Stemmen over Oekraïne: Schimmenspel

‘Recept voor teleurstelling’

Is het Oekraïne-referendum een toppunt van democratie? Er zijn redenen om daaraan te twijfelen. Wat zegt een nee tegen de politiek? Wat is het effect van de kiesdrempel?

Medium groene referendum

Het is begin maart. Nog een maand te gaan tot het eerste raadgevende referendum in de Nederlandse parlementaire geschiedenis, het eerste referendum dat er komt op initiatief van burgers zelf en niet op dat van de politiek. Op 6 april, volgende week woensdag, kunnen alle kiesgerechtigden voor of tegen het Associatieverdrag tussen de Europese Unie en Oekraïne gaan stemmen.

In perscentrum Nieuwspoort in Den Haag is in de aanloop daar naartoe een debat tussen een van de initiatiefnemers van dit referendum, Thierry Baudet, en twee Kamerleden, vvd’er Han ten Broeke en zijn d66-collega Kees Verhoeven. Vooral Baudet en Verhoeven vliegen elkaar in de haren. De heren hebben er moeite mee elkaar te laten uitpraten. Baudet schildert een sombere toekomst voor Oekraïne als het verdrag er komt. Volgens hem veroordelen we dat land dan tot eeuwigdurende oorlog, tussen burgers onderling en met Rusland. Verhoeven vindt dat een laffe opstelling, om uit angst voor Rusland tegen het verdrag te stemmen.

Oorlog? Het ging toch over een handelsverdrag?

Het handelsverdrag gaat inderdaad niet alleen over handel. Wie dat gelooft, is naïef. Het begint er al mee dat het verdrag zelf niet alleen de handel moet bevorderen, maar ook is bedoeld om Oekraïne te stimuleren de corruptie te bestrijden en te stimuleren om westerse waarden en normen te respecteren.

Onlangs deed de Belgische christen-democratische politicus en voormalig voorzitter van de Europese Raad Herman van Rompuy in Trouw daar ook niet moeilijk over: ‘Het (verdrag – avr) is niet alleen een stukje papier dat over economische voor- en nadelen gaat.’ Om daaraan toe te voegen dat ‘de hele oorlog immers is begonnen met het associatieverdrag’, waarmee hij doelde op het annexeren van de Krim door Rusland en de door de Russen gesteunde strijd in Oost-Oekraïne tussen regering en rebellen. Geopolitiek speelt wel degelijk een rol.

Maar in het stemhokje krijgt u alleen deze vraag voorgelegd: bent u voor of tegen de wet tot goedkeuring van de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Oekraïne? Mocht u gaan stemmen, dan geeft u daarmee misschien wel antwoord op de in uw hoofd spelende vraag of u vindt dat Nederland met een nee Rusland in de kaart speelt. Maar er kunnen ook nog vele andere vragen meespelen. Het referendum gaat dan ook niet over datgene waarover het gaat.

Dat dit ook niet de bedoeling was, hebben Baudet en zijn mede-initiatiefnemer, journalist Jan Roos van GeenStijl, overigens ook nooit onder stoelen of banken gestoken. Toen zij vorig jaar handtekeningen gingen verzamelen om zo als eerste gebruik te kunnen maken van de kersverse referendumwet was het handelsakkoord slechts de aanleiding. Wat zij willen is onvrede mobiliseren, onvrede over de Europese integratie, onvrede over snelle uitbreiding van de Unie, onvrede over het democratische gehalte van de Unie.

Die andere agenda maakt het voor voorstanders van het handelsverdrag lastig om met hen te discussiëren. Zo blijft Baudet in Nieuwspoort tijdens de discussie met Ten Broeke en Verhoeven volhouden dat het handelsverdrag de opstap is naar een volledig EU-lidmaatschap van Oekraïne. Dat dit niet in het verdrag staat, zoals de twee Kamerleden benadrukken, maakt geen indruk op hem. ‘Natuurlijk staat het er niet letterlijk in, maar het is wel de langetermijnstrategie’, is Baudets weerwoord. Bewijs dan maar eens als politicus dat dit niet zo is. Wie gelooft dat? Waar het betrouwbaarheid betreft scoren politici toch al niet hoog.

