Red het kartel de dictatuur van de vrije markt

Kartels, adviescommissies, hinderwetten? Niks mis mee, vindt hoogleraar organisatie en beleid Frans van Waarden. Hij voorspelt zelfs de terugkeer van de regulering. ‘Wacht maar tot de eerste bejaarden doodgaan aan salmonellavergiftiging’
DE STOFKAM DOOR overheidsregels, weg met de overlegeconomie, een verbod op samenwerking tussen bedrijven. Het paarse kabinet ‘dereguleert’. Want wetgeving, overleg en samenwerking belemmeren de concurrentie, dus de markt, dus de economie, dus de werkgelegenheid, dus ons welbevinden.

Een behoorlijke domme redenering, vindt Frans van Waarden, hoogleraar organisatie en beleid aan de Universiteit van Utrecht. Van Waarden was verbaasd toen hij twee jaar geleden terugkwam in Nederland, na jarenlang gewerkt te hebben aan universiteiten in onder meer de Verenigde Staten en Duitsland. Daar werd Nederland regelmatig aangehaald als nastrevenswaardig voorbeeld. Van Waarden: ‘In het buitenland zijn velen jaloers op de combinatie van corporatisme, vrije markt, overheidssturing en netwerken. In veel landen is het of het een, of het ander, met alle nadelen van dien. En dan kom je terug in Nederland en blijkt dat systeem hier juist afgebroken te worden omdat het niet past in de neoliberale marktideologie.’
In zijn oratie brak Van Waarden een lans voor de 'cooperatieve concurrentie’ waar Nederland al eeuwen wel bij vaart. Het werd een rechtstreekse aanval op het beleid van minister Wijers. Wijers is immers de grote motor achter de deregulering van Nederland. De wens 'meer markt, minder overheid’ uit zich niet alleen in het afstoten van overheidstaken richting de markt, maar ook in het afschaffen van regels en samenwerkingsstructuren. En Wijers ondervindt daarbij weinig weerstand.
Van het rijtje 'privatisering, flexibilisering, deregulering’ (de tijd van de -ismes is voorbij, leve de -ering) staat de laatste nog het minst ter discussie. Misschien omdat het zo lekker vrij klinkt, minder regels. Bovendien is versoepeling van pakweg de vesti gingswet nu eenmaal niet het meest opwindende item. Tot het moment dat de winkels in stads- en dorpscentra massaal het loodje leggen door de komst van 'weidewinkels’ die tot voor kort dank zij die vestigingswet grotendeels verboden waren. Ach, wie weet komt er tegen die tijd wel weer een subsidie ter ondersteuning van de kruidenier.
'Deregulering’ is (net als privatisering, flexibilisering, liberalisering, globalisering en individualisering) een dusdanig containerbegrip dat het lastig debatteren is over deregulering als zodanig, terwijl de voorstanders het wel als totaalpakket presenteren: het versoepelen van regels op het gebied van milieu en arbeidsomstandigheden, minder deals tussen werknemers en werkgevers en het verbieden van kartels - het hoort allemaal bij elkaar, want bij een vrijere markt.
Een ding moet je Wijers nageven: hij is wel consequent. Waar zijn liberale broeders met 'vrije markt’ nog wel eens bedoelen 'alles wat goed is voor het bedrijfsleven’, pakt hij ook het bedrijfsleven hard aan: een vrije markt is een vrije markt, ook als bedrijven daardoor het loodje leggen. Alles wat riekt naar kartels wordt verboden. Prijsafspraken tussen makelaars, taxibedrijven die de markt onderling verdelen; het mag allemaal niet meer.
Fout, vindt Van Waarden. Ach, daar komt dit kabinet ook nog wel achter. 'Het wachten is op het eerste artikel in een Tokyose krant over hoe Japanners in een “vrije” taxi vanaf Schiphol getild zijn - weg Japans toerisme. Of op de eerste bejaarden die doodgaan aan salmonellavergiftiging: je zult zien hoe snel de warenwet dan weer wordt opgetuigd. Regulering is er nu eenmaal niet voor niets.’
In de discussie over markt versus overheid is vaak het uitgangspunt dat meer markt sowieso goed is voor de economie. De vraag is slechts of we de sociale gevolgen op de koop toe nemen. Maar ook de economie zelf is gediend bij regulering, stelt Van Waarden: 'Door kartels en andere onderlinge afspraken tussen bedrijven is de markt stabieler, waardoor bedrijven meer geneigd zijn aan de lange termijn te denken en meer durven te investeren.’ Angst en onzekerheid is nu eenmaal een slechte drijfveer, ook voor het bedrijfsleven.
Niet voor niets blijkt uit tal van onderzoeken dat het met de concurrentiepositie van Nederland wel snor zit. In een vergelijkende studie naar de aantrekkelijkheid van 267 Europese regio’s als vestigingsplaats, was de streek rond Arnhem/Nijmegen winnaar. De Randstad kwam op de zevende plaats. En is de Nederlandse landbouw, dat bij uitstek corporatistische bolwerk, niet een van de grootste exporteurs ter wereld? Dat die landbouw om milieuredenen nodig tot op het bot gesaneerd moet worden, is een andere kwestie.
