Redden wat er te redden valt

Henry Roth, Boven Mount Morris Park schijnt een ster. Vertaling Rene Kurpershoek, uitgeverij De Bezige Bij. 394 blz., f47,50. Henry Roth, A Diving Rock on the Hudson. Uitgeverij Weidenfeld & Nicolson, London. 418 blz., f44,55
‘SILENCE, exile, and cunning.’ Het zijn de gevleugelde woorden van Stephen Dedalus, die hij uitspreekt aan het slot van A Portrait of the Artist as a Young Man (1916) van James Joyce. Stephen, schrijver in spe, wil los van familie, kerk en vaderland om zich zo volledig en vrij mogelijk uit te kunnen drukken. De enige verdedigingswapens zijn ‘zwijgzaamheid, ballingschap, sluwheid’, zoals Rene Kurpershoek het klassieke Joyce-credo vertaalt, geciteerd door Henry Roth in Boven Mount Morris schijnt een ster (1994).

Het is Roths eerste roman, na zestig jaar zwijgzaamheid, in een reeks van zes die - daar ziet het na twee gepubliceerde delen al naar uit - een imposant literair epos zal opleveren van een joods immigrantenbestaan in het Amerika van de eerste helft van de twintigste eeuw.
Waarom, zo vraagt Roths creatie Ira Stigman zich af in een van zijn de verhaallijn onderbrekende gesprekken met zijn computer Ecclesias - een literaire vondst die van Boven Mount Morris schijnt een ster een open roman maakt waarin de oude verteller Ira zich verstaat met en twijfelt aan zijn herinneringen aan de jonge Ira -, waarom had Joyce tot die leefregel besloten? ‘Hij had naar alle waarschijnlijkheid van de nood een deugd gemaakt. Hij was in zichzelf opgesloten geraakt, net zoals Ira in zichzelf opgesloten was geraakt, geketend in “kluisters door de geest gesmeed”, om Blake te citeren.’
In A Diving Rock on the Hudson, het tweede deel van Roths romancyclus, met als overkoepelende titel Aan de genade van een ruwe stroom, komt Ira terug op Joyce. En hoe! De extreme scheiding die Joyce aanbracht tussen de kunstenaar en de mens vindt Ira Stigman, die ik met enige schroom Roths literaire alter ego noem, 'afstotend’. En het moet gezegd worden: de grens tussen autobiografie en fictie is bij Roth flinterdun. Niet voor niets staat heel nadrukkelijk voorin A Diving Rock on the Hudson dat de vertelling niet als een autobiografie mag worden gezien. Een waarschuwing die wellicht zijn oorsprong vindt in het, ook in literair-technisch opzicht, zeer verrassende incest-fragmenten in het boek.
Ondanks de verhulde aankondigingen duikt van de ene zin op de andere, als een deus ex machina, Minnie op, het jongere zusje van Ira dat zeshonderd pagina’s lang niet heeft bestaan. Ira Stigman was toch enig kind? Wat moet de lezer met deze plotselinge gezinsuitbreiding, midden in een roman? Is het onbeholpenheid of een virtuoze kunstgreep? Bestaat Minnie wel of is het een hardnekkige projectie van Ira, bij wie fantasie en werkelijkheid zeer dicht bij elkaar liggen en elkaar soms overlappen? De oude Ira Stigman legt zijn dilemma aan zijn vertrouwde computer Ecclesias voor: 'Hadden ze kunnen geloven dat er nooit een zuster heeft bestaan? Nee. Het verhaal kan niet verder gaan zonder dat toe te geven. En de literaire kwaliteit kan me geen donder schelen, vriend Ecclesias.’ MINNIE WORDT in A Diving Rock on the Hudson tot literair leven gewekt nadat Ira een hoer heeft bezocht en na zijn emotionele filