literatuur in het bijzonder. Voor Jacobson is grote literatuur geestig, wild en expressief. De naam Rabelais valt regelmatig. ‘Zijn verhalen zijn woest, wreed en moordlustig. Je leest ze lachend, maar ondertussen wordt er wel iemand vermoord. Rabelais staat in het verlengde van de klassieke tragedies en de elizabethaanse toneelstukken waarin mensen goddelijke kwaliteiten worden toegedicht en hun onvermijdelijke ondergang tegemoet gaan. Nee, we zijn geen engelen. Iemand als Rabelais voegde eraan toe: we zijn niet alleen geen engelen, we zijn wilde beesten. Vlezig, vraatzuchtig en verzot op seks. Toen en nu. Humor, vulgair of intelligent, was een uiting van intellectueel verzet tegen autoriteiten. Religieuze leiders, politici en koningen. Er leeft nu een ander idee over de literatuur. Soms voelt het alsof je in een kerk zit, omringd door koorknapen. Veel moderne schrijvers zijn braaf, respectvol en vriendelijk. En niet te vergeten politiek correct. Men houdt van stille boeken. Op omslagen staan teksten als: “Dit is een wonderschone, stille en lieflijke roman.” Een aanbeveling! Men houdt van zuinig taalgebruik. Bah. Het heeft ermee te maken dat religie uit de kerk is verdwenen en zich heeft verspreid over de schone kunsten, vooral de literatuur. Recensenten begrijpen grappen niet, willen ze ook niet begrijpen. In Zoo Time laat ik een redacteur tegen recensenten zeggen: “Noem dit boek alsjeblieft niet grappig. Dat zou dodelijk zijn.” En nu hebben ze wraak genomen door dit boek te bekronen.’

Hij ziet het puriteinisme in de literatuur als een weerspiegeling van de tijdgeest. Zoekend naar levendige tijden springt hij van het Engeland van Shakespeare naar het New York van Saul Bellow, Woody Allen en Norman Mailer. Met plezier citeert hij uit Philip Roth’s Sabbaths Theatre: ‘For a pure sense of being tumultuously alive, you can’t beat the nasty side of existence.’ Tumult! Tumult. Dat moet een roman hebben. Jacobson hekelt het verstikkende klimaat van nu: ‘Je moet voorzichtig zijn, uitkijken wat je zegt. Wee de man die een grap over een vrouw maakt, of andersom. Een niet-jood over een jood. Een blanke over een zwarte. Een Engelsman over een Duitser. Iedereen is zo snel gekwetst. Vind je het gek dat niemand hier Céline leest. Een akelige man met akelige ideeën. Maar wat een schrijver! Zo vol leven, woede en humor. Hij wist dat je de essentie van iets kon ontdekken door te overdrijven. De groteske overdrijving als stijlmiddel is nagenoeg verdwenen.

Dat zeggende, de Comedy of the Grotesque bestaat nog. Stand-up komieken worden vereerd. Het podium is vandaag de dag de aangewezen plek waar mensen nog ongehinderd grappig mogen zijn. Op een lichtvoetige wijze. Het moet vooral niet worden verward met ernst. Mensen willen weten waar ze aan toe zijn, zeker in Amerika. Ik heb wel eens overwogen om Amerikaanse edities uit te rusten met een handleiding waarbij boven aan de pagina’s mededelingen staan als “funny”, “bit funny” en “not funny”. Net zoals de lachmachines in sitcoms. Maar juist dat raakvlak tussen ernst en humor interesseert me, die ambivalentie. Ik merk echter dat het genre tragikomedie steeds vaker verwarring wekt. Toen ik twee jaar geleden de Man Booker won met The Finkler Question vroegen critici zich af hoe een “comic writer” kan winnen. Ik hoor een criticus nog zeggen: “Ja, het is grappig, maar laten we het hebben over de essentie. Het is toch vooral een droef boek.” Hij weigerde beide elementen als één geheel te zien.’

Tijdens het literaire festival van Hay-on-Wye veroorzaakte Jacobson onlangs opschudding door te beweren dat lezers die The Finkler Question niet begrepen niet leesvaardig genoeg zijn. Het was een grap met een ernstige ondertoon. ‘We houden nog steeds van romans, zoveel zelfs dat we er allemaal eentje willen schrijven, maar we weten niet meer hoe we ze moeten lezen. Het toverwoord is nu: identificatie. Lezers willen zich identificeren met personages. Wat blijft er dan nog over. Wie identificeert zich met Macbeth? Wat zouden al die vrouwenleesgroepen vinden van Reis naar het einde van de nacht? Met wie identificeer je je daar? Wie vind je daar aardig? Of wat te denken van Dostojevski’s Memoires uit het souterrain? De boeken van Kafka met al hun gruwelen en onverklaarbaarheden. Het lezen van romans is een vorm ven zelfhulp geworden. Het doel is om meer over jezelf te leren, te weten te komen dat je het goed doet en mooi bent. De literatuur is gekoloniseerd door de reclamewereld. Boeken zijn om te lezen in bad en op het strand. Of bij de bushalte.’

