Recycling van de geschiedenis

Solzjenitsyn laat in De Goelag Archipel tot in detail zien hoe de grote ‘bottenmolen’ van de sovjetkampen werkte. Andere auteurs gebruiken de totalitaire staat als decor voor spannende misdaadromans. Straks Bruce Willis als Stalin?

Tot eind jaren tachtig moet in de Sovjet-Unie de kennis over de politieke repressie bijna nihil geweest zijn; zelfs de Grote Terreur was nauwelijks een concreet begrip. Eind jaren tachtig begon de beweging Memorial met pogingen overal gedenktekens voor de slachtoffers van de stalinistische terreur te plaatsen. Bij het verzamelen van feitenmateriaal richtte Memorial zich vervolgens sterk op het onderwijs. In de zomer van 1989 keurde het Politbureau de Russische publicatie van De Goelag Archipel goed. Van Solzjenitsyn hoorde daarna Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj tot het officiële lesmateriaal. Om de novelle was in 1962 veel te doen geweest. De uitgave was een signaal – dát er zoiets als sovjetkampen bestonden – maar inhoudelijk was het nog altijd een sociaal-realistische vertelling over een boer die ondanks alles van zijn land hield. In feite heeft de vroege Koude Oorlog, die eind jaren veertig zo nog niet heette, gemaakt dat de informatie over de terreur en de werkkampen die er wel degelijk bestond al eind jaren veertig niet gelezen werd, door geen van beide partijen, in het Oosten noch het Westen. Zelfs Solzjenitsyn kon in zijn Goelag Archipel schrijven dat vóór hem niemand over de kampen had geschreven – hij had het niet kunnen lezen, want er bestonden alleen uitgaven in het Frans en Engels.
Nu is onlangs De Goelag Archipel verplichte schoolkost geworden. Poetin is zelf bij de weduwe langs gegaan, die met een verkorte versie heeft ingestemd. Dat klinkt omineus, niet die toestemming maar de inkorting. Vijftienhonderd pagina’s is veel, maar het is wel een eenheid. In 1985 heeft een Amerikaanse professor, met medewerking van de schrijver, een ingekorte versie verzorgd. Belangrijke delen, misschien wel de belangrijkste, waren verdwenen. Solzjenitsyn had tot in detail willen laten zien hoe de grote ‘bottenmolen’ werkte én hoe zij mensen verwerkte, dus de gevolgen ervan voor individuele levens. Van die levenslopen sneuvelden er vele. Belangrijker was dat het hoofdstuk in Boek Drie, Veertig dagen Kengier, het verslag van een bloedig neergeslagen opstand van dwangarbeiders in 1945, verdween, en daarmee een essentiële schakel in Solzjenitsyns ontwikkeling tijdens het schrijven aan dat boek. Had hij lang alleen maar geloofd in individueel verzet, de heroïek van een meestal door niets gebonden persoon, mettertijd helde ook hij over naar de idee dat alleen breed georganiseerde weerstand zin had.
Poetin kan het boek van Solzjenitsyn heel goed gebruiken, niet omdat hij een eigen type Sovjet-Unie ambieert, maar om van het stalinistische staatsterrorisme, inclusief de kampen, een afgesloten historisch hoofdstuk te kunnen maken, een historische vergissing. Het onderscheid van Solzjenitsyn tussen staat en vaderland biedt dan een oplossing. Maar dan mag de aandacht voor de Grote Vaderlandse Oorlog niet worden afgeleid door het hinderlijke feit dat het kampsysteem tijdens de oorlog in volle omvang bleef bestaan en rond 1950 omvangrijker was dan tijdens de periode van de Grote Terreur rond 1937. En wat te doen met Solzjenitsyns uitgangspunt dat het terreursysteem inzette met het aan de macht komen van Lenin en Trotski? Als De Goelag Achipel verplichte literatuur wordt, laat Poetin dan ook maar De fluisteraars van Orlando Figes op de lijst zetten. De geest van Stalin is niet met diens dood noch met de rede van Chroesjtsjov noch met de instorting van de Sovjet-Unie uit Rusland verdwenen. Het einde van de Duitse kampen is gemarkeerd door opstanden, bevrijding en afbraak; de sovjetkampen bleven draaien, tot ver in de jaren zeventig, en ook daarna nog in een andere functie. Dat verschil is van belang voor de interpretatie en verwerking.
Memorial houdt elk jaar opstelwedstrijden onder scholieren. In 2007 kregen ze een werkstuk opgestuurd dat begon met de zin: ‘Josif Vissarionovic Stalin had (…) zoals elke politicus iets scheppends en iets vernietigends. Tot de positieve prestaties horen de afschaffing van de grondwet, beëindiging van het analfabetisme en de bouw van grote fabrieken. Tot de negatieve het neerslaan van de oppositie, de afschaffing van de NEP en de massale collectivisering die hongersnoden met zich meebracht die miljoenen slachtoffers kostten…’ En zo verder.
Een omvangrijke aflevering van het Duitse tijdschrift Osteuropa (Das Lager schreiben, juni 2007), waar het werk van Varlam Sjalamov aanleiding is voor een overzicht van de recente geschiedschrijving in en over Rusland, bevat ook bijdragen over de informatie waar scholieren het mee moeten doen. Als jongeren nu een werkstuk over die onderwerpen willen maken, hebben ze weinig aan de recent verschenen zevendelige geschiedenis van de Goelag 1930-1953 en vinden ze op het internet een allegaartje aan vaak geromantiseerde pseudo-geschiedschrijving; inderdaad meer over de Grote Vaderlandse Oorlog dan over het grote kampensysteem van de sovjetstaat. Aan de ene kant is er te veel, aan de andere kant te weinig. De bergen materiaal die sinds het begin van de jaren negentig uit de sovjetarchieven te voorschijn zijn gekomen, zullen door historici en anderen nooit verwerkt kunnen worden. Daar staan te weinig berichten van direct betrokkenen tegenover, zodat het gevaar groot is dat ook deze geschiedenis – zoals Primo Levi voor de nazikampen vreesde – in een verkeerde taal geschreven zal worden: die van de bureaucratische documenten, vervaardigd door ambtenaren, medeplichtigen, daders.
