Redacteur scorsese

De eens zo fameuze en onontkoombare Cahiers du Cinema zijn al enige tijd niet meer de grote gids in het land der cinefielen. Wel zijn de Cahiers leesbaarder en degelijker dan ooit. Het recent verschenen vijfhonderdste nummer is daar een fraai voorbeeld van. In naam heet het dat niemand minder dan Martin Scorsese van dit jubileumnummer de hoofdredacteur was. Het nummer gaat voor een groot deel over Scorsese en is voortreffelijk gemaakt, maar een actieve rol heeft hij er niet in gespeeld.

Dat de Cahiers-redactie er toch aan hechtte hem als hoofdredacteur te presenteren, heeft te maken met een aardige en eerbiedwaardige traditie die werd ingezet toen het honderdste nummer voor de gelegenheid werd vormgegeven door Jean Cocteau, de dichter en schilder die in al zijn veelzijdigheid ook nog filmmaker was ook. Het tweehonderdste nummer was voor Henri Langlois, die de gelegenheid kreeg om zijn schepping, de Cinematheque, tegen de boze buitenwereld te verdedigen. De immer originele en laconiek- diepzinnige Jean- Luc Godard knipte en plakte het driehonderdste nummer tot een vernieuwend tijdschrift. Wim Wenders kreeg voor het vierhonderdste nummer de vrije hand om zichzelf tot middelpunt van de (film)wereld te maken. Een eervolle gelegenheid toch voor Scorsese, een gelegenheid die zich pas over een kleine tien jaar weer zal voordoen aan een cineast.
Scorsese liet zich door diverse Cahiers-redacteuren het hemd van het lijf vragen en samen met een gevarieerde reeks beschouwende artikelen komt uit de neerslag van die gesprekken een prikkelende biografie van een van de meest intrigerende Amerikaanse cineasten te voorschijn. Een cineast die meer lijkt op de hypernerveuze en sluw-paranoide personages uit zijn films dan ik had gedacht. Zo onthult hij hoe nauw de ondergang van de bokser Jake La Motta in Raging Bull is verbonden met zijn eigen bijna-ondergang in de late jaren zeventig, toen hij zich ophield in kringen van popmusici. Hij was nauw bevriend met Robbie Robertson, leider van The Band, waarmee hij de monumentale concertfilm The Last Waltz maakte. In het voetspoor van eerste- en tweede-rangs popsterren snoof, zoop en feeste Marty er op los, tot hij in Las Vegas in de armen van Isabella Rossellini zijn laatste adem dreigde uit te blazen. In een ziekenhuisbed in New York kwam hij langzaam weer tot leven en bezinning. Dat leidde uiteindelijk tot zijn spraakmakende Jezus-film The Last Temptation of Christ.
Scorsese is een fanatiek filmmaker met een aan het maniakale grenzend gevoel voor detail en perfectie. Des te opmerkelijker is het dat hij in de Cahiers-gesprekken ruimhartig onderstreept hoe belangrijk de bijdragen van enkele van zijn (vaak jarenlang trouwe) medewerkers zijn. Hij richt bijvoorbeeld in woorden een standbeeld op voor zijn cutster Thelma Schoonmaker. En Schoonmaker geeft op haar beurt een aardige kijk in de keuken door uit de doeken te doen hoe bewerkelijk en moeizaam de montage van Scorseses laatste film Casino is verlopen. Aan die montage is door Schoonmaker en Scorsese een jaar lang hard gewerkt. Als je bedenkt dat veel Hollywoodfilmmakers geen stap in de montagekamer (mogen) zetten, dan illustreert dit eenvoudig Scorseses bijzondere positie binnen de huidige Amerikaanse cinema.
En Scorsese heeft minstens nog een bijzondere kant. Weinig cineasten kijken naar de films van anderen, maar Scorsese vormt op die regel een wel zeer extreme uitzondering. Hij is een geobsedeerd cinefiel die veel ziet en herziet en niet zuinig is in het prijzen van de cineasten die hem hebben beinvloed. Als hij stelt dat hij niet kan tippen aan de kwaliteit en de rijkdom van cineasten als Bernardo Bertolucci en Stanley Kubrick lijkt dat geen valse bescheidenheid (al vind ik het voor Bertolucci te veel eer). Hij zet zich ook in voor het behouden en herwinnen van voor hem belangrijke films uit het verleden.
Scorsese heeft dit mooie jubileumnummer zeker verdiend en hij verdient het ook dat in het zeshonderdste nummer een gelegenheidshoofdredacteur toegeeft wezenlijk door Scorsese te zijn beinvloed.