Wie zijn de échte idealisten?

Rechts heeft de moraal gekaapt van links

In de afgelopen decennia heeft links de idealen van de Verlichting van de hand gedaan en daarmee de wapens in handen gegeven van rechts. Conservatieven lijken tegenwoordig de idealisten. Misschien kan de verkiezing van Barack Obama, en zijn taal van hoop, iets wezenlijks veranderen.

IN 2004 BESLOOT IK EEN BOEK TE SCHRIJVEN met de titel Moral Clarity (Morele helderheid), en dat deed ik uit boosheid: want er werd beweerd dat veel kiezers besloten Bush een tweede termijn te gunnen omdat hij, anders dan John Kerry, morele helderheid vertegenwoordigde. Ik moest antwoord geven op de vraag: hoe kon een regering die door te liegen een misdadige oorlog was begonnen, marteling weer had ingevoerd en overal de schouders over ophaalde, worden gezien als iets wat morele helderheid vertegenwoordigde?
Zowel in Europa als in de VS beschouwen de meeste mensen die bereid zijn in universele morele termen te spreken zichzelf als conservatief. Die termen zijn vaak simpelweg waardeloos - retoriek die immorele daden zoals die van de regering-Bush verhult. Maar als we het appèl van rechts op waarden afdoen als vals, vergeten we wat het te bieden heeft. Hoe sjofel de volgelingen zich ook gedragen in hun privé-bestaan, ze bieden wel een publieke opvatting van goedheid waarvan progressieven niet meer weten hoe ze die moeten verdedigen. Rechtse praatjes over morele helderheid en eer en heldendom zijn vaak leeg, maar dat is niet hetzelfde als betekenisloos. Lege concepten zijn nog steeds concepten, op zoek naar een toepassing. Veel progressieven daarentegen hebben de concepten zelf hol gemaakt. Conservatieven missen ook iets wat misschien wel belangrijker is dan wat ze hebben: schaamtegevoel. Misschien misbruiken ze woorden als kwaad en held, maar ze schamen zich er niet voor om ze in de mond te nemen. Links, wars van simplificatie, en zelfs nog banger voor kitsch, verwerpt vaak niet alleen woorden als waar en nobel, maar zelfs woorden als gerechtvaardigd en vooruitgang, die als vervanging bedoeld waren. Als die woorden al worden gebruikt, worden ze omgeven door aanhalingstekens, die het ongemak van de spreker uitdrukken in het ultieme postmoderne gebaar: de vingers die wiegelend een dansje doen naast de oren.
De conservatieven namen het over, door de taal van de universele ideeën over te nemen. De timing was behoorlijk verdacht. Maakten christen-democraten in Europa zich werkelijk zorgen over de idealen van de Franse Revolutie voordat Turkije klaar leek om zich aan te sluiten bij de Europese Unie? Opeens ontdekken ze het feminisme, en vrouwenrechten, net op tijd om moslims buiten de EU te houden? Op dezelfde manier werd de taal van de Verlichting gesproken in Amerika toen duidelijk werd dat achter de Irak-oorlog niet idealen zaten, maar een onwelriekende kluwen van belangen: regionale overheersing, olie, en het afleiden van de aandacht van wat zich ontpopte als het slechtste presidentschap in de Amerikaanse geschiedenis.
Zoals de Britse schrijver Dan Hind heeft gezegd hielpen de terroristische aanslagen op New York en Washington de geschiedenis van het voorafgaande decennium versluieren: na de spectaculaire aanslagen konden de verdedigers van de gevestigde orde zichzelf opnieuw beschouwen als verlicht. Als we de suggestie van Hind serieus nemen houdt dat niet in dat we de recente conservatieve omarming van de Verlichting moeten beschouwen als een weloverwogen truc. Zelfbedrog is altijd een optie; veel conservatieve beleidsmakers hebben ongetwijfeld op een oprechte manier Verlichtingsretoriek gebruikt. Maar in politiek doen subjectieve standpunten er niet echt toe; welke idealen de neocons ook bedoelden na te streven, hun inspanningen vertrapten het meeste van wat de Verlichting wist te bereiken. De overtuiging dat je de wereld redt door democratie te brengen is misschien volmaakt oprecht, maar als je marteling legaliseert, het recht op habeas corpus opschort, het toezicht op je burgers intensiveert, en het machtsevenwicht tussen staten ondermijnt, heb je de wereld herschapen die Diderot en Voltaire wilden vernietigen.