Het populaire beeld als zou de Nederlandse economie in een 'eeuwige winterslaap’ verkeren, door de 'wurggreep van belangengroepen’ en de 'stroperige staat’, doet Van Waarden af als populistische papegaaiepraat. Het helpt misschien al om andere woorden te gebruiken. 'Corporatisme ligt slecht, overlegeconomie mag ook al niet meer, maar als we het nou eens strategische allianties noemen, dat klinkt heel modern.’
EEN SAMENLEVING organiseert zich om onzekerheden te reduceren, doceert Van Waarden. De hoogleraar is niet vies van een vleugje volkenkunde: 'In sommige samenlevingen is angst misschien een goede motor, maar Nederlanders hechten aan zekerheid, angst werkt hier juist verlammend. Nederlanders zijn niet voor niets kampioen in het sluiten van verzekeringen, de Nederlandse vakbeweging stelt niet voor niets zekerheid boven hoge lonen.’ En Nederlanders houden van collectieve besluitvorming. Hier geen president maar een kabinet met een primus inter pares, en in het bedrijfsleven nauwelijks markante captains of industry, maar anonieme raden van commissarissen en managementteams. En we willen die groepsverbanden bovendien graag formaliseren, niet dat gekonkel in het schemerdonker. Maar dan wel graag in de vorm van horizontale organisaties, niet in hierarchische. Zo ontstonden reeds in de Republiek samenwerkingsverbanden als compagnieen en rederijen. Een civil society, kortom.
En daar moeten we zuinig op zijn, vindt Van Waarden. Neem de adviescommissies, waar de laatste jaren zo graag de spot mee wordt gedreven omdat ze slechts zouden bestaan uit eeuwige insprekers en bovendien de besluitvorming vertragen. Van Waarden: 'Wat gebeurt er als je die commissies opheft? Niemand heeft toch de illusie dat er dan plotseling geen belangengroepen meer zijn die iets van de overheid willen? Je krijgt dan dus een ondoorzichtig lobbyisme, zoals dat nu ook in Brussel en in de Verenigde Staten heerst. Adviescommissies maken de lobby zichtbaar en controleerbaar, en bovendien zetten ze belangengroepen aan tot enige samenwerking en coordinatie.’
Het kabinet zou zich meer rekenschap moeten geven van de functie die allerlei regulering vervult, vindt Van Waarden. Neem bijvoorbeeld de eisen die gesteld worden aan bedrijven als het gaat om geluid en stank of arbeidsomstandigheden. 'Die wetgeving is er omdat er conflicterende belangen zijn. Je kunt zeggen: daar hoeft de overheid zich niet mee te bemoeien. Maar daarmee voorkom je conflicten niet. Deregulering betekent alleen dat de overheid zich over bepaalde conflicten niet langer uitspreekt. En wat gebeurt er vervolgens? Mensen stappen met hun conflicten naar de rechter. Vervolgens ontstaat er een enorm ingewikkeld stelsel van jurisprudentie, veel ingewikkelder dan de oorspronkelijke wet. Dus zal het eind van het liedje zijn dat die jurisprudentie wordt omgezet in wetgeving.’
HET MEEST verrassend is Van Waardens pleidooi voor het behoud van kartels. Nederland kende in 1992 759 kartels, afspraken tussen ondernemers, vaak binnen dezelfde branche, ter voorkoming van overcapaciteit en vernietigende concurrentie. Van Waarden: 'Het hoort, of inmiddels moet ik zeggen hoorde, bij de gedoogcultuur van dit land: je tolereert iets om erger te voorkomen. Als je weet dat iets toch gebeurt, kun je er als overheid maar beter een kader voor scheppen, want dan heb je er tenminste zicht op. De overheid ging ervan uit dat bedrijven toch onderlinge afspraken maken, en dan is het maar beter dat het open en bloot gebeurt. Dat lijkt me een verstandig standpunt.’
Maar Wijers wil, daarin gesteund door de Europese regelgeving, de kartels zoveel mogelijk ontbinden. Van Waarden: 'Zonder prijsafspraken in bijvoorbeeld de bouw ontstaat er al snel een prijzenoorlog waarbij er onder de kostprijs wordt gewerkt. Voor je het weet gaat dan de ene na de andere aannemer failliet, halfafgebouwde skeletten achterlatend.’
