De achterhaalde divan van het Pieter Baan Centrum

Rechters uit de psychiatrie

Volkert van der G. is toerekeningsvatbaar verklaard. Zoals vrijwel altijd nam de rechter het advies over van het Pieter Baan Centrum. Vanuit de wetenschap komt steeds meer kritiek op de onderzoeksmethoden van dit forensisch psychiatrisch onderzoeksinstituut.

Bij geruchtmakende rechtszaken valt altijd weer de naam van het Pieter Baan Centrum. Jaarlijks verricht het centrum zo’n 220 onderzoeken naar een verdachte van een ernstig geweldsmisdrijf. De ontvoerder en moordenaar van Gerrit Jan Heijn, Ferdi E., werd hier destijds onderzocht en recent Regilio Tuur, Lucy B. en Volkert van der G. Voordat de verdachten de gang naar de rechtszaal maakten, zijn zij vanuit het betonnen gebouw aan de rand van Utrecht zeven weken lang (Van der G. zelfs tien weken) geobserveerd en beoordeeld door een team van psychologen, psychiaters, een jurist en enkele maatschappelijk werkers. Uit elke activiteit, van een potje paalvoetbal tot een afwasbeurt, meent het team een schat aan indrukken te kunnen halen. Bij het onderzoek wordt ook het verleden en het sociale milieu van de verdachte uitgespit.

Per geval kost het onderzoek rond de dertigduizend euro. In ruil daarvoor levert het PBC een rapport van rond de vijftig bladzijden.

Het belang van het PBC-rapport in de strafrechtspraak is groot. In circa 95 procent van de gevallen neemt de rechter de conclusie van het gedragsdeskundige team van het PBC over. De kernvraag luidt: kan een verdachte zijn misdrijf redelijkerwijs worden toegerekend? Zo niet, dan volgt naast gevangenisstraf tbs (terbeschikkingstelling van de staat), wat therapeutische behandeling in een tbs-kliniek betekent. Bij het oordeel kan het onderzoeksteam van het PBC uit vijf gradaties kiezen: geheel ontoerekeningsvatbaar, sterk verminderd, verminderd, enigszins verminderd, of geheel toerekeningsvatbaar.

Over de bokser Tuur concludeerden de deskundigen van het PBC onder andere: «Uitgesproken narcistische persoonlijkheid die veel energie moet steken in het remmen van impulsen en agressie», een «zelfbewuste» en «zelfvoldane» «control freak» «bovenmatig intelligent»(!?), die last heeft van «verhoogde krenkbaarheid». Tuur behoort tot de vijftig procent van de verdachten met het predikaat «enigszins verminderd toerekeningsvatbaar».

Over Lucy B., de verpleegkundige die ernstig zieke patiënten heeft vermoord en bij drie patiënten een poging daartoe heeft gedaan, meldde het psychiatrisch rapport van het PBC onder meer «dat ze een warme maar zeer complexe persoonlijkheid is». Ze heeft «een intelligentie die hoger ligt dan die van de gemiddelde academicus», het is «moeilijk tot haar door te dringen», en ze weet mensen uit haar omgeving «subtiel te manipuleren». Ze is volgens de deskundigen van het PBC gehandicapt door «een uiterst laag zelfbeeld»; ze is «onzeker», zit vol «innerlijke woede» die ze wel «goed kan kanaliseren». Bovendien heeft ze «een enorme kracht om zich onder moeilijke omstandigheden te handhaven». Ook heeft ze «een goed ontwikkelde gewetensfunctie». Ze werd toerekeningsvatbaar geacht en kreeg levenslang.

Ook Volkert van der G. kreeg het predikaat volledig toerekeningsvatbaar. Toch zagen de onderzoekers ook reden hem in een dik rapport zowel «narcistisch» als «overmatig star» te noemen, een man die lijdt aan een «obsessieve compulsieve persoonlijkheidsstoornis», die er «koel» en «sociaal onhandig» een «boekhoudkundige moraal» op nahoudt.

Jaarlijks worden ruim vijfduizend verdachten onderzocht in Huizen van Bewaring. Slechts een klein deel komt terecht bij het PBC: plegers (ze hebben meestal hun daad al toegegeven) van ernstige, bizarre of uitzonderlijke delicten. De werkwijze van het PBC is uniek in de wereld en geniet in het buitenland zelfs een zekere reputatie. Maar uit de psychiatrische wereld klinkt forse kritiek: gehanteerde methoden deugen niet, psychologen en psychiaters moeten niet voor rechter spelen en het psycho dynamische model dat het PBC hanteert, is hopeloos verouderd.