Die retoriek werkte opmerkelijk goed in Amerika, dat altijd het land was van het ideaal - een plek waar mensen naartoe gingen met een reden, en niet een stuk grond waar hordes rondzwervende mensen toevallig terechtkwamen. Amerikaans zijn betekende deel zijn van een idee, niet deel zijn van een stam. Europeanen hebben zichzelf misschien voorgehouden dat ze goedwillend een zware last droegen, maar hun rijken waren gebouwd op principiële overtuigingen over hun eigen biologische superioriteit. Het idee waarop Amerika is gegrondvest, van een natie die bij elkaar wordt gehouden door gedeelde principes en niet door gedeelde afkomst, had invloed tot ver over de landsgrenzen en was cruciaal om het racisme in internationale kwesties terug te dringen.

VAN EEN AFSTAND GEZIEN ZIJN VRIJHEID, gelijkheid en broederschap dingen die Amerikanen van nature bezitten, en niet hoeven worden gekocht met het bloedvergieten dat gepaard ging met Europese pogingen hetzelfde na te streven. Amerikanen waren noch een uitverkoren volk noch een volk dat toevallig bij elkaar was gebracht; Amerikaan zijn was op zichzelf een keuze. Dat alles was wat het een nieuwe wereld maakte. Ons idealisme is vaak onderwerp van spot geweest, maar net zo vaak onderwerp van bewondering. Dus kon de filosoof Bernard-Henri Lévy onlangs het Franse anti-Amerikanisme omschrijven als de vrucht van een narcistische wond, geboren uit ressentiment over het feit dat de Nieuwe Wereld zo vele van de dromen vervulde van de oude. Het is een wereld waarin hiërarchieën in het beste geval natuurlijke hiërarchieën van intelligentie en energie zijn - het enige wat je nodig hebt om de werkelijkheid waarin je bent geboren te veranderen. Het is een wereld die niet werd gegeven, maar gemaakt. Zelfs als ze het doen met meer dan een vleugje scepsis, dan nog kijken miljoenen mensen naar de Verenigde Staten als de plek waar vrijheid, gelijkheid en mogelijk zelfs broederschap kwesties zijn van instinct, en niet van instituties.
Het is veelzeggend dat hedendaagse Europese instituties veel meer de ambities van de Verlichting weerspiegelen dan Amerikaanse. Europeanen leven in de meest kantiaanse structuren die de wereld tot nu toe heeft ontwikkeld. De meest conservatieve Europese regering zal niet de sociaal-democratische kaders verwoesten die de kloof tussen rijk en arm binnen bepaalde grenzen houden, en die huisvesting, zorg en onderwijs niet als gunsten beschouwen maar als rechten. Dit is niet alleen een kwestie van het beschermen van gelijkheid, maar van de democratie zelf. Door cultuur te sponsoren, en de tijd om ervan te genieten, steunen Europese regeringen niet alleen rust en genot - waardevol genoeg om te steunen - maar het fundament van actief burgerschap. Aan de andere kant van de Oceaan doet de puinhoop van ondervoeding en dakloosheid, van kinderen met wapens en zonder gezondheidszorg, van stijgende aantallen gevangenen en dalende levensstandaards grote delen van de VS eerder lijken op de natuurstaat van Hobbes dan op iets wat de Verlichting nastreefde.
Kant, en velen na hem, waren ervan overtuigd dat democratische machten geen oorlog beginnen. Zelfs als de verbanden tussen binnenlandse en internationale politiek minder direct zijn dan hij hoopte, dan nog hebben ze een enorme invloed op elkaar. Als je leeft onder oorlogachtige omstandigheden ga je vanzelf denken dat die normaal zijn.