Het weinige bruikbare en goede verzuipt in het teveel – voorbeelden daarvan zijn ook te vinden in de schaduw van wat ik zojuist aanstipte. Zo is er onlangs een aantal dikke misdaadboeken verschenen over het leven in de totalitaire staat en zelfs over de koudste kampen in het hoge noorden. Over het terreursysteem en de Goelag – zeg maar dat ze die als decor hebben. Inmiddels is er genoeg materiaal voor iemand die handig is in knippen en plakken om nieuwe verhalen in elkaar te zetten over het leven onder Stalin en Hitler en de dood in de kampen. De welwillenden van Jonathan Littell is denk ik een teken dat er een nieuwe fase is begonnen. Nu er geen rechtstreekse getuigen meer zijn, wordt er over de kampen uitsluitend uit de tweede hand geschreven – wat natuurlijk voor alle geschiedschrijving geldt. Littell documenteerde zich zorgvuldig en had een idee. Ook een iets jongere Engelse schrijver heeft zich gedocumenteerd, Tom Rob Smith (1979), die met een misdaadtrilogie bezig is, waarvan twee delen verschenen en meteen ook vertaald zijn: Kind 44 en Kolyma.
Smith was helemaal niet van plan over sovjetkampen en -terreur te schrijven. Hij was op een verhaal gestuit van een seriemoordenaar in Rusland, een waar gebeurd verhaal: een zekere Andrej Tsjikatilo die aan de lopende band kinderen opat. Smith ontdekte toen iets merkwaardigs. In de Sovjet-Unie wist niemand ervan. Er kon niet over moorden bericht worden, omdat in de Sovjet-Unie alleen maar politieke misdrijven gepleegd werden; de gewone misdaad was een westerse ziekte. Leo, officier bij de Inlichtingendienst, wil dan ook niet van moord weten wanneer een dood jongetje naakt gevonden wordt met zijn maag eruit gesneden. Als hij de feiten niet meer kan ontkennen gaat hij uit wroeging de moordenaar achterna. De man slacht meer dan vijftig kinderen; de titel Kind 44 slaat op het getal van een zoveelste geval. Hij bakt hun maag en hart om ze aan zijn kat te voeren. Zware psychologische kost, want daarmee geeft de moordenaar tekens die alleen zijn broer zal kunnen begrijpen. Die is in 1933 verdwenen toen ze samen een kat achterna zaten om op te eten. En wie is de broer? Leo van de Inlichtingendienst.
Het verhaal over de seriemoordenaar is flauwekul, maar Smith dompelt het in de sfeer van algehele paranoia, waarin iedereen iedereen bespioneert en verraadt, en geen mens, hoe geüniformeerd en gedecoreerd ook, voor valse vrienden veilig is. Smith vertelt eerlijk waar hij zijn stof vandaan heeft: ‘(…) waarvan ik geleerd heb dat hoe erg onderdrukking ook is, er altijd wel iemand is die eronderuit weet te komen’. Die moraal belooft meer dan hij in het verhaal kan waarmaken. De gezagsgetrouwe Leo zal zich bekeren en er komen wel meer bekeerlingen voor. Inzicht slaat toe, met het proces van jaren kan Smith niet uit de voeten. Zo komt hij ook in de problemen omdat hij geen onderscheid kan maken tussen de misdadigheid van een totalitair systeem en de daden van een gestoorde geest. Er is alleen maar goed en kwaad, amen.
Smith schrijft misdaadromans, hoewel hij in Kind 44 zelf tot halverwege niet goed wist wat voor soort boek hij aan het schrijven was. Zo lang is het nog interessant, zodra het om dader en speurder gaat, schrijft het genre voor hoe het verder moet. In het tweede boek komt de aap uit de mouw. Onze Leo gaat undercover als gedeporteerde naar Kolyma om daarvandaan de man terug te halen die door zijn toedoen zeven jaar eerder in het kamp terecht is gekomen.
Niet alleen het materiaal is tweedehands, ook de politieke ideeën zijn dat. Het ontbreken van een eigen idee heeft tot gevolg dat Smith zich laat meeslepen door zijn eigen verhaal, dat wil zeggen de handeling. Eenmaal begonnen met wraakacties van slachtoffers, met als hoofdpersoon een getatoeëerde, genadeloze bendeleidster, die net als haar man, een priester, door verraad van Leo gedeporteerd werd, is het einde zoek: op het laatst laat deze wraakgodin zich vanuit Moskou gebruiken om in Boedapest een opstand te ontketenen die dan door Russische troepen wordt neergeslagen zodat de Russische machthebbers hun sterkte bewezen hebben. Haar gaat het inmiddels om wraak op niet minder dan heel Rusland.
Tom Rob Smith heeft een oudere collega die ook Smith heet, Martin Cruz Smith, auteur van Gorki Park en recent De geest van Stalin, thrillers die Rusland als decor hebben omdat daar gewelddadigheid altijd al een nationale deugd zou zijn. In Kolyma, zijn tweede boek, zag de jongere Smith waarschijnlijk al meteen Bruce Willis in de rol van zijn held Leo: als eenmaal de achtervolgingen beginnen, houden ze niet meer op. De vraag is of dit recyclen het historisch materiaal niet ten enenmale onbruikbaar maakt.