Hoogleraar rechtspsychologie Peter van Koppen heeft grote moeite met het toekennen van toerekeningsvatbaarheid: «Voor rechters is het lastig te beoordelen of iemand een daad kan worden toegerekend, dus besteden ze het uit aan de psychiater. Maar daar zou de psychiater zich niet voor moeten lenen. Er wordt een causaal verband gelegd tussen gekte en misdrijf, en dat is vermenging van disciplines. Toerekeningsvatbaarheid is een juridische term die in de psychologie en psychiatrie helemaal niet bestaat. Je kunt alleen zeggen of iemand gestoord is of niet. Maar niet of dat op het moment van de daad ook zo was.»

Kritisch is ook klinisch psycholoog Ed Brand. In het dagelijks leven is hij werkzaam in een tbs-kliniek, maar twee jaar geleden promoveerde hij op een studie naar het persoonlijkheidsonderzoek in het strafrecht. Het PBC ontbeert volgens hem ieder theoretisch fundament. Brand: «De denkfout die het PBC maakt is dat ze de hele persoon onderzoeken. Omdat ze niet weten waar ze willen en moeten zoeken bij afwezigheid van een theorie, vergaren ze een ongerichte brij aan gegevens over iemands leven. In die bijkans onleesbare rapporten van ze — zie er maar eens aan te komen — wordt nergens verteld waarom er naar wat is gevraagd. Psychiater Pieter Baan ging er in 1949 bij de oprichting van het centrum van uit — en dat was toen een reële hypothese — dat als je maar heel veel informatie over verdachten verzamelt, er vanzelf wel een theorie zou opdoemen. Daarmee zou dan begrepen kunnen worden waarom iemand de ander de hersens inslaat, verkracht, of anderszins iets gruwelijks aandoet. Inmiddels zijn we achtduizend rapportages verder, maar nog steeds is er niets dat lijkt op een theorie waarmee ‹toerekeningsvatbaarheid› kan worden bepaald. Dan moet je je toch afvragen of je wel op de goede weg bent.»

De emeritus hoogleraar rechtspsychologie Hans Crombag is nog strenger: «Het zijn charlatans.» Crombag is een verklaard scepticus wat betreft de deskundigheid van de PBC-onderzoekers. De inzichten uit het inmiddels tien jaar oude boek Dubieuze zaken gelden volgens hem nog onverkort. «Bepalen wat dat potje volleybal of paalvoetbal nu met de drijfveren van de dader te maken hebben, is natuurlijk koffiedik kijken. Onderzoek laat ook zien dat klinische voorspellingen meestal niet beter zijn en vaak zelfs slechter dan statistische voorspellingen. Er is sinds Goldberg waarschijnlijk niet veel veranderd. Die constateerde dat bij een test voor het vaststellen van hersenbeschadiging, secretaressen net even iets vaker goed diagnosticeerden dan psychologen. Bij het raden van recidive doen forensisch psychiaters het nog slechter: In Amerika blijken van elke drie voorspellingen er twee fout te zijn.

Het is ridicuul. Rechters slikken de rapporten van het PBC als het door God gegeven woord. Het wordt tijd dat zij, en de hele samenleving, wakker worden geschud. Dat men zelf ziet dat ieder gesprek in het PBC een ‹onderzoek› heet. En dat de onderzoekers voor de rechter nooit hoeven aan te tonen dat ze op hun vakgebied gevalideerde en geaccepteerde onderzoeksmethoden toepassen. Als die al bestaan.»

Brand: «De wetenschappelijke status van de onderzoekingen en methoden van het PBC zijn inderdaad uiterst gering, vooral omdat daar nog altijd het psychodynamisch model wordt gehanteerd (dat wil zeggen er nog altijd freudiaanse inzichten over de menselijke psyche worden gehuldigd — mf/pvo). In de reguliere psychologie is dat model allang verlaten, wat niet wil zeggen dat de inzichten eruit volstrekt onzinnig zijn. Maar het is stuitend hoe groot het contrast is tussen de waarde die PBC-onderzoekers eraan hechten — en dus de rechter — en de waardering die het krijgt vanuit de wetenschap.»