Amerikaans huiselijk geweld effent de weg voor Amerikaans geweld in het buitenland, waardoor beide lijken op onfortuinlijke maar onvermijdelijke stukken van een wereld waar de principes van Hobbes de scepter zwaaien. Toch, gezien vanuit de wereld van hobbesiaanse contracten en machiavellistische onderhandelingen, was de Amerikaanse Revolutie niets minder dan een wonder. ‘Wij houden deze waarheid voor vanzelfsprekend, dat alle mensen gelijk geschapen zijn’ was, filosofisch gezien, een verbazingwekkende beweging. In de achttiende eeuw was het idee dat zelfs maar alle blanke mensen gelijk waren geschapen allesbehalve normaal; het grootste deel van de wereld vond het klinkklaar onjuist. In 1776 had een groep kolonialen de moed om het idee vanzelfsprekend te verklaren - waardoor het werkelijkheid kon gaan worden.
SINDS DE TWEEDE WERELDOORLOG zijn de institutionele werkelijkheden van de twee continenten ver uit elkaar gegroeid. Opmerkelijk genoeg blijven de ideeën achter beide vrij stabiel. Amerikanen geloven nog steeds in de meeste dromen van de Verlichting en in hun eigen mogelijkheden om die te realiseren; Europeanen geloven in de sombere calculaties van Realpolitik. Misschien lijken Amerikanen graag een hobbesiaanse jungle te willen creëren, ze beschouwen zichzelf als mensen die idealen dienen van rechtvaardigheid en rechten. Europeanen mogen dan een kantiaanse tuin hebben geconstrueerd, ze scheppen er een eer in om wat ze hebben bereikt te verkwanselen.
Ongetwijfeld weigeren sommige Europeanen hun wereld te beschrijven in idealistische termen op zoek naar zelfkritiek. Ze weten dat hun commitment aan sociale rechtvaardigheid in eigen land maar gedeeltelijk vervuld blijft, en in het buitenland nauwelijks. Er is slechts een goedkope vakantie in India voor nodig om te zien dat het Europese paradijs afhankelijk is van internationale kwellingen.
Het is waar dat veel Amerikaanse uitdrukkingen van idealisme zelfbedrog zijn, en veel Europese zelfkleinering is een kwestie van eerlijkheid. Maar iets anders kan meer verhelderen: in Europa zijn democratische instituties veel verder dan de instincten; in Amerika is het precies omgekeerd. Amerikanen zijn democraten in hun bloed, terwijl Europeanen een liedje zingen dat ze hebben ingestudeerd. Amerikanen leven onder omstandigheden die Europeanen bijna feodaal zullen vinden, maar ze doen het met een houding die Europeanen beschaamd kan maken. Een werkelijk progressieve visie zou het beste van beide combineren, door de Europese instituties te omarmen die de infrastructuur leveren voor democratie en gelijkwaardigheid, en tegelijkertijd de Amerikaanse burgercultuur te ontsteken die ze levend houdt.
Zelfs na acht jaar lang te hebben gezien hoe Amerikaanse dromen verbrokkelden, riepen Europese kranten om hun terugkeer. In 2008 wilde het Duitse Die Zeit dat Obama 'de wereld zou leiden’, omdat 'de nieuwe machten in Azië meer macht dan ideeën hebben. De wereld heeft Amerika nodig.’ In Engeland stelde The Times dat hoe de wereld Amerika ziet van belang is, omdat Amerika een idee van nobelheid vertegenwoordigt dat nog steeds niet geheel hol is.
Dit kan de vreemde consensus helpen verklaren die zich aandiende tijdens de tweede termijn van de regering-Bush. Voor de meeste Europese én Amerikaanse commentatoren was een overdaad aan idealisme de bron van wat er misging. In andere delen van de wereld riep de stelling dat de invasie werd gedreven door idealisme vooral gefrons en gelach op; maar binnen de transatlantische alliantie werden de hobbesiaanse tonen die de vroege Bush-jaren domineerden goedmoedig vergeten. In hun plaats kwam het latere appèl op universele waarden die niet alleen de motor achter de oorlog in Irak zouden zijn, maar achter conservatieve buitenlandpolitiek in het algemeen. Het niet willen bestraffen van het gebruik van militaire middelen kwam bekend te staan als realisme, terwijl de bereidheid om oorlog te voeren plotseling idealistisch was. Zelfs die publieke intellectuelen die de Irak-oorlog zelf niet hadden gesteund haastten zich om haar een schijn van nobiliteit te geven door in elk geval de intenties te verdedigen die er volgens hen achter zaten.