Voordat Baudet en de twee Kamerleden in Nieuwspoort met elkaar in debat gaan, is het woord aan Wytze van der Woude, universitair hoofddocent staatsrecht aan de Universiteit Utrecht. Hij mag niet door de andere drie geïnterrumpeerd worden. Daardoor krijgt hij de kans een betoog op te zetten.

Hoe een uitslag te duiden van een vraag waar iedereen wat anders bij denkt?

Van der Woude is vooral geïnteresseerd in het instrument referendum als zodanig. En dus ook in hoe dit eerste raadgevende referendum zal gaan uitpakken als middel tot meer directe betrokkenheid van burgers bij de democratie. Want na 6 april zal het niet alleen gaan over de uitslag op de gestelde vraag en wat het kabinet daarmee gaat doen mocht er een meerderheid van de opgekomen kiezers tegen het verdrag zijn, maar ook over alle zin en onzin rondom dit eerste raadgevende referendum.

Van der Woude is niet optimistisch gestemd. Volgens hem is dit specifieke referendum ‘een recept voor teleurstelling’. Hij voorziet dat als volgende week woensdagavond de eerste uitslagen binnenkomen de exegese van die uitslag zal leiden tot een schimmenspel. Want hoe een uitslag te duiden van een vraag waar iedereen wat anders bij denkt?

In Nieuwspoort gaat Van der Woude met een fileermes aan het werk om zijn stelling te onderbouwen dat het een teleurstelling wordt. Hij begint met de vraagstelling. Een referendum mag van hem best over een moeilijk onderwerp gaan, maar in dit geval is de hoofdvraag niet de hamvraag. Nee, dan doen de Britten het volgens hem beter. De rest van Europa mag zich ergeren aan het komende referendum in Groot-Brittannië, maar daar wordt tenminste op de man af aan de kiezers gevraagd of ze willen dat hun land uit de EU treedt of niet. In Nederland gaat dit via de band.

Dat leidt volgens Van der Woude meteen tot het volgende probleem. Stel dat er, na het behalen van de opkomstdrempel, een meerderheid van de kiezers tegen het handelsverdrag stemt, wat is dan eigenlijk het gevolg? Niemand weet wat een nee inhoudt. In ieder geval zal het niet betekenen dat Nederland uit de EU treedt, ook niet dat de EU democratischer wordt of niet meer mag uitbreiden, en zelfs niet dat het EU-handelsverdrag met Oekraïne helemaal van de baan zou zijn. De kiezers die nee stemmen uit onvrede over Europa zullen als gevolg daarvan alleen nog maar ontevredener worden. In plaats van dat het referendum leidt tot meer betrokkenheid bij de democratie kan het leiden tot een nog grotere afkeer ervan, althans van politici, van Den Haag en van Brussel.

In de aanloop naar het referendum is er door I Research onderzoek gedaan naar wat mensen vinden van referenda in het algemeen, dit referendum in het bijzonder en hoe ze begin april zullen gaan stemmen. Bij het uitleggen van de daadwerkelijke stembusuitslag zal zeker aan bod komen wat de onderzoekers in december 2015 al vonden: dat dit referendum een kloof blootlegt tussen hoogopgeleiden enerzijds en lager en middelbaar opgeleiden anderzijds.

Lager en middelbaar opgeleiden vinden dit specifieke referendum veel vaker een goed idee dan hoger opgeleiden, zeggen in groteren getale teleurgesteld te zijn in de EU en geven ook vaker dan hoogopgeleiden aan nee te zullen stemmen. Bij hen zal na een mogelijke overwinning van het nee-kamp en het gejuich daarover uiteindelijk de teleurstelling gaan overheersen als blijkt dat dit nee weinig tot geen gevolgen heeft. Met het invoeren van het referendum mag dan weliswaar niet specifiek zijn beoogd om de kloof tussen hoger en lager opgeleiden te dichten, maar het tegenovergestelde, het vergroten van die kloof, is in ieder geval niet het doel geweest.

