Redacteur in oorlogstijd

Zeven jaar lang, van 1915 tot 1922, was de veelzijdige schrijver Frederik van Eeden redacteur van De Groene Amsterdammer. Zeven jaar vol conflicten en polemieken. Over nationalisme, antisemitisme en katholicisme. Jan Fontijn wijdde er in zijn biografie van Van Eeden, waarvan volgende week deel 2 verschijnt, een heel hoofdstuk aan
Jan Fontijn, Trots verbrijzeld. Het leven van Frederik van Eeden vanaf 1901. Uitgeverij Querido. Op 19 april wordt in De Rode Hoed te Amsterdam het eerste exemplaar uitgereikt aan Huib Drion.
OP 1 JANUARI 1915 werd Van Eeden redacteur van het befaamde weekblad De Amsterdammer, beter bekend als De Groene.
Het blad, tot 1907 door Johannes de Koo geleid, was in de jaren daarna onder de redactie van Henri Wiessing snel linkser geworden. Dit was ten koste gegaan van de relatie tussen Wiessing en de uitgever Van Holkema & Warendorf en in 1914 werd Wiessing ontslagen. In de herfst van 1914 werd een geheel nieuwe redactie samengesteld. Wiessing zou later over zijn opvolgers schamper schrijven als ‘het professorengezelschap’. Hiermee doelde hij op de hoogleraren J. A. van Hamel, G. W. Kernkamp en Hajo Brugmans. Hun weekblad typeerde hij als de ‘trekpleister van de grachten-bourgeoisie’. Wiessing richtte een concurrerend blad op, De Nieuwe Amsterdammer.

In oktober 1914 werd Van Eeden door de nieuw benoemde hoofdredacteur, de jurist Van Hamel, benaderd met de vraag of hij zitting wilde nemen in de redactie, met name voor de afdelng binnen- en buitenlandse letterkunde. De afspraak was dat Van Eeden alles wat van belang was binnen zijn afdeling zelf zou doen en dat hij verder geheel vrij was zijn ‘verschillende opmerkingen en beschouwingen’ te plaatsen. Met die laatste opmerking van Van Hamel zal wel bedoeld zijn dat Van Eeden, wiens veelzijdigheid algemeen bekend was, ook over niet-letterkundige zaken mocht schrijven. De vaagheid van deze taakomschrijving zou weldra moeilijkheden veroorzaken.
Natuurlijk moeten Van Hamel en zijn mederedacteuren geweten hebben dat ze met Van Eeden een lastig persoon in huis gehaald hadden. Wat voor Van Eeden pleitte, was zijn brede belangstelling, zijn bekendheid als literator en publicist en zijn vele contacten in binnen- en buitenland. Bovendien kon hij door zijn journalistieke ervaring snel schrijven, hanteerde hij meestal een heldere stijl en was hij door zijn nieuwsgierigheid attent op alles wat zich als bijzonder voordeed.
Voor Van Eeden was het redacteurschap zeer welkom. Het verschafte hem niet alleen een vaste publikatiegelegenheid, waardoor hij in staat zou zijn zijn ideeen bij een groter publiek onder de aandacht te brengen, maar verschafte hem ook een regelmatig inkomen. Nadeel was dat hij bijna wekelijks een stuk moest afleveren, waardoor hij in moeilijkheden raakte met groter werk op langere termijn.
Dat Van Eeden redacteur werd, zat Wiessing als vroegere hoofdredacteur van De Amsterdammer niet lekker. Wiessing stelde het aan Van Eeden zo voor dat hij zich om ideele redenen had laten ontslaan. Op een uitzonderng na hadden alle medewerkers, zo schreef hij Van Eeden, zijn kant gekozen. Van Eeden liet daarop de brief van Wiessing aan Van Holkema & Warendorf, de uitgever van De Amsterdammer, lezen. Deze uitgeverij berichtte Van Eeden dat Wiessing als slachtoffer van zijn overtuiging poseerde; zijn ontslag had hij te wijten aan zijn ongeschiktheid en onbekwaamheid. Van Eeden liet daarop aan Wiessing weten dat hij niets te maken wilde hebben met diens moeilijkheden met Van Holkema & Warendorf. Er was geen sprake van dat hij ten opzichte van Wiessing een belofte brak. Hij herinnerde zich niet dat hij ooit beloofd had dat hij geregeld voor Wiessings blad zou willen werken. Wiessing was woedend. Zelfs in zijn memoires Bewegend portret uit 1960 was dat nog te merken.