Vóór 2004 werd het Amerikaanse buitenlandbeleid verdedigd met hobbesiaanse retoriek; als het machtigste land van de wereld verklaarde dat iets zelfverdediging was, was dat voldoende rechtvaardiging om wat dan ook te doen. Na 2004 kwamen voor die vorm van lef uitspraken in de plaats over het herscheppen van de wereld volgens universele idealen. De meeste conservatieve politici slalommen net zo gemakkelijk tussen die twee standpunten als hun intellectuele keurtroepen. Maar noch oprechtheid noch consequentheid doet er hier veel toe. Conservatieven hebben twee gescheiden metafysica’s - een waarin de enige realiteit de materiële realiteit is, en een andere waarin ideeën bergen kunnen verzetten, of wat er dan ook in de weg staat. Het is een dubbele strategie die het mogelijk maakt om zowel stijfkoppige intellectuele suprematie als morele superioriteit te claimen. Progressieven staan in vergelijking daarmee met lege handen. Vastzittend tussen traditionele conservatieve appèls op de harde werkelijkheid en het valse idealisme van regeringen die bereid zijn de empirische wereld te negeren, hebben wij überhaupt geen metafysica te bieden.
De oorlog in Irak verergerde slechts een situatie die is gegroeid onder progressieven, internationaal, sinds eind jaren zestig. Om effectief te zijn besloot links utopische visioenen achter zich te laten, en vaak politieke theorie in het algemeen, voor wat leek op de stevige basis van op belangen gebaseerde politiek. Dat was een fatale vergissing, want het betekende het overboord gooien van het morele kompas dat de beste inspanningen van de sixties had gestuurd - de burgerrechtenbeweging, het verzet tegen de oorlog in Vietnam, de eis van gelijkwaardigheid van de vrouw. Terwijl veel linkse activisten in de ban waren van identity politics waren veel linkse academici verwikkeld in discussies over postkoloniale concepten. De argumenten dat niet alleen recht en rechtvaardigheid, maar ook het zelf en de wereld worden geconstrueerd door belangen en macht waren te duister om veel mensen buiten de academische wereld te interesseren, maar degenen erbinnen kregen er geen genoeg van.
Ondertussen bouwde rechts denktanks en las veel filosofie, terwijl links een conceptuele ineenstorting te wachten stond. Het einde van de Koude Oorlog liet zien hoezeer de dromen van het socialisme waren veranderd in nachtmerries. De crisis die al groeide in de jaren zeventig omdat nieuw links geen betere revolutie wist te produceren dan het oude links bereikte een kritiek punt met de onthullingen over hoe verschrikkelijk de oude werkelijkheid geweest was. Het einde van de Sovjet-Unie legde een imperium bloot dat de meest overtuigde progressief moest doen instemmen met Ronald Reagan. Wat anders kon de willekeurige, koelbloedige moord op miljoenen mannen en vrouwen zijn dan het zuivere kwaad?
Willekeurige opsluiting in de gevangenis, hongersnood en moord waren niet nieuw, hoewel de schaal waarop het in de twintigste eeuw gebeurde dat wél was. Afgrijselijk aan sovjet-misdaden was dat ze werden begaan uit naam van principes die de meeste mensen dierbaar zijn. Het is makkelijk genoeg dit te weerleggen: theoretisch gesproken ondermijnden de goelags van Stalin de legitimiteit van socialistische idealen niet méér dan de Inquisitie christelijke idealen ondermijnde. Maar toen alles was gezegd en gedaan, resteerde aan het einde van de eeuw niet zozeer een verwerping van bepaalde principes als wel van het idee van handelen uit principes. Stalinistische terreur ruimde haar dapperste burgers uit de weg; wat overleefde in het Oosten was een fletse, bittere cultuur vol cynisme en afgunst. Als dat het resultaat was van strijd voor de idealen van vrijheid en rechtvaardigheid, zou de wereld dan niet beter af zijn als we niets deden?