Toen de Raad van State in mei 2014 advies uitbracht over de referendumwet benadrukte de Raad dat het bij een raadgevend referendum gaat om een niet-bindend-advies van de bevolking aan de wetgever. De wetgever hoeft het advies dus niet op te volgen. Deze kan daar van afwijken, maar moet daar dan van de Raad wel motieven voor aandragen. Volgens Van der Woude gaat dat laatste bij dit referendum moeilijk worden, omdat niet duidelijk is wat het advies van de kiezers eigenlijk inhoudt.

Nog een probleem is de opkomstdrempel. In de referendumwet staat dat als bij een opkomst van dertig procent van de kiezers een meerderheid nee stemt, het kabinet een wet naar de Kamer moet sturen die de wet intrekt waar het referendum over is gehouden. In dit geval de wet tot goedkeuring van het Associatieverdrag met Oekraïne. Het is dan vervolgens aan het parlement om te beslissen of het gehoor geeft aan de uitslag van het referendum.

De drempel lijkt een waarborg om niet al bij een geringe opkomst een heel wetgevingscircus te hoeven optuigen. Maar volgens Van der Woude heeft de drempel het niet-bindende karakter van het referendum om zeep geholpen. In de samenleving is door die drempel het idee gaan leven dat bij het behalen ervan de uitslag gedwee gevolgd moet worden door de politiek. Ook de Raad van State waarschuwde het parlement daar in zijn advies al voor.

Pechtold zal worden weggehoond als D66 de uitslag niet opvolgt. Ze hebben die referendumwet toch zelf gewild!

Hoe absurd die drempel uitpakt, is te zien bij een rekenvoorbeeld. Stel dat de vraagstelling wel eenduidig zou zijn, bijvoorbeeld zoals bij de Britten: Bent u voor of tegen het uit de EU treden van Nederland? En stel vervolgens dat de belangstelling voor dit referendum zou blijven steken op dertig procent plus een stem, oftewel dat de kiesdrempel net wordt gehaald. Dat is bij deze referendumvraag overigens veel te laag ingeschat, maar daar gaat het hier niet om. Als de helft plus één van de opgekomen kiezers dan voor uittreding stemt, zou het betekenen dat Nederland de EU verlaat omdat 15,01 procent van alle stemgerechtigden daar voorstander van is. Dat is slechts een zesde van alle stemgerechtigden. Het is dan toch moeilijk vol te houden dat dit de stem van het volk is. Het heeft voor de politiek dan ook weinig zin om te redeneren dat wie zwijgt toestemt. Want waar heeft die zwijgende meerderheid dan mee ingestemd, met uittreding of met de status-quo?

d66 was een van de initiatiefnemers van deze referendumwet. De partij is daarnaast ook groot voorstander van het handelsverdrag met Oekraïne. Partijleider Alexander Pechtold ging er tijdens het krokusreces zelfs naartoe om dat laatste te onderstrepen. Dat hij vloog op kosten van een ondernemer die belangen heeft in Oekraïne, is niet onopgemerkt gebleven. Maar nog ingewikkelder wordt het voor Pechtold om te beslissen wat hij gaat doen met de uitslag van het referendum.

De kans bestaat dat hij zich in onmogelijke bochten zal moeten wringen. Het past niet bij d66 om niet naar de stem van het volk te luisteren. Het referendum was een van hun belangrijkste kroonjuwelen, ook al hebben ze het bij d66 liever niet meer zo nadrukkelijk over die juwelen. Als Pechtold de uitslag respecteert, zal hij echter wel zijn eigen achterban, die voorstander is van het handelsverdrag, teleur moeten stellen. Als gezien de combinatie van opkomst en uitslag bij lange na niet de helft van de Nederlandse stemgerechtigden tegen het verdrag stemt, is de vraag terecht of dit is wat d66 verstaat onder democratisch.

Omgekeerd zitten ze ook in een lastig parket, want de d66-leider zal worden weggehoond als zijn fractie de uitslag niet opvolgt. Ze hebben die wet toch zelf gewild en dan leggen ze de eerste de beste keer de uitslag al naast zich neer!

