Recht voor zijn raap

Henri van Daele, Reinaart de Vos. Illustraties Peter Vos. Uitgeverij Gottmer, 124 blz., 329,90
Binnen de jeugdliteratuur is de vraag ‘Wat doen we met de klassieken?’ verwant met ‘Wat doen we met moeder met de feestdagen?’: steeds terugkerend en niet echt bevredigend op te lossen. Vanwege de herkenbaarheid kiezen uitgevers voor de serie, en wat moet/mag daar dan in? In de beroemde Oud Goud-serie bijvoorbeeld, waarvoor P. de Zeeuw halverwege deze eeuw de hele wereldliteratuur omspitte en naar zijn onderwijzershand zette, stonden Ben Hur, Pinocchio, Don Quichot, Alice, Michaël Strogoff en de Kleine Lord samen op de lijst met nog zo'n veertig andere onsterfelijken. Heftig is de discussie over bewerking, met aan het ene uiteinde de literair-historische puriteinen en aan het andere de ‘hertalers’, die een meesterwerk het liefst in modern kinderboekenjargon nog eens dunnetjes overdoen.

Verplichte titel in elke vaderlandse reeks lijkt mij Reinaart de Vos, de held over wiens schurkenstreken ‘Willem die Madoc maakte’ ruim zevenhonderd jaar geleden zo beeldend heeft gedicht. In de Vlaams-Nederlandse serie Averbode klassiekers is het verhaal onlangs dan ook verschenen. De prozabewerking is van Henri van Daele, die vooral in zijn fraai opgeschreven jeugdherinneringen grote affiniteit met de taal en cultuur van de goeddeels verdwenen Vlaamse plattelandsgemeenschap toont. Dat maakt hem in principe tot een geschikte Reinaart-verteller.
Van Daele volgt de verhaallijn met de bekende hoogtepunten: de koninklijke hofdag, Bruun de Beer klem in de boomstam op zoek naar honing, Tibeert de kater in de val tijdens de muizenjacht, Reinaart zogenaamd op pelgrimstocht, en koning Nobel die met open ogen in Reinaarts val van de lonkende goudschat bij de Kriekenput loopt.
Deze gebeurtenissen zijn aangevuld met Reynaerts historie uit de veertiende eeuw. Die biedt voornamelijk meer van hetzelfde, nieuwe koppen die rollen en andere sukkels die hun ogen sluiten voor de vosselisten. De reden voor deze uitbreiding is onduidelijk. De bewerker zelf noemt het materiaal in zijn nawoord 'ronduit vervelend’.
De vroege verhalen blijven fascinerend, ook al is de heldenrol voor een dief, een rover en een geboren leugenaar. Maar net als je daar als lezer inwendig schande van wilt gaan spreken, dringt het tot je door dat de rest van het dieren- c.q. mensenvolk even inhalig en vraatzuchtig is, maar dan in het geniep en niet zo opwindend schaamteloos als de heer van Malpertuis.
De tekst is passend recht voor zijn raap: 'godvergeten schurk’, 'ik lul mij er wel uit’ of 'Reinaart greep hem bij zijn kloten’. Dat zijn de kloten van meneer pastoor, waar Tibeert er een van afhapt. Vanwege de tere kinderziel liet De Zeeuw de kater ooit een stuk van de neus afbijten. En dan de kostersneus, want een pastoor kon natuurlijk geen vrouw Julocke hebben…
Had ik zelf een kind dat wèl aan de ruwe Reinaart maar nog niet aan de Middelnederlandse poëzie toe was, dan koos ik toch Paul Biegels bewerking (uitgeverij Holland). Die grijpt elke gelegenheid aan om de taal te laten vonken en spatten, vooral door het gebruik van veel directe rede. De ruzies, volksoproeren en flitsende tweespraken zijn niet van de lucht. Als was het straattheater of poppenkast, waarbij de lezer eerste rang zit.