In totaal heeft Van Eeden tot 1922, bijna acht jaar, aan De Amsterdammer gewerkt. Hij begon in 1915 met veel energie aan zijn redactiewerk. Al direct had hij aanmerkingen op de organisatie van de redactionele werkzaamheden. De samenwerking in de redactie - waarin naast Van Hamel en Brugmans ook de Amsterdamse assuradeur E. S. Orobio de Castro (schrijvend onder het pseudoniem Petronius) en in latere jaren Herman Salomonson zaten - liet aanvankelijk te wensen over, maar werd allengs beter. Met Van Hamel kreeg hij zelfs een tijdje een vriendschappelijke relatie.
Joost Adriaan van Hamel, eind 1914 vierendertig jaar oud, was vanaf 1910 hoogleraar strafrecht in Amsterdam. Hij was evenals Van Eeden rector van het Amsterdamse studentencorps geweest. Met Van Eeden had hij gemeen dat hij met Engeland sympathiseerde en meende dat Engeland de 'natuurlijke steun’ was voor Nederlands zelfstandigheid tegenover de dreigende overheersing van Duitsland. Dat de onafhankelijkheid van Nederland hem ter harte ging, bleek uit het feit dat hij Van Eeden in 1915 probeerde te betrekken bij een geheime 'patriotten-club’, die beoogde een krachtige vaderlandse geest te bevorderen en het volk te doordringen van de noodzaak van de zelfstandigheid van Nederland. Maar Van Eeden had bedankt en had gewaarschuwd voor blind patriottisme.
De redactieleden gingen aanvankelijk hartelijk en ontspannen met elkaar om. Zo vergaderde de redactie in de zomer van 1915 in het park bij de Vijverhof aan de Vecht, waar Van Hamel woonde. Met enkele redactieleden maakte Van Eeden zelfs een zeiltocht over de Zuiderzee. Met de redacteur Orobio de Castro, een regelmatige bezoeker van Walden, raakte Van Eeden bevriend. Hij genoot van de diners en bezoeken, waar vaak ook een der 'Amsterdamse joffers’ aanwezig was, de schilderes Lizzy Ansingh. Ook kon hij goed opschieten met de jonge Herman Salomonson, redacteur vanaf 1 januari 1917 en beter bekend onder zijn pseudoniem Melis Stoke.
Grote verbazing wekte van Eedens ge drag op 23 oktober 1916. Van Hamel had het plan bedacht om een redactievergadering van De Amsterdammer op film vast te leggen en wel in de filmstudio van Maurits Binger in Haarlem. De bedoeling was dat op die vergadering de befaamde karikaturist Braakensiek een tekening zou maken. Van Hamel was op het idee gekomen nadat hij gelezen had dat de Engelse ministers als filmspelers waren opgetreden om het volk te laten zien hoe een ministerraad verliep.
Met de grote rode auto van meester E. S. Orobio de Castro ging de redactie naar Haarlem. Van Eeden zat samen met de hoogleraren Van Hamel en Brugmans op de achterbank. In de studio van Binger aan het Donkere Spaarne in Haarlem stond een lange tafel waaraan de redactieleden zouden zitten. Alles was nagebootst: het groene tafelkleed, het tekenblok van Braakensiek, het klassieke kistje sigaren. Alles werd gerepeteerd: het binnenkomen van Braakensiek, de flambard die met een zwaai werd afgenomen, enzovoort. Maar op het moment supreme bleek Van Eeden plotseling verdwenen. Tijdens de besprekingen was hij steeds aanwezig geweest; hij had zelfs aan de regie meegewerkt. In het gebouw was hij niet te vinden. Orobio de Castro ging in Haarlem zoeken en vond hem tenslotte in cafe Brinkman achter een kop koffie. Van Eeden wilde niet meer meedoen. Tegen Orobio de Castro had hij gezegd: 'Ik kan dat niet… dat ruikt teveel naar reclame.’
De filmopname werd gestaakt, want een film over de redactie zonder Van Eeden was onmogelijk.
DE REDACTIONELE activiteiten en de bijdragen van Van Eeden in deze acht jaar wisselden van kwaliteit. De eerste vier jaar waren zeker de beste. Van Eeden ontwikkelde toen aardige initiatieven en was in staat prikkelende stukken te schrijven. Vanaf 1918 is er een dalende lijn. Als redacteur werd hij steeds passiever. In zijn stukken bereed hij meer en meer zijn stokpaardjes. Na 1920 kwam allengs zijn fascinatie voor het katholicisme in zijn bijdragen naar voren. Het was een ontwikkeling waarmee Kernkamp, die in 1920 Van Hamel als hoofdredacteur opvolgde, weinig gelukkig was en die ten slotte tot Van Eedens ontslag leidde.
Spectaculair in het begin van Van Eedens redacteurschap was zijn initiatief om een rubriek Internationale tribune te beginnen. Het was de bedoeling dat internationaal bekende personen in deze rubriek hun standpunt over de oorlog zouden formuleren. Hij had daarvoor talloze buitenlandse vrienden aangeschreven. Al op 20 december 1914 kon Van Eeden in De Amsterdammer melden dat heel wat mensen hun medewerking hadden toegezegd: de Engelse natuurkundige Oliver Lodge, de Zwitserse auteur Carl Spitteler, een van zijn favoriete schrijvers, de socioloog Franz Oppenheimer en Freud.
In zijn 'open brief’ aan Van Eeden, die op 17 januari 1915 in De Amsterdammer werd gepubliceerd, gaf Freud aan hoezeer de gebeurtenissen in de oorlog de psychoanalyse gelijk gaven. De psychoanalyse beweerde immers dat de primitieve en wilde impulsen niet verdwijnen, maar voortleven, dikwijls op een verdrongen manier. Verder leerde de psychoanalyse dat het intellect van de mens de speelbal is van affecten. Freud eindigde zijn brief met de wens dat hij Van Eeden 'in schoneren Zeiten’ zou terugzien.
Van Eeden zou Freud echter nooit terugzien. Zijn enthousiasme voor de psychoanalyse van omstreeks 1914 was kortstondig en zou, misschien onder de invloed van kritiek van Bjerre, helemaal verdwijnen.
Op 24 januari 1915 verscheen een open brief van Romain Rolland aan Van Eeden in de rubriek 'Internationale tribune’. De brief werd ook afgedrukt in Rollands beroemde boek Au-dessus de la melee. Volgens Rolland ging het er nu om vrije geesten in groepen bijeen te brengen, die zich op die manier beter tegen de ontketende passies van de nationalisten zouden kunnen verdedigen. In plaats van de beperkte nationalistische visies moest er een Europese visie komen. Nederland was in de ogen van Rolland het aangewezen land om het hart van dat ideale Europa te zijn. Rolland eindigde zijn brief met een algemene beschouwing. Boven de hele rassenkwestie, die meestal een leugen is en waarachter de hoogmoed van de massa en de belangen van financiele of feodale kasten schuilgaan, bestaat er een universeel recht dat wij moeten opvolgen en verdedigen: het zelfbeschikkingsrecht der volkeren.
