Receptie

Alles is zoals het moet zijn: er is zon, er is wijn, er is een tuin, er is een boek van een vriend gepresenteerd, er is de golfslag van groepjes pratenden die soepeltjes als tandraderen om elkaar draaien, en ineens is er meneer U., een oude leraar van mijn oude school, die tegenover me staat en die na het wisselen van hartelijke beleefdheden verklaart: ‘Maar wat je over Van T. hebt geschreven, dat vind ik niet kunnen.’

Ik, nog altijd in de glimlachmodus, krab over mijn kin en mompel: ‘Eens even kijken hoor…’ Want ik weet weliswaar waar hij op doelt - een verhaal in een bundel over mijn geboortestad, waarin ik herinneringen aan mijn oude school optekende - maar kan me niet exact herinneren welke rol Van T., wiskundeleraar, daarin kreeg toebedeeld.

‘Ja eens even kíjken, eens even kíjken, je weet donders goed wat ik bedoel…’

In het receptiegezelschap draait een enkeling z'n hoofd naar ons toe. Maar ik weet het echt niet. Naar mijn idee had ik Van T. nog redelijk gespaard, ook omdat de goede man een aantal jaren terug plotseling is overleden. ‘… Je weet dónders goed wat ik bedoel, en ik kan je wel vertellen dat Van T. een van de meest bijzondere en een van de meest nobele mensen was die ik in mijn leven gekend heb.’ Inmiddels draaien in voltallige groepjes gezichten simultaan onze kant op.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat mijn ervaringen anders waren, maar wiskunde was nooit mijn fort, en over de doden niets dan goeds. Maar nog altijd herinner ik me niet wat ik over die vent geschreven heb. Dus begin ik in grote lijnen de intentie van mijn verhaal duidelijk te maken. Het is namelijk geschreven vanuit een vijftienjarige, en daarom koos ik voor een opstandige toon, ‘een beetje _Portnoy’s complaint-_erig’, hoor ik mezelf zeggen.

‘Dat kan allemaal best zijn, maar wat ik het meest onvergeeflijk vind is dat je niet eens de moeite hebt genomen om andere namen te gebruiken. Je had mij ook mogen noemen, dan had je me Lulmans mogen noemen of zo, vind ik helemaal niet erg, maar nee, je hebt de echte namen gebruikt! En dát…’ De oude docent slaat het laatste bodempje van zijn wijn achterover, ‘dát had je niet mogen doen. Dat had je níet mogen dóen!’ En hij beent weg en blijft de rest van het feestje in de verst mogelijke uithoek van de tuin staan te midden van, zie ik nu pas, twee andere oud-docenten, die me beurtelings spiedende blikken toewerpen.

Jammer, want ik was graag dieper ingegaan op de materie. Kijk, de stelling dat ik niet negatief over die docenten mag schrijven is uiteraard voyante kulklets. Het zijn míjn herinneringen, en ik doe ermee wat me goeddunkt.

Maar die namen zijn wel degelijk interessant. Ik probeerde het aanvankelijk met schuilnamen, maar merkte dat de stroom erdoor stagneerde. Dus nam ik me voor de boel gewoon te schrijven en daarna alle namen weg te control-F-en, te vervangen door varianten van gelijk koloriet.

Aldus deed ik. Ik wijzigde de namen, deed een paar passen achteruit, en zag dat het niet goed was. Juist datgene wat het verhaal vuur gaf en levend maakte - de authenticiteit - was erin gedoofd, en mijn docenten en klasgenoten (en vooral het object van mijn puberverliefdheid) liepen dof door de gangen, als poppen met malle maskers op. Dus control-Z-te ik de realiteit terug.

Nu is het tijd om een geheim te verklappen. Het gewraakte verhaal was namelijk een experiment, een schets, een voorstudie, een pilot, een proefballon. Ik overweeg om die gymnasiumperiode uit te werken tot groter paneel (binnen iets nog weer groters), maar twijfel daarbij nog aan die namenkwestie.

Als zo'n betrekkelijk onschuldig stukje al tot ophef leidt, hoe zal dat dan met complete hoofdstukken gaan? En ook al houd ik niet van de laffe verschuiling - ‘het is allemaal natuurlijk maar fictie hè?’ - toch heb je rekening te houden met de receptiekant van het schrijven. En ik zei wel ‘authenticiteit’, maar zodra je herinneringen opschrijft begint de kleuring al, de interne logica van het verhaal eist dat je gaat afwijken van het reële pad. Bovendien kan ik mijn vroegere klasgenoten toch niet lastigvallen met wat ze als vijftien-, zestienjarigen uitspookten? Die lui zijn nu allemaal specialist, advocaat, huisarts. Vooruit: het is allemaal maar fictie. Is dat niet een hele opluchting?

En die poppen met malle maskers dan? Ja, dat is alleen voor míj zo, en allicht ook voor de betrokkenen, maar voor wat dan het grote publiek heet (de getallen met veel nullen die je in advertenties ziet) maakt het natuurlijk niets uit.

Goed dus, meneer U., ik geef mij over, ik leg de wapens neer. Zie het wapperen van de witte vlag. De weg ligt open. Er zullen nieuwe namen zijn.