Jacobson kan zich dan ook niet druk maken over de klacht van de zwarte kinderboekenschrijfster Malorie Blackman dat ze zich als kind onzichtbaar waande in de wereldliteratuur. ‘Wat een onzin. Als jood vond ik mezelf ook niet terug en als ik mezelf wél terugvond, dan was dat in de gedaanten van Shylock en Fagin. Dan kun je jezelf maar beter niet terugvinden. Nee, ik vond mezelf terug in de wereld van Jane Eyre. Daar voelde ik me thuis en dat heeft helemaal niets te maken met etniciteit. Een boek is geen verlengstuk van jezelf.’ Dat brengt hem meteen op een ander modern verschijnsel. Hij informeert met een grijns of ik wel eens boeken op Kindle lees. ‘Moet je eens doen voor de grap. Er is een functie waarbij sommige zinnen onderlijnd zijn met mededelingen als “121 lezers hebben dit onderlijnd”. Dat zijn altijd passages over zelfverbetering. Lieflijke woorden over innerlijke gevoelens. Heel braaf. Sommige mensen lijken te lezen om tegeltjeswijsheden te verzamelen.

Het probleem is dat de mensen tegenwoordig steeds meer zwart-wit zien, te serieus zijn, te veel beïnvloed door linkse of rechtse ideologieën. Het internet verergert deze ontwikkeling. Daar is geen plek voor nuance, ironie en ambivalentie. Bovendien verwacht men van schrijvers dat ze de waarheid postuleren. Na Margaret Thatchers dood verschenen er verhalen over de “winter van onvrede” van 1979, over de vuilnishopen op straat en de overvolle mortuaria. In mijn Independent-column schreef ik dat ik destijds mijn kantoor niet binnen kon komen door de rottende lijken. Lezers namen dit serieus en schreven boos dat dit niet waar was, of juist wel. Dat alles letterlijk nemen is iets Amerikaans, vrees ik. Voor een Amerikaans blad schreef ik ooit een verhaal over de eetcultuur in Cork. Daarin karakteriseerde ik de serveerster in een strandtent als een zeemeermin. Ze was knap en had nat haar. Kreeg ik een redactrice aan de lijn die vroeg of ik zeker wist of ze uit de zee was gekomen.’

Bij Jacobson leeft het vermoeden dat mensen steeds minder voor hun plezier lezen, om in vervoering te raken van een mooie zin of passage. ‘Heb je Anna Karenina gelezen? Niet per se een boek dat als komisch bekend staat, maar aan het begin komt vorst Oblonski vrolijk en tevreden thuis met een grote peer, die hij als geschenk voor Dolly had meegenomen, zijn vrouw die hij zo had bedrogen. Oblonski is bepaald geen fijne persoon, maar toch krijg je een zwak voor hem door deze tragikomische geste. Het is een passage die niemand zou onderstrepen, maar als Levin een paar stichtende woorden uit tegen een boertje, dan wordt er meteen driftig onderstreept. Het is allemaal zo sentimenteel. Mensen willen graag tranen in de ogen krijgen tijdens het lezen, maar niet van het lachen.’

Alle hoop is niet verloren. ‘In deze tijd van stichtende ernst is het zo belangrijk dat er een Wodehouse-prijs bestaat. Het waardeert en stimuleert immers humor in de literatuur’, zegt Jacobson. Wodehouse zelf heeft hij lange tijd niet gelezen. Te kluchtig, naar zijn smaak. ‘Maar nadat ik twee keer een prijs in zijn naam heb gekregen, voelde ik me verplicht om hem weer eens te gaan lezen. En met meer plezier dan ik had verwacht. Met de kluchtige verhalen over betoeterde aristocraten kan ik nog steeds weinig. Maar wat had hij een gevoel voor taal, voor timing én voor humor. Hij zag de wereld als een grap. Dat is een vereiste voor een schrijver.’


Howard Jacobson, Het uur van de dieren, Prometheus, 384 blz., € 19,95