Zelfs voor 1989 had een wantrouwen jegens moraliteit een groot deel van links gekenmerkt. Dat was natuurlijk niet zonder reden: naoorlogse verbrokkeling van koloniale rijken legde de manieren bloot waarop simpele hebzucht, aangelengd met racisme, ten grondslag lag aan veel universalistische retoriek. Maar veel mensen gingen verder dan het aan het licht brengen van hypocrisie en omarmden het idee dat morele concepten op hun best zelfmisleiding zijn, en op hun slechtst hypocriete hype bedoeld om mensen aan de macht te houden.

IN PLAATS VAN ARGUMENTEN KRIJG JE WAARSCHIJNLIJK geschiedenis: zoveel claims op universele deugden bleken rechtvaardigingen voor geweld en onrechtvaardigheid te zijn dat elke claim van dat soort besmet moet zijn. Je kunt beter een kleine lokale misstand oplossen dan jezelf verliezen in valse hoop en hypes over universele waarden. Of misschien hoor je iets verbeteners: als zoveel claims op rechtvaardigheid waardeloos bleken, waarom dan sowieso nog een beroep doen op rechtvaardigheid? De taal van de macht is lelijk, maar ze is eerlijk - misschien de laatst overgebleven deugd in een wereld doordrenkt van leugens.
In West-Europa werd de taal der waarden het vaakst gebruikt door dezelfde kerk die had gefaald toen ze werd geconfronteerd met het fascisme. In Oost-Europa daarentegen leek elke verwijzing naar noties van algemeen welzijn, of heldhaftige zelfopoffering, onvermijdelijk gedevalueerd door communistische toe-eigening. Zoals de verbannen sovjet-schrijver Sergei Dovlatov opmerkte, misten dissidenten een origineel vocabulaire; alle nobele woorden waren al gebruikt door de communisten. Zodoende werd zelfs het project van emancipatie, zo lang het doel van idealistische inspanningen, zij het verschillend begrepen door rechts en links, uitgeroepen tot 'altijd gesitueerd voorbij goed en kwaad (…) Moraliteit is een residu van de oude wereld’, concludeerde de Franse filosoof Alain Badiou.
De overtuiging dat rechtvaardigheid alleen plaatselijk kan zijn, werd uitgedrukt in de aanval op universalisme die het linkse denken vanaf begin jaren zeventig kenmerkte. De gemeenschappelijkheid van doel die de burgerrechtenbeweging een Amerikaans baken maakte, ging verloren in een strijd om de belangen van elke groep: in plaats van liederen te zingen als All Men Are Slaves Till Their Brothers Are Free, geschreven ter herdenking van de vermoorde burgerrechtenleider Medgar Evers, dacht men dat de enige eerlijke strijd de strijd was voor de rechten van de eigen stam. De burgerrechtenbeweging begon als een roep om verwerkelijking van Verlichtings-principes: alle mensen hebben gelijke rechten op rechtvaardigheid wanneer alle mensen gelijk geschapen zijn. De vrouwenbeweging begon door het uitbreiden van hetzelfde argument, en te stellen dat vrouwen waren uitgesloten van de universele rechten die waren uitgeroepen door mannen. Beide bewegingen zijn deel van een strijd om mensenrechten, in dienst van idealen die eeuwen eerder waren geproclameerd, maar onvolmaakt gerealiseerd. Maar wanneer de eis van rechtvaardigheid weinig méér wordt dan een strijd om te garanderen dat mijn stam niet minder krijgt dan de jouwe, dan hebben we het niet langer over rechtvaardigheid, maar over de pre-socratische idee dat rechtvaardigheid niet meer betekent dan je vrienden helpen en je vijanden pijn doen.

ER IS MEER DAN ÉÉN REDEN WAAROM LINKS niet de hedendaagse harten heeft kunnen winnen. Want we zijn verscheurd. We willen een wereldvisie die niet met de ogen knippert wanneer ze wordt geconfronteerd met de realiteit, die niet weg wil toveren wat ze niet wil zien. Dat is niet alleen maar pragmatiek maar ook trots: volwassen mannen en vrouwen kijken de wereld recht in de ogen. Tegelijkertijd willen we een visie waardoor we ons niet slechts overgeven aan de realiteit die ons vormt, maar ook een rol kunnen spelen in het vormen ervan.
