Reconstructie van een mislukking

Kees van den Bosch
De angstreactor: Kalkar, kroniek van een eeuwige belofte
SUN, 270 blz., € 19,50

Hoe groter een project, hoe moeilijker het te stoppen lijkt. Zo bleven opeenvolgende kabinetten geld investeren in de Betuwelijn, ook toen uit rapporten al was gebleken dat de goederenverbinding nooit rendabel zou worden. Het point of no return is immers snel bereikt; projecten waar al miljoenen in zijn gestoken zet je niet zomaar stil.

Dat gaat ook op voor de ‘Schnelle Brüter’, de ooit revolutionaire kerncentrale in het Duitse Kalkar, net over de grens bij Nijmegen. De onderzoekers van het Kernforschungszentrum Karlsruhe kondigden het project in 1957 met veel bravoure aan als oplossing voor het dreigende energietekort; de scenario’s over het opraken van fossiele brandstoffen waren destijds zeer pessimistisch. De nieuwe kweekreactor zou door een nieuwe koelmethode veel efficiënter produceren en splijtmateriaal kunnen leveren aan de bestaande lichtwaterreactoren. Het ingewikkelde proces van uraniumverrijking kon voortaan worden overgeslagen; de kweekreactor kon overweg met ruw uranium en afval van conventionele kerncentrales.

Het optimisme over kernenergie vierde in de jaren zestig en zeventig hoogtij en het Kernforschungszentrum kon rekenen op fikse staatssteun voor de ontwikkeling van de kweekreactor. Op het hoogtepunt werkten er in Karlsruhe drieduizend mensen aan het project. Het groeiende verzet van de antikernenergiebeweging in Nederland en Duitsland bracht de wetenschappers, op een enkele uitzondering na, niet op andere gedachten. Ook het besluit van de Amerikanen om hun kweekreactorprogramma vanwege de hoge kosten in de ijskast te zetten leek de Duitse wetenschappers niet te deren. Zij geloofden heilig in hun perpetuum mobile en vonden telkens politieke steun om door te gaan met het project.

Toch kwam er in 1991, ruim dertig jaar na het startschot, een einde aan hun droom. De splijtstaven lagen al enkele jaren gereed, de centrale was gebruiksklaar, maar de laatste vergunning bleef uit. De kosten waren toen al opgelopen tot zeven miljard Duitse Mark (ca. 3,5 miljard euro), wat de kweekreactor tot de op één na duurste fabriek ter wereld maakte. Pretparkondernemer Hennie van der Most bouwde het casco enkele jaren later om tot Kernwasser Wunderland.

Wat heeft de kweekreactor in Kalkar uiteindelijk de das om gedaan? Kees van den Bosch, zelf in de jaren zeventig actief tegen kernenergie, nu onderzoeksjournalist bij het vpro-radioprogramma Argos, praatte met de hoofdrolspelers en reconstrueerde hoe het megaproject, waar ook Nederland enkele honderden miljoenen guldens aan bijdroeg, langzaam van de rails liep. De interviews met demonstranten, wetenschappers, politici en ambtenaren leveren een onderhoudend en stevig onderbouwd boek op. Van den Bosch geeft zonder vooringenomenheid een goed inzicht in het kernenergiedebat van de jaren zeventig, maar schetst ook de persoonlijke motieven van de betrokkenen. De vaak anekdotische stijl komt de leesbaarheid van De angstreactor ten goede.

Kalkar vormde de opmaat voor de antikernenergiebeweging in Nederland en Duitsland. Op het hoogtepunt van het verzet tegen de kweekreactor was het grensdorp het toneel van een demonstratie van tienduizenden mensen. De tegenstanders van de Schnelle Brüter koppelden hun bezwaren tegen kernenergie vaak aan het gevaar van kernwapens waarvoor een kweekreactor de grondstoffen zou kunnen leveren. Streefde Duitsland in het geheim naar een eigen (of Europees) atoomwapen? Van den Bosch doet een dappere poging om betrokken politici en wetenschappers uitspraken te ontlokken, maar het blijft ook na dit boek wachten tot er iemand uit de school klapt. Het zou nieuw licht werpen op de Duitse aarzeling om in de jaren zeventig het non-proliferatieverdrag tegen de verspreiding van kernwapens te ratificeren.

Tot een eenduidige verklaring voor het mislukken van het project komt Van den Bosch niet. De procederende antikernenergiebeweging, voortdurende tegenslagen en steeds maar stijgende kosten, ongelukken met kerncentrales (Harrisburg in 1979, Tsjernobyl in 1986): het heeft de bouwers van de centrale zeker niet geholpen.

Maar de nekslag komt uiteindelijk uit ambtelijke hoek, als niemand er eigenlijk meer op rekent. De door de spd geleide deelstaatregering van Noordrijn-Westfalen zet Kalkar heimelijk in als strijdmiddel tegen de regering-Kohl en geeft haar ambtenaren opdracht de centrale ‘kaputt zu prüfen’. Deelvergunningen worden in de jaren tachtig alleen met veel moeite verleend, veiligheidseisen voortdurend aangescherpt.

De kweekreactor was toen hoe dan ook ingehaald door de tijd. De redenen om hem te bouwen waren weggevallen, concludeert Van den Bosch: ‘Het elektriciteitsverbruik steeg veel langzamer dan verwacht. De bouw van kerncentrales stagneerde halverwege de jaren zeventig, waardoor het te verwachten tekort aan uranium uitbleef. In plaats van het verwachte tekort aan plutonium kampte de wereld met een enorm overschot. Eens had plutonium een kiloprijs die hoger was dan die van goud. Nu kun je een kilo plutonium alleen nog maar kwijt als je er een flinke zak geld bij geeft.’

Met het urgenter worden van het klimaatprobleem maakt kernenergie de laatste jaren een voorzichtige comeback. Voorstanders van kernenergie durven weer van zich te laten horen. De nadelen van kernenergie en het feit dat ook deze energiebron niet klimaatneutraal is (vooral vanwege de olieverslindende winning van uranium), verdwijnen daarbij gemakkelijk naar de achtergrond. Van een écht debat is nog geen sprake, omdat de concrete aanleiding ontbreekt; in de meeste westerse landen is geen kerncentrale meer gebouwd sinds begin jaren tachtig. Wie De angstreactor leest krabt ook wel drie keer achter zijn oren voor hij een vergunning aanvraagt om er een neer te kunnen zetten.