De Duitse auteur Walter von Molo, aan wie Van Eeden de open brief van Rolland had gezonden, reageerde op zijn beurt met een open brief aan Van Eeden en Romain Rolland, waarin hij nationalisme iets vanzelfsprekends en noodzakelijks vond; Van Eeden was ondanks zijn eerlijke 'Allgemeinmenschlichkeit’ toch ook een trotse Hollander. Von Molo’s stelling was dat tweespalt overal te vinden was. De grote vraag was of eenheid mogelijk was, of nationalisme en internationalisme te combineren waren. Was dat voor de mens niet te hoog gegrepen? Schrijvers moesten zich niet losmaken van hun volk, maar dat volk wijzen op datgene wat het met andere volkeren gemeen had. Duitsland zou pas, zo meende Von Molo, de oorlog beeindigen, als het ervan verzekerd kon zijn dat zijn grenzen geeerbiedigd zouden worden.
Van Eeden liet allerlei meningen uit Duitsland aan bod komen, nationalistische en antinationalistische. Duitse auteurs die in hun eigen land niet konden publiceren, zoals Otto Borngraber, stelde hij in staat in De Amsterdammer te publiceren.
VAN EEDEN WAS door de hoofdredactie niet in de eerste plaats als specialist in de internationale politiek en de oorlog aangetrokken, maar vooral als literator. Hij nam zich voor in de rubriek 'Kunst en letteren’, waar hij een paar maanden na zijn aanstelling werk van maakte, af en toe een literatuuroverzicht te geven. In de kolom 'literaire beschouwingen’ schreef hij alleen maar over wat hij zelf interessant vond en waar hij zin in had. Zo liet hij duidelijk zijn voorkeur blijken voor het werk van J. van Oudshoorn. Willem Mertens’ levensspiegel vond hij het boek van een demonisch schrijver, bij wie alle ethiek leek te ontbreken. Het boek prikkelde volgens Van Eeden tot verzet, maar had wel, vond hij, een hoog waarheidsgehalte. Het was nu eenmaal, aldus Van Eeden, dat de boze demon in de mens waarheid verschaft, precies zoals oorlog dat doet.
Ook over Couperus was hij erg enthousiast. In diens mythologische romans zag hij weinig, maar totaal ingepalmd was hij door de feuilletons. Couperus, in zijn ogen nooit pervers of sadistisch zoals zoveel decadenten, was bij het ouder worden beter gaan schrijven. Van het verwijt dat Couperus poseerde, wilde hij niets weten; wie bekwaam was, ontkwam daar niet aan. De roman De komedianten vond hij beter dan de bestseller Quo vadis. Hij vond het uniek in de Nederlandse literatuur, dat Couperus van lieverlee al het overspannene had losgelaten.
Uitvoerige aandacht besteedde Van Eeden aan Verwey, Henriette Roland Holst en Jacob Israel de Haan. Deze drie dichters representeerden volgens hem elk een stroming in de Nederlandse literatuur. Bij Roland Holst vond hij haar brandende liefde voor de lijdende mens typerend, terwijl De Haan voor hem de dichter was van het joodse ras.
Over Verwey als dichter en als mens was hij vrij kritisch. Diens gedichten in Het zichtbaar geheim konden hem niet echt ontroeren; daarvoor miste deze dichter volgens hem te veel grote dichterlijke eigenschappen. 'Verwey doet zich kennen als een bezadigd, verstandig, wel eevenwichtig denker, eenigzins droog, nuchter en zelfzuchtig - maar toch rechtschapen en betrouwbaar. Eigenlijk een middelmatig mensch, - maar die toch verre booven de middelmaat uitstijgt door zijn standvastige toewijding aan de schoonheid van het woord.’ Verwey bereikte, aldus Van Eeden, een degelijke, burgerlijke verhevenheid en bezat in tegenstelling tot Kloos deemoed en oprechtheid.
De kritiek op Verwey en de uitval naar Kloos in De Amsterdammer toonden nog eens duidelijk aan dat Van Eeden moeilijk vergeten kon. Er was allerlei oud zeer, dat bleef knagen.
