John Stuart Mill en de vreugdeloze moralisten

Recht op dronkenschap

Het hoogste goed voor de mens is zijn individualiteit, vond John Stuart Mill. Geheelonthouders en andere wereldverbeteraars schaden anderen zodra zij de wet of de dwangtherapie inroepen om de medemens hun levensvisie op te opleggen.

‘GEEN MENS zou mogen worden bestraft eenvoudig omdat hij dronken is. Daarentegen dient een soldaat of politieman te worden gestraft indien hij dronken is bij de uitoefening van zijn plicht. Om kort te gaan, zodra er sprake is van duidelijke schade of een duidelijk risico van schade aan een individu dan wel aan het publiek, dan valt de zaak buiten het bereik van de vrijheid en binnen dat van de moraal en de wet.’

Ziedaar in een notendop John Stuart Mills standpunt over geheelonthouding. Drank en drankmisbruik komen niet toevallig meermalen aan de orde in On Liberty. Mill schreef zijn boek twee jaar na de oprichting van de United Kingdom Alliance of Legislative Suppression of the Sale of Intoxicating Liquors, een geheelonthoudersbeweging die productie, verkoop en gebruik van alcoholische drank geheel wilde verbieden. In 1951 was in de Amerikaanse staat Maine onder druk van de even opdringerige American Temperance Society reeds zo’n omvattende verbodswet, de zogeheten Maine Law aangenomen.

Het vraagstuk van openbare dronkenschap was in die dagen onderwerp van verhitte discussies in de betere kringen. Vanuit het individu bezien was dronkenschap een moreel probleem, juridisch gezien was het een openbare-ordeprobleem en sociaal gezien in wezen een klassenprobleem. Maar het was ook een politiek probleem, zoals Mill haarscherp onderkende. Het recht om met je eigen lichaam te doen wat je wilt zolang je anderen niet schaadt is de grondslag van alle politieke vrijheid, ja van alle vormen van beschaving die de naam waard zijn.
Dat recht is onvervreemdbaar, ook al menen anderen je met kracht van argumenten te moeten overtuigen van het tegendeel. En die anderen rukten al in Mills tijd vervaarlijk op. Hij schreef zijn beroemde pamflet dan ook niet als antwoord op de tirannie van de vorsten, want die was al aardig aan banden gelegd door parlementen en volksopstanden. Hij verdedigde de vrijheid in de eerste plaats tegen zijn medemens, tegen de collectieve druk waarmee de meerderheid trachtte elke minderheid en uiteindelijk elk individu aan zich te conformeren.

Niet lang daarvoor had Mill zelf behoord tot de georganiseerde betweters, om precies te zijn de utilitaristen die meenden dat menselijk gedrag gericht moet zijn op het bereiken van het grootste nut voor het grootste aantal mensen. In zijn jeugd was zowel Jeremy Bentham, de grondlegger van de utilitaristische school, als zijn eigen vader James Mill, eveneens utilitarist, zijn leermeester geweest. Op hun beurt beschouwden beide heren de briljante jonge Mill als hun wettige erfgenaam. Aan die illusie kwam abrupt een einde toen Mill in 1826 zijn fameuze ‘geloofscrisis’ doormaakte.

Mill ontdekte, simpel gezegd, dat het streven naar het grootst mogelijke geluk voor iedereen hem, John Stuart Mill, niet gelukkig maakte. Integendeel, hij was emotioneel weggeteerd boven de traktaten van Bentham en de eindeloze, terminaal saaie ‘aantekeningen’ van zijn vader. En zodra het grondbeginsel het begaf, stortte voor zijn vertwijfelde ogen het hele utilitaristische bouwwerk met donderend geraas in elkaar. ‘The end had ceased to charm, and how could there ever again be any interest in the means?’ schreef hij in zijn autobiografie.

DE FELHEID en bondigheid van On Liberty zijn deels te verklaren uit Mills bekering. Een ander deel van de verklaring is zijn gelukkige maar rusteloze verhouding met zijn maîtresse en latere vrouw Harriet Taylor. Taylor was een buitengewoon ontwikkelde en bevlogen dame en Mill beschouwde haar in alle opzichten als zijn leermeesteres, wat zij in een aantal opzichten ook was, zo blijkt uit manuscripten die in hun nalatenschap werden gevonden. Het gevolg van Mills blinde bewondering voor Taylor was echter dat hij niets meer schreef. Erger nog, vanwege de onwil van de buitenwereld om Taylor intellectueel serieus te nemen, sloot het echtpaar zich op in een soort folie à deux tot aan haar dood in 1859.

