Recycle-levens

Jeroen Olyslaegers, Il faut manger: verhalen. Uitg. Houtekiet/De Prom, 177 blz., 329,90
In het verhaal ‘rots in pixelvision’ gaat een jongen met een andere, beeldschone jongen naar Italië. Wanneer hij zich meldt aan de balie van een hotel, zegt hij: ‘Rock Hudson, American.’ Als de receptionist roept dat dat onmogelijk is, identificeert de jongeman zich als Roy Fitzgerald.

Roy en zijn vriend Ron kijken in hun hotelkamer naar All that Heaven Allows, met in de hoofdrollen Rock Hudson en Jane Wyman. Roy bemint Ron zoals Hudson en Wyman elkaar in de film liefhadden. ‘Terwijl hij mij pijpt, lopen er krokodillentranen over mijn wangen. Misschien omdat hij nu verwisselbaar is.’ Jeroen Olyslaegers (1967) laat het verhaal eindigen met: 'Ik ben Rock Hudson. Ik ben recyclebaar.’ De auteur laat zijn personages een tijdje het leven leiden van vroegere filmhelden. Ze doen niet alsof, nee, ze zijn werkelijk veranderd in de personen die slechts als 'glanzende oppervlakte’ bestaan, als iconen van een vervlogen tijd. 'Rock Hudson is recyclebaar’ wil zeggen: het verleden is niet dood, als wij dat willen, kunnen we onze helden weer tot leven wekken. We hebben per slot van rekening een videorecorder en een tape van All that Heaven Allows. Doe de band in de machine, en de befaamde Technicolor-wereld ontvouwt zich, zodat we haar kunnen betreden en wijzelf iemand anders kunnen worden.
Dat is een van de centrale motieven in de verhalenbundel Il faut manger van de jonge Vlaming die in 1994 zeer verdienstelijk debuteerde met Navel. Hij beschrijft mensen die geen vaste identiteit hebben en voor wie er geen eenduidige realiteit bestaat. In een versplinterde werkelijkheid grijpen ze naar de chaotisch verspreide betekenisdragers van de moderne tijd, hopende iets te vinden wat zin kan geven aan de dingen. 'Dat ik een MDMA-pil tot mij nam en van gedaante veranderde: een wild vliegend stuk pluimvee, de ogen als parels in een kop van wellustig verlangen naar bloederige transcendentie. Dat mijn wereld in spasmen bewoog, dat de in leven gebonkte ruimte de enige vorm van werkelijkheid was die ik als comfortabel kon beschouwen, alles daarbuiten één grote regelmaat vol onvolkomenheden, lauwe uitdagingen en betekenisdragers die niet wisten dat de survival of the fittest nooit was opgehouden, dat die integendeel almaar versneld werd in een duizelingwekkende race naar het einde van het millennium. Niet dat Tijd ooit meer dan denkbeeldig was. Tijd als een lege GB-zak waarmee je tevreden naar huis terug had kunnen keren indien je nog had geweten wie “ik” was. Eerste Consumerende Persoon.’ Waar vind je nog houvast in een dolgedraaide, gefragmenteerde wereld?
Olyslaegers’ personages hebben een voorkeur voor seks (zoals in het openingsverhaal 'hole’), muziek (in 'let the beast control your body’), pijn (in 'angst bij kandinsky’), drank, geweld, dood en nog meer seks. Steeds weer keren scènes terug waarin een jongen op sadomasochistische wijze met een meisje verkeert, of waarin hij alleen achter zijn computer cyber-onaneert.
De verhalen in Il faut manger zijn soms net zo chaotisch als de wereld die ze beschrijven, alsof de auteur de chaos nog een slag groter wil maken. Door de opgeschroefde manier van vertellen en de snijdende stijl lijkt Il faut manger in overeenstemming met de tijd waarin het is geschreven: 'Dit moeten de weemoedige jaren negentig zijn: hels, compact, en om te lachen.’