Verwey bleef op zijn beurt geintrigeerd door Van Eeden. Het feit alleen al dat hij in de loop der jaren van alle Tachtigers de meeste aandacht aan Van Eeden heeft besteed is veelzeggend. Voor Verwey werd het op den duur steeds duidelijker dat Van Eedens karakter bepaald werd door innerlijke verscheurdheid en dat deze karaktertrek ook bepalend was voor zijn sterk wisselende literaire werk. Volgens Verwey probeerde Van Eeden zijn innerlijke onzekerheid te compenseren door naar buiten toe de zo gewenste zekerheid te suggereren en wel door zich een profetische toon aan te meten en zich op te werpen als een soort leider. Profetie en leiderschap waren ook karakteristiek voor het dichterschap van Verwey zelf. Het verschil was echter dat Verwey als leider en als profeet nimmer de bedachtzaamheid en de nuchterheid van de Nederlander vergat, terwijl Van Eedens profetendom en leiderschap meer exuberant was en op een Duitse manier pathetisch.
MET KLOOS DREEF Van Eeden nog eens op een venijnige wijze spot in De Amsterdammer van 1919 over het feit dat Kloos bij zijn zestigste verjaardag gehuldigd was en daarbij een medaille en een jaargeld van duizend gulden had gekregen. Hoe kon, zo vroeg Van Eeden zich in een stuk in De Amsterdammer af, een rechtse en godsdienstige regering een dichter huldigen die ooit de bijbel verachtte en die beweerde dat de uitdrukking 'een goed mensch’ moest verdwijnen? Die regeringspersonen konden onmogelijk Kloos’ opstandige verzen uit zijn eerste, agnostische periode goed vinden. Maar ook zijn werk uit zijn tweede periode, de periode van verwildering, en het werk uit zijn laatste periode was uitermate zwak. Van Eeden verzekerde dat hij niet uit wraakzucht of afgunst schreef. Kloos leende zich niet voor waarachtige volkshulde, omdat hij de oprechtheid en ootmoed miste.
De verontwaardiging over het stuk was groot. In Het Vaderland schreef G. H. Pannekoek dat hij Van Eedens stuk 'klein-menschelijk’ vond en van jaloersheid vond getuigen. Door vriend en vijand werd de geschiedenis van de vete tussen Kloos en Van Eeden weer opgehaald; er werd gerefereerd aan de Lieven-Nijlandaffaire en de scheldsonnetten. De oude Hein Boeken nam het op voor Kloos en schreef zelfs een kersvers sonnet, 'De Slang’, waarop ook Van Eeden weer poetisch reageerde.
ZIJN LEVEN LANG heeft Van Eeden, die de liefde en de blijde wereld predikte, conflicten gehad. Soms kon een incident uit het verleden, dat door hem met de mantel der liefde bedekt of ogenschijnlijk vergeten was, plotseling weer een rol gaan spelen.
Bedenkelijk in dat opzicht was zijn opinierend stuk van 6 mei 1916 over de tournee van Max Reinhardt door Nederland, waarover Top Naeff in dezelfde aflevering van De Amsterdammer een lyrisch stuk had geschreven. De Berlijnse regisseur, die door Van Eeden in het verleden talloze malen benaderd was, maar altijd geweigerd had zijn stukken te spelen, werd door Van Eeden op een schaamteloze wijze besproken. Volgens Van Eeden zou de Duitse regering achter de tournee zitten, Reinhardt moest de voortreffelijkheid van de Duitse kunst aantonen, opdat de Nederlanders de gruwelen van de Duitse soldaten zouden vergeten. Reinhardt was weliswaar, aldus Van Eeden, 'een Jood-Germaan van groot talent’, maar had toch ook negatieve kanten: 'Met echt-joodsche brutaliteit schrikt hij voor geen reclame terug, en zoekt zijn kracht in pompeuze uiterlijkheeden.’
Van Eeden vond de neiging om grote effecten te bereiken door bombarie ten koste van het zuivere, het innige en diepe, een speciaal kenmerk van de joods-Duitse cultuur. Een vertegenwoordiger daarvan was Wagner, van wie beweerd werd dat hij joods bloed zou bezitten. Zelfs Mahler verraadde zijn joodse aard.