Ook de pvda stond aan de wieg van de referendumwet. De regeringspartij heeft, in tegenstelling tot d66, vooraf al laten weten de uitslag van de referendumwet te zullen respecteren. Een van de argumenten daarvoor is om tijdens de campagne niet steeds geconfronteerd te worden met de vraag wat de partij met een nee tegen het handelsverdrag gaat doen. Met die houding bevestigt de pvda echter Van der Woude’s stelling dat een niet-bindend referendum de facto een bindend referendum is.

Over een week zal het schimmenspel over de uitslag van dit eerste raadgevende referendum in volle hevigheid aan de gang zijn. Ook overigens als de kiesdrempel niet wordt gehaald. Ook dat vraagt om exegese. Lag het aan het onderwerp dat de kiezers thuis bleven? Zijn de voorstanders om strategische redenen weg gebleven zodat de drempel niet gehaald zou worden? Want ook dat is een effect van de kiesdrempel en het bindende karakter dat daar vanuit gaat. Als de drempel niet wordt gehaald, hoeft het kabinet niks te doen.

Of bleven kiesgerechtigden thuis omdat ze de initiatiefnemers niet serieus namen en hun hun lolletje niet gunden? Het was de laatste weken een veelgehoorde klacht als je vroeg of mensen zouden gaan stemmen. Ze vinden het belachelijk dat een als clown verklede Jan Roos dit circus op gang kan brengen. Lachen man! Is het niet een grote vinger die wordt opgestoken naar de politiek? Het is een beladen vraag, want de intenties van de referendumaanvragers doen er formeel niet toe.

De ergernis groeide toen duidelijk werd hoeveel dit referendumcircus gaat kosten. De gemeenten krijgen dertig miljoen euro voor alle werkzaamheden die met het referendum gepaard gaan, zoals het verzenden van de stembiljetten en het inrichten van de stemlokalen. Dat is tien miljoen euro meer dan aanvankelijk was beraamd.

Daarnaast was er de ergernis over de twee miljoen euro aan subsidie die is gegaan naar organisaties om campagne te voeren in het kader van het Oekraïnereferendum. Het geld blijkt verdeeld zonder inhoudelijke toetsing door de commissie die het verdeelde. Zo gingen er duizenden euro’s naar het vervaardigen van wc-rollen waarop de nadelen van het handelsverdrag zijn gedrukt. Hoeveel gekker kan het worden?

Dat vervolgens blijkt dat er ook subsidieontvangers zijn die weinig tot niks doen met het geld, behalve zichzelf verrijken en daarover waarschijnlijk in hun vuistje lachen, kan niet zonder gevolgen blijven. Niet alleen voor deze individuele ontvangers, maar ook voor de verdeling van subsidiegelden bij eventuele toekomstige referenda.

Maar het schimmenspel op de uitslagenavond zal nog heftiger worden als er wel meer dan dertig procent van de kiezers naar het stemlokaal gaat. Zoals Van der Woude voorspelde zullen dan allerlei uitleg en invalshoeken over elkaar heen buitelen. Wat betekent een nee, wat ermee te doen? Ook zal het verwijt dat leden van het ja-kamp onvoldoende campagne hebben gevoerd nog luider klinken. Het kabinet en pvda en cda kregen die verwijten in de aanloop al. En wat Van der Woude niet noemde, maar wat dan ook zeker zal gaan spelen, is de vraag of de uitslag ook een beoordeling is van het kabinetsbeleid, van minister-president Mark Rutte of van de populariteit van pvv-leider Geert Wilders die in het nee-kamp zit.

Dit eerste raadgevende referendum hoeft volgens de vorig jaar aangenomen wet niet afzonderlijk geëvalueerd te worden. De minister van Binnenlandse Zaken hoeft pas na drie jaar verslag te doen aan het parlement over hoe de wet uitpakt. Maar dit referendum schreeuwt nu al om een evaluerend debat in het parlement. Daarbij zou het de initiatiefnemers van de wet sieren niet te schromen eerlijk te beoordelen of dit is wat ze voor ogen hadden toen ze hun referendumwet indienden. Was het deze eerste keer een juweeltje voor de democratie, eentje dat in de toekomst nog meer zal gaan schitteren?