Brand stelde zelf een theorie op over toerekeningsvatbaarheid, die is gebaseerd op het inmiddels veel gangbaardere cognitieve model. Hij benadrukt dat er een onnodige inbreuk op de privacy wordt gepleegd met het onderzoek naar de hele persoon van de verdachte: «Die jeugdtrauma’s en dergelijke zijn mooi op papier, maar er valt niet mee te werken. Bij toerekeningsvatbaarheid gaat het om morele oordelen. De vraag die van belang is in mijn theorie luidt: hoeveel abstractie kan een mens aanbrengen in zijn zelfreflectie, in hoeverre begrijpt een mens zichzelf en kan hij inzicht verkrijgen in zijn eigen gevoelsleven? Hoe beter hij daartoe in staat is, hoe minder hij wordt geregeerd door aandoeningen, door aandriften et cetera. Bij Volkert van der G. had je in een halve dag klaar kunnen zijn. Het PBC schudt aan een boom en kijkt naar alles wat eruit valt. Maar je moet natuurlijk zo schudden dat er precies uitvalt wat je nodig hebt voor je oordeel over toerekeningsvatbaarheid. Ik heb hier een paar rapporten liggen, en in een geval gaat het om een vrouw die haar moeder heeft vermoord. Een onderzoeker van het PBC gaat vervolgens naar de lagere school van die mevrouw om te informeren hoe ze daar was. Me dunkt zeg; in een heel klein dorp vragen hoe de moordenares vroeger was… dan weet ik al wat voor antwoorden je krijgt. En wat zegt dat over haar toerekeningsvatbaarheid?»

Anne Ruth Mackor, als universitair hoofddocent rechtsfilosofie verbonden aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid in Groningen, verklaart de belangrijke positie van een instituut als het PBC in Nederland: «In ons land zijn we traditiegetrouw geesteswetenschappelijk georiënteerd; er bestaat een grote aversie tegen biologisch en statistisch onderzoek. Dat heeft te maken met de sterke maakbaarheidscultuur, maar het gaat ook verder terug: naar de geesteswetenschappen die sterk zijn gericht op begrijpen in plaats van verklaren. Als ik de rapporten van het PBC lees, dan verbaas ik me over de onnavolgbare formuleringen over de observanten. De hele doopceel is gelicht, zonder de vraag te stellen: wat moet ik hiermee? Daarbij komt dat je als psychiater alleen kunt vaststellen of iemand een stoornis heeft, of iemand behandelbaar is en wat het recidiverisico is. Ik heb er problemen mee als een psychiater met zijn toerekeningsvatbaarheidsoordeel op de stoel van de rechter gaat zitten.»

Het is ook nog altijd de vraag — de geesteswetenschap heeft op dat punt nauwelijks vooruitgang geboekt en de beantwoording ervan verschilt per psychiater — of er een causale relatie tussen stoornis en delict bestaat. Bij Lucy B. en Volkert van der G. bepaalde het PBC dat er geen verband bestond. De uiteindelijke conclusie luidde dat er sprake was van persoonlijkheidsstoornissen, maar toch ook van volledige toerekeningsvatbaarheid. Bij Regilio Tuur werd geconcludeerd dat dit verband — tussen stoornis en misdaad — er wel was. Het geweld dat hij gebruikte tegen zijn vriendin werd hem daarom niet volledig toegerekend.

Crombag: «Er bestaat überhaupt veel minder overeenstemming in de psychiatrie en psychologie dan rechters en leken vermoeden. Zo zijn psychologen en psychiaters er wereldwijd nog niet over uit wat schizofrenie nu precies is, wat doorgaat voor een van de belangrijkste psychiatrische syndromen. Tot voor kort waren psychiaters zelfs nog in een heftig dispuut verwikkeld over de vraag of homoseksualiteit nu een psychiatrische afwijking is of niet. Toch geven de meeste getuige-deskundigen, wellicht om hun eigen beroep op de kalender te houden, in de rechtbank bijna elk gedrag een psychopathologische verklaring.»

Waar de meeste critici het over eens zijn: het mes zetten in forensische klinieken stuit op grote weerstand, omdat «er nu eenmaal belangen bij gemoeid zijn». Brand: «Het PBC weigerde met mij in debat te gaan. Pertinent. Als het niet tot veranderingen of zelfkritiek in staat is, kan dit er uiteindelijk toe leiden dat het kind met het badwater wordt weggespoeld. Rechters zullen er genoeg van krijgen. Bij justitie zal een houding ontstaan waarin helemaal niet meer wordt gekeken naar psychische factoren die meespelen in het begaan van een misdaad. Doodzonde, want iedereen ziet, hoe onvolkomen ook, dat dit een enorme vooruitgang is in de geschiedenis van de mensheid. In de Middeleeuwen stonden ook honden en varkens terecht. Het heeft even geduurd eer we bedachten dat degene die verantwoordelijk wordt gehouden voor een misdrijf, zelf ook moet kunnen snappen wat hij misdeed. Toch lijken ze op een ander punt weer heel flexibel.»