De joodse Bettie Culp, de zuster van de zangeres Julia Culp, reageerde geschokt: 'Wat spijt me dat stukje van je in De Groene vreeselijk! Ik ben diep in mijn joodsche hart gekrenkt. Dat je zoo kunt schrijven doet me erge pijn. Ik kan je niet zeggen waarom ik het zoo erg vind, maar ik voel opeens in jou een anti-semiet en ik wist niet dat je zoo was. Ik voel me ver van je afstaan en denk dat ik nooit meer met Juul mooie muziek voor je zal maken. Het spijt me meer dan ik zeggen kan. Ik weet dat iedere Joodsche vrind van je door dit stukje geschokt zal zijn. Geloof me, ik begrijp anti-semitisme. Mijn beste vriend is een anti-semiet. Maar jij spreekt vanavond kwetsend, geringschattend, hoonend en daartegen komt mijn Joodsche bloed in opstand. Het spijt me heel erg.’
WILLEM ROYAARDS, met wie Van Eeden goed kon opschieten, was woedend en reageerde met een tegenstuk, dat de vorm had van een open brief. Van Eeden gebruikte Reinhardt om lucht te geven aan zijn anti-Duitse houding, vond Royaards. Het stuk keerde zich tegen Van Eeden zelf. Was Van Eeden soms vergeten, dat hij alle moeite had gedaan om zijn stukken bij Reinhardt onder te brengen? Was de afkeer van het joodse Berlijn zo groot? Het was immers een feit dat vele jonge toneelschrijvers hun stukken bij Reinhardt konden onderbrengen.
Van Eeden gaf in De Amsterdammer geen commentaar op Royaards’ stuk. Wel probeerde hij in de aflevering van 13 mei 1916 zijn houding te verklaren. Hij verzekerde dat hij niets tegen het jodendom had maar dat het, integendeel, zijn volste sympathie en bewondering had. En juist daarom wilde hij eigenschappen signaleren die de joden bij anderen antipathiek maakten. Ieder ras heeft nu eenmaal zijn gebreken, schreef Van Eeden. Juist omdat hij de joodse beweging zo schoon vond, ergerde hem het luidruchtige en het gebrek aan fierheid. Dat gold niet voor alle joden; Karl Liebknecht en Jacob Israel de Haan bewezen dat.
In december 1916 hield De Joodsche Wachter een enquete onder Nederlandse schrijvers en critici over de vraag of er typische verschillen waren tussen de literatuur van joodse en niet-joodse schrijvers. Eerder had Victor van Vriesland in een brochure de problematiek al aan de orde gesteld. Van de antwoorden die gegeven werden, was dat van Carry van Bruggen het verstandigst. Ze vroeg zich af of het wel juist was een kwestie te maken van joods en niet-joods.
Dat die kwestie niettemin aan de orde werd gesteld, had ongetwijfeld te maken met de opkomst van het nationalisme. Ook Van Eeden antwoordde dat er volgens hem typische eigenaardigheden bestonden, die bij joden meer voorkwamen dan bij niet-joden. Typisch voor de jood waren volgens hem diens grote activiteit en de daarmee samenhangende produktiviteit en ambitie. De jood liet zich nooit uit het veld slaan. Deze eigenschap had ook negatieve kanten en kon opgevat worden, volgens Van Eeden, als gemis aan fierheid en fijn gevoel. Er was bovendien de zucht naar uiterlijk succes en de daarmee samenhangende neiging tot reclame.
VAN EEDENS POSITIE als redacteur van De Amsterdammer werd steeds problematischer. Dat kwam onder meer omdat Van Hamel hem grote vrijheid had gegeven; hij kon over allerlei onderwerpen schrijven en zijn politieke voorkeuren duidelijk etaleren. In april en mei 1917 liet hij in twee stukken getiteld 'Het oorlogsdoel’ en 'Het republikeinsche beginsel’, duidelijk blijken dat hij een republikein was en niets van monarchie en nationalisme wilde weten. Van Hamel liet Van Eeden per brief weten dat hij grote bezwaren had tegen de antimonarchistische strekking van de stukken en dat ze niet geplaatst konden worden. Het was aldus Van Hamel strijdig met de aard en het belang van het blad en het zou Van Eeden geen goed doen als auteur. Van Eeden was teleurgesteld in Van Hamel. De stukken werden uiteindelijk wel geplaatst, maar mogelijk in afgezwakte vorm.