VANDAAR Mills afkeer van puriteinen en wereldverbeteraars: ze hadden hem eerst zijn jeugd afgenomen en vervolgens zijn vrouw in haar maatschappelijke ontplooiing belemmerd. Geluk was niet meetbaar als ware het een eenvoudige aftreksom van plezier en pijn, zoals de utilitaristen dachten. En het was niet af te dwingen met een bangelijke, bekrompen en vrouwvijandige moraal, zoals de puriteinen meenden. Geluk was volgens Mill enkel bereikbaar door te streven naar vrijheid en geluk voor anderen, naar schoonheid, vooruitgang voor de mensheid, kunst, contemplatie, opgaan in de natuur, ja zelfs door bezigheden die in het geheel geen aanwijsbaar nut hadden. Het hoogste goed voor de mens was zijn individualiteit, het onbelemmerd nagaan van zijn persoonlijke voorkeuren zonder anderen te schaden.

De Britse en Amerikaanse geheelonthouders waren in Mills dagen wat de ergste antirokers, alcoholbeperkers, autohaters, vleesverachters, antivet-activisten en klimaatfascisten voor de wereld van vandaag zijn. Wat hedendaagse volksverbeteraars gemeen hebben met hun voorgangers is een vreugdeloze, negatieve levenshouding. Zij onderschrijven doorgaans niet (of niet meer) de Heidelberger catechismus, maar menen wel dat de mens zwak is en geneigd tot alle kwaad. Tot zo ver schaden zij alleen zichzelf. Zij schaden anderen zodra zij de wet, de wetenschap of de dwangtherapie inroepen om hun medemens te overtuigen van hun levensvisie.

‘Die zogenaamde Christelijke moraal’, schreef Mill apropos, ‘is eerder negatief dan positief; eerder passief dan actief; eerder Onschuld dan Zieleadel; eerder Onthouding van het Kwaad dan energiek Streven naar het Goede: in zijn voorschriften (zo is treffend geconstateerd) overheerst het “gij zult niet” onnodig het “gij zult”. In zijn afkeer van sensualiteit heeft het een afgod gemaakt van de geheelonthouding, die geleidelijk is afgezwakt tot een idool van legaliteit.’

Het totale alcoholverbod is ons bespaard gebleven, mede dankzij de invloed van Mill. Toch is de ‘afkeer van sensualiteit’ sluipenderwijs ons bestaan binnengedrongen in de vorm van accijnzen en andere strafheffingen, verzekeringsclausules, bespottelijke voorlichtingscampagnes, kwaliteitsbederf (denk aan verplicht slap evenementenbier of het verbod op voortreffelijke huisgestookte likeuren) en sinds kort ook het uitbannen van alcohol uit publieke ruimten waar islamitische medelanders vertoeven. Ook elke verhoging van de kosten of moeite is een vorm van verbod.

VOOR EEN ILLUSTRATIE van Mills begrip van individualiteit hoeven we daarentegen maar te denken aan een voormalige hoofdredacteur van deze krant, Martin van Amerongen, die bedelaars een tientje in de hand placht te duwen met de woorden: ‘Koop er gerust drank voor, dat doe ik zelf ook.’ De laatste jaren van zijn leven placht Martin zijn ontbijt te doen met een sigaar, een schaaltje bitterballen en twee glazen oude jenever. Die gewoonte spotte met de hedendaagse gezondheidscatechismus en toch was hij niet ongezond. Die glazen waren het enige draaglijke medicijn tegen de ernstige rugpijnen waaraan hij leed. Niet veel later beklom hij dan fluitend de redactietrap, op weg naar de volgende borrel die hem door de middag heen hielp en door die eerste, moeilijke zin van een nieuw stuk dat ’s anderendaags kon worden toegevoegd aan de lange reeks onvergetelijke stukken die hij op zijn naam had staan.

Zonder zijn oude Franse jenever en een sigaartje betrokken van Hajenius zelve, zonder doorgehaalde nachten ten behoeve van het haastig bedrukte papier waarin morgen alweer de vis werd verpakt, zonder het rumoer van volle zalen, al dan niet geslaagde dichters, al of niet vervulde vrouwen zou Martin ongetwijfeld zijn geëindigd als een van de rancuneuze couponknippers waaraan dit land zo rijk is. Over drank en roken was zijn standpunt even eenvoudig als verstandig: je kunt eraan doodgaan, maar je voelt tenminste dat je leeft.

Hij had een bloedhekel aan de antirookmaffia onder leiding van Fons Nijpels, ‘een hufter zonder hart en verstand, wiens argumenten, gegevens, cijfers en statistieken stuk voor stuk ten diepste moeten worden gewantrouwd’. En jawel, zodra in 2001 bij Martin slokdarmkanker werd geconstateerd, doken diezelfde aasgieren op hem en eisten dat hij als ‘ervaringsdeskundige’ mee zou doen aan een antirookcampagne. Van Amerongen bedankte in stijl. ‘En trouwens’, schreef hij, ‘die ziekte van mij komt niet van het roken, die komt van de drank.’ Hij stierf na een vruchteloze maar ongetwijfeld peperdure behandeling in het ziekenhuis. Alleen een verstokte utilitarist zal willen uitrekenen of zijn joie de vivre de mensheid meer heeft opgeleverd dan gekost. John Stuart Mill wist al in 1859 dat de hele vraag bespottelijk was.