We hebben morele behoeften, behoeften zo sterk dat ze onze instincten tot zelfbescherming kunnen opheffen, zoals elke held zal laten zien. Daaronder zijn de behoefte om eerbied te bewijzen en de behoefte om woede uit te drukken, de behoefte om eufemismen en jargon te verwerpen en de dingen bij hun juiste naam te noemen. Daaronder is de behoefte onze eigen levens te zien als verhalen met betekenis, want als we die niet hebben, beschouwen we ons leven als waardeloos. Het fundamenteelst en verrassendst is dat we de wereld moeten zien in morele termen. Deze behoeften zijn geworteld in een structuur van rationaliteit. Ze worden misschien gestimuleerd door religie, of emotie, maar dat is niet wat ze in leven houdt. Ze zijn gefundeerd in het principe van voldoende reden dat we als kompas gebruiken. Moreel onderzoek en politiek activisme beginnen waar redenen afwezig zijn. Wanneer rechtschapen mensen lijden en slechte mensen gedijen, gaan we ons afvragen waarom. De eis van morele helderheid klinkt luid en duidelijk, omdat het iets is waar we terecht naar op zoek zijn. De mensen die het niet kunnen vinden zullen in plaats daarvan waarschijnlijk genoegen nemen met de veel gevaarlijker eenvoud, of zuiverheid.
De westerse seculiere cultuur heeft geen duidelijke plaats voor morele taal, en het gebruik ervan maakt veel mensen diep ongemakkelijk. Maar Barack Obama’s talent om morele behoeften aan te spreken was de sleutel tot zijn onwaarschijnlijke overwinning in 2008.
Twee eeuwen geleden zocht Immanuel Kant naar tekenen van vooruitgang in de menselijke geschiedenis. Hij zag zoveel redenen om vooruitgang te betwijfelen dat hij genoegen wilde nemen met weinig: de hoop die mensen voelden, in de hele wereld, toen ze vernamen over de Franse Revolutie, was aanwijzing genoeg dat de mensheid kon worden geraakt door een visioen van een betere wereld - en dus de kans had om in die richting voort te gaan. Hij schreef in 1794, toen de Franse Revolutie al duidelijk tekenen van moreel verval vertoonde. Maar de collectieve hoop en vreugde van het begin waren genoeg om Kants vertrouwen in de toekomst van de mensheid te bestendigen. De 'Yes, We Can’-T-shirts in het Koreaans en het Hindi en het Russisch wijzen erop dat Obama’s verkiezing weer zo'n moment was dat betekenis zal hebben ongeacht wat er vervolgens ook gebeurt.
Obama’s verkiezing was een empirisch bewijs dat idealisme wonderen kan verrichten, want niemand had reden om te verwachten, twaalf maanden eerder, dat deze kandidaat zou winnen. De mensen die hem steunden waren niet aan het berekenen dat de gemiddelde donatie van 93 dollar in 2008 hun een belastingvermindering in 2009 zou brengen. Identity politics brachten misschien de Afro-Amerikanen ertoe om betraande dankgebeden te roepen omdat ze deze dag nog mochten meemaken - maar waarom huilden zo veel blanke mensen? We huilden omdat de idealen die ons werden onderwezen toen we kinderen waren, en die we later als hol waren gaan zien, opeens waren gerealiseerd. Het was groter dan het aan de kant zetten van de Bush-bende, of een zwarte man kiezen voor het hoogste ambt van de wereld - hoe mooi die dingen ook zijn. Het ging over deugden als intelligentie en integriteit, hard werken en fatsoenlijkheid die echt deden wat ze horen te doen: triomferen over hun tegengestelden.