In de zomer deed zich weer een conflict tussen Van Eeden en de redactie voor. Toen Van Eeden, die op dat moment voor een politieke carriere had gekozen, een opruiend stukje had geschreven over de actuele politiek en dat in De Amsterdammer wilde plaatsen, distantieerden Van Hamel en Orobio de Castro zich daarvan. Ze vonden dat Van Eeden zich in het weekblad niet met de binnenlandse politiek moest bemoeien. De reeks conflicten zou tenslotte in 1922 eindigen met Van Eedens ontslag als redacteur.
Op donderdag 22 juni 1922 stond er in het katholieke dagblad De Tijd een stuk van Van Eeden over de tot het christendom bekeerde oosterse dichter Sadhu Sundar Singh. Er stond een onderschrift bij van Van Eeden: 'Bovenstaand artikel is door de redactie van het weekblad De Amsterdammer geweigerd, nadat ik weigerde de tussen () geplaatste zinnen te schrappen.’
Wat was er aan de hand geweest? In zijn artikel over de oosterse dichter had Van Eeden propaganda gemaakt voor het katholicisme. Singh verkeerde, aldus van Eeden, nog te veel in het duister om een groot mens en dichter te kunnen zijn: 'Hij, Sadoe Soendar Singh, kent de Kerk nog niet als de getrouwe Moeder die ons de weg ter zaliging verlichten wil.’
Het was volgens de redactiesecretaris Kees van Dam vooral deze alinea waar de redactie bezwaren tegen had. G. W. Kernkamp, die J. A. van Hamel was opgevolgd als hoofdredacteur van het weekblad, schreef aan Van Eeden een briefje, waarin hij voorstelde enige bekortingen aan te brengen. Verder herinnerde hij hem aan een vroegere afspraak dat Kernkamp mocht schrappen indien er gedeelten in het stuk voorkwamen die geheel buiten de geest van het blad gingen.
Er werd besloten de plaatsing van het stuk uit te stellen tot er met Van Eeden zou zijn gesproken. Maar tot verwondering van de redactie verscheen het stuk in De Tijd, met het aangehaalde commentaar. De redactie van De Tijd schreef de dag daarop een stuk 'Onder de liberale stolp’, waarin Van Eedens geweigerde stuk aanleiding was om van leer te trekken tegen de liberalen. Het was verkiezingstijd en men probeerde politieke munt te slaan uit deze affaire.
De redactie van De Amsterdammer verwachtte dat Van Eeden zijn ontslagaanvraag zou indienen. Maar die kwam niet. Wel verscheen hij op de volgende vergadering, maar bleef daar de hele tijd zitten zwijgen en lezen. Volgens Van Dam was aan zijn uiterlijk te zien dat hij kwaad was. 'De stand van zijn sik (recht vooruit, terwijl wijs- en middenvinger van zijn rechterhand de haren ombogen en de punt van zijn baardje tussen de tanden gebeten zat), en de bliksemende ogen (hij had vreemde ogen die onheilspellend konden flitsen) verraadden zijn innerlijke gespannenheid.’
Na de vergadering stond hij als eerste op en vertrok. De redactieleden waren met stomheid geslagen en vonden zijn houding van minachting getuigen. Hij had wel de kopij voor de volgende week afgegeven. Op de volgende vergadering werd gevraagd wat Van Eeden nu van plan was en of hij wilde aftreden. Hij zei dat hij dat niet van plan was. Er werd toen gestemd. Unaniem werd besloten dat hij moest vertrekken. Zwijgend verliet hij de vergaderruimte. In het volgende nummer van De Amsterdammer stond het bericht dat Van Eeden met ingang van 1 juli 1922 opgehouden had deel uit te maken van de redactie.