Brand vermoedt dat het PBC Lucy B. en Volkert van der G. geheel toerekeningsvatbaar hebben verklaard ten dele omdat ze begrijpen dat de maatschappij daar om vraagt. «Zo’n vermoeden kun je natuurlijk niet hardmaken, maar zo zonder theorie ben je natuurlijk heel flexibel in je adviezen aan de rechter.»

Aanhangers van het huidige model hebben wel degelijk oren naar «een goed debat over de verschillen van inzicht», aldus Van Marle, oud-directeur van de Mesdagkliniek in Groningen en hoogleraar forensische psychiatrie. Laconiek laat hij de kritiek over zich heenkomen. Het vergt volgens hem een langdurige wetenschapstheoretische discussie. Van Marle: «Er is een onderscheid tussen het oordeel van de rechter — het toerekenen — en dat van de psycholoog — de toerekeningsvatbaarheid. Je kunt er inderdaad over twisten of je dat verschil wilt. In Duitsland doen ze dat bijvoorbeeld niet; bij ons bestaat er sinds 1928 tbs. Dat is voor mensen met persoonlijkheidsstoornissen een middenweg tussen zwaarbewaakte psychiatrische klinieken en gevangenissen. We hebben een lange traditie in een samenwerking tussen psychiatrie en juristen. Zo’n dertig jaar geleden zijn daar de klinisch psychologen bijgekomen. Zij bekijken mensen op basis van waarneembaar gedrag en groepsmatig; wij daarentegen kijken naar een individueel ziek geval. Wij rapporteren over een individueel geval, en kijken nooit empirisch naar de groep als geheel. Wij leveren maatwerk, net zoals de rechter dat op zijn manier doet: hij bekijkt één enkel geval. Hij interpreteert en geeft een oordeel dat zal zitten tussen de minimale en maximale straf die er voor dat delict geldt.

De eerste vraag aan ons luidt: is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling, dan wel een zieke stoornis? Het volgende is: met welke maatstaf kijken we ernaar? Op dit punt vliegen we binnen de wetenschap elkaar in de haren: benader je een casus groepsmatig of individueel, zoals naar de specifieke omstandigheden en geestestoestand? De kritiek is misschien wel terecht dat het PBC geen concurrentie heeft. Maar dat er geen theorie is, is onzin. Het psychoanalytische denken blijft een belangrijke theorie omtrent vragen als: hoe zit het met het geweten, met frustraties, met het driftleven? Hoe zit iemand in zijn vel? Je moet bij geruchtmakende delicten het onderste uit de kan willen halen. Het gaat om die ene daad voor die ene rechtszitting. Stel dat er een stoornis is, dan is het de vraag of er een verband is met het ten laste gelegde, en in welke mate. Daar is veel kritiek op.

Maar zoals een dokter kan zeggen dat als iemand zijn been breekt hij niet kan lopen, zo kun je stellen dat iemand met een persoonlijkheidsstoornis niet gewoon kan voelen. Er is sprake van disharmonie in denken, voelen en handelen. Iemand handelt te impulsief of juist kil, afstandelijk en manipulerend. Veel van dit soort symptomen kunnen meespelen in een delict. En wat betreft de risicotaxatie van recidive: in de afgelopen tien, vijftien jaar is er op dit gebied veel in ontwikkeling. In Canada zijn lijsten ontwikkeld met risicoschalen, gedifferentieerd naar het type delict. Het zijn heus geen Tien Geboden, maar ze zijn wel goed bruikbaar. Het kan bij het advies aan de rechter helpen hoe ver iemand bij een behandeling opschiet, of niet.

Tbs zie ik als behandelingsmiddel om te bepalen of een mens met een psychische stoornis levenslang moet blijven zitten omdat hij gevaarlijk is. En inderdaad, een kleine subgroep leert door een tbs-behandeling beter en geraffineerder delicten te plegen. Maar daarop mag je nooit de kritiek als geheel baseren. Dat is niet wetenschappelijk.»