De standpunten van Obama, zo wordt vaak opgemerkt, zijn niet traditioneel links. Maar dit is niet een kwestie van pragmatisme, een erkenning dat het compromis een noodzakelijk onderdeel van politiek onderhandelen is, maar een oprecht geloof dat we meer gemeenschappelijk hebben dan we denken. Filosofisch gesproken betekent dit het opgeven van de notie van klassenstrijd die centraal stond bij Marx en teruggaan naar de notie van gemeenschappelijkheid die centraal stond bij Rousseau. In plaats van rijke mensen aan te vallen als kwaadwillend en uitbuitend schreef Rousseau met diepgang en gevoel over de manieren waarop extremen van ongelijkheid ons allemaal ellendig maken: de rijke man die wordt gedwongen zich te barricaderen omdat hij anders wordt beroofd van zijn eigendom of zijn leven, net zo goed als de arme man die wordt gedwongen zich te vernederen in de strijd om basisbehoeften. Geen van beiden leeft met de waardigheid die hij verdient. Een geherstructureerde maatschappij zou de uitdrukking kunnen zijn van wat Rousseau de algemene wil noemde - zolang die niet werd voortgebracht door fiattering, maar door het goed organiseren van grassroots, gewone mensen. Obama’s eigen metafysische engagement kwam aan het licht, onder meer, in zijn kritiek op de invloedrijke community organizer Saul Alinsky. 'Alinsky was te gematigd over hoezeer de hoop en dromen van mensen en hun idealen en waarden even belangrijk waren als de eigenbelangen van mensen’, zei Obama tegen een journalist. 'In feite zijn woorden en ideeën behoorlijk machtig. “Wij houden deze waarheid voor vanzelfsprekend, dat alle mensen gelijk zijn geschapen.” Niet meer dan woorden. “I have a dream.” Slechts woorden. Maar ze helpen dingen in beweging te brengen. En volgens mij was het deels dat inzicht dat mij er waarschijnlijk toe bracht om iets dergelijks te proberen op verschillende gebieden.’
Dat is een hele stap verwijderd van zowel Hobbes als Foucault. Rechts neigde vaak naar de een, en links naar de ander, maar hun metafysische bases verschillen niet zo veel. Zulke argumenten zijn allemaal gebaseerd op het idee dat als religie ons niet vertelt om moreel te zijn, iets anders dat moet doen; eigenbelang en orde lijken het soort verstokte uitgangspunten waar onsentimentele zielen een beroep op kunnen doen. En het staat vast dat veel - wellicht het meeste - moreel gedrag in het voordeel is van onszelf en onze gemeenschap. Eerlijkheid is vaak de beste politiek, goedheid wordt vaak beantwoord; zelfs het in acht nemen van verkeersregels schept een zekere orde en veiligheid waar we allemaal baat bij hebben. Daarom worden veel regels die zowel ethisch als nuttig zijn gedeeld, en geïnternaliseerd, in verschillende tijden en culturen, zodat we gesocialiseerd zijn, misschien van nature toegerust, om het goede te doen met verbazingwekkende frequentie. Maar soms scheiden de wegen van ethiek en belangen zich, en wanneer ze dat doen is noch Hobbes noch Foucault enige hulp. Allebei missen ze iets cruciaals: een filosofische basis om het verschil te begrijpen tussen het werkelijke en het mogelijke, en een kader om van het ene naar het andere te komen. Hoewel het een onderscheid is waaraan hij vasthoudt, zal Obama, zoals iedere politicus, niet voldoen aan wat progressieven voor mogelijk houden. Het is aan ons allemaal, internationaal, om dat tekortschieten te beperken. Wat zeker is, voor dit moment, is dat de taal onze overtuigingen vormt over wat mogelijk is, en Obama’s gebruik van taal is al belangrijk geweest voor het opschudden van internationale politieke veronderstellingen - de reden dat hij de Nobelprijs kreeg. Of we van veranderingen in morele taal naar veranderingen in morele werkelijkheden kunnen gaan, hangt in zeer grote mate af van wat de rest van ons gaat doen.

De Amerikaanse filosofe Susan Neiman is directeur van het Einstein Forum in Potsdam. Morele helderheid: Goed en kwaad in de eenentwintigste eeuw verscheen vorig jaar in het Nederlands bij Ambo. Neiman was in Nederland op uitnodiging van de Pierre Bayle Stichting. Dit is een verkorte versie van de Marchantlezing, georganiseerd door het Kenniscentrum D66 in samenwerking met De Groene Amsterdammer en de Universiteit van Amsterdam. Vertaling: Rob van Erkelens