Van Waarden vindt het bouwkartel dat onlangs werd verboden door Brussel en waarover binnenkort het Europese Hof een uitspraak doet, een typisch voorbeeld van een kartel dat alleen maar voordelen biedt. 'Aannemers deponeren hun offertes bij een centrale instantie en kunnen vervolgens niet onder hun eigen offerte gaan zitten. Ofte wel: er zijn van tevoren geen prijsafspraken, maar er ontstaat ook geen prijzenoorlog. Als je weet dat Japie het goedkoper doet, kun je niet alsnog onder de prijs van Japie gaan zitten. En ook dat is een kenmerk van Nederland: de regels zijn gematigd. De arbeidsproduktiviteit in de Nederlandse bouw is hoog en de prijzen zijn laag, dus het werkt. In de jaren dertig, toen het bouwkartel nog niet bestond, gingen opdrachtgevers leuren, zoals dat heette: “Je collega doet het voor bedrag X, wil jij daar niet onder gaan zitten?” Ten koste van de kwaliteit en de werknemers, en soms ook ten koste van het bouwbedrijf. Nederland is sterk in instituties die de concurrentie wel matigen en en ordenen, maar niet wegnemen. Eigenlijk heel pragmatisch.’
Iets anders, vindt Van Waarden, zijn de prijsafspraken tussen makelaars, die on langs zijn verboden. Die afspraken hadden een prijsopdrijvende werking en voor dat verbod is dus wel wat te zeggen. Maar ook daar ziet hij een gevaar. 'Hoe vrijer de markt, hoe belangrijker machtsverschillen worden. En een makelaar heeft bij de ene - grote - klant veel meer belang dan bij een kleine klant, de individuele huizenkoper. Dus betaalt de grote klant, een groot bedrijf bijvoorbeeld, straks veel minder provisie, ten koste van de kleine huizenkoper.’
Dank zij prijsafspraken en samenwerking tussen kleine kruideniers, verenigd in bijvoorbeeld de Spar, kunnen die kruideniers zich handhaven. Het is niet toevallig dat in een land als Zwitserland, waar die afspraken verboden zijn, alle levensmiddelenwinkels in handen zijn van twee ketens. Een volledig vrije markt eindigt in monopolies, en dus in de opheffing van de markt, dat is de paradox. Ongereguleerde concurrentie betekent immers dat de sterkste alle anderen opeet. De Amerikaanse overheid heeft niet voor niets bij wet vastgelegd dat er in dat land minstens vier automobielbedrijven moeten zijn.
Van Waarden: 'Je krijgt niet alleen horizontale monopolies, maar ook verticale: Philips die niet alleen de elektronica levert, maar ook zelf de kabel opkoopt, of banken en verzekeraars die straks de hele zorgsector in handen hebben. En de PTT die eigenlijk had moeten concurreren met de kabel, maar in plaats daarvan in veel gemeenten gewoon de kabel heeft opgekocht.’
Hij zal de laatste zijn om te beweren dat alles maar bij het oude moet blijven, dat iedere regel, iedere adviescommissie heilig is. 'Maar wat me tegen de borst stuit is dat er geen enkel historisch besef is, dat men niet nagaat waarom bepaalde regulering ooit is ontstaan. En dat er geen enkele aandacht is voor ervaringen in het buitenland, terwijl er juist op dit gebied legio vergelijkende studies zijn.’ Hij wijst op de leuze op zijn koffiekopje. 'Drink koffie met beleid’, staat er. Van Waarden: “'Met beleid”, dat is waar ik voor pleit. Beleid betekent: doe het voorzichtig, denk na. Het opmerkelijke is dat economen steeds meer oog hebben voor het marktfalen, maar dat al die bestuurskundigen en juristen die zich tegenwoordig zo graag van economische argumenten bedienen, alleen oog hebben voor staatsfalen. De In ’t Velds, Fortuyns, Rosenthals.’
Die bestuurskundige stroming is overgewaaid uit de Verenigde Staten, gevoed door het Reagan-tijdperk. Van Waarden: 'En ze is daar niet voor niets ontstaan, de overheid faalt inderdaad veelvuldig in de Verenigde Staten. Maar de grap is nu juist dat de Nederlandse overheid veel beter functioneert dan de Amerikaanse. Daarom slaat het nergens op om die theorie hier over te nemen.’
VAN WAARDEN verwacht dat het allemaal zo'n vaart ook niet loopt. Een traditie van drie-, vierhonderd jaar zet je nu eenmaal niet zomaar opzij. Het corporatisme is, getuige het onlangs tussen werknemers en werkgevers gesloten 'flexakkoord’, springlevend en zeer behulpzaam bij het oplossen van potentiele conflicten. En op milieugebied kent Nederland inmiddels zo'n 180 convenanten. Afspraken tussen overheid en bedrijfsleven over de terugdringing van de milieuvervuiling. In feite het corporatisme ten top, want is allemaal het resultaat van geduldig heen en weer praten.
Plaatst hij zich met zijn betoog niet buiten de politieke discussie? Van Waarden: 'Invloed hebben is niet mijn eerste drijfveer. Niet met alle winden meewaaien, dat lijkt me de taak van de intellectueel. Er is in Nederland een sterke binding tussen beleidsmakers en onderzoekers, veel sterker dan bijvoorbeeld in Duitsland. In Duitsland zijn de sociale wetenschappen kritischer en theoretisch interessanter. Veel Nederlandse bewindslieden zijn oud-hoogleraar, veel hoogleraren willen maar al te graag minister worden. Dat is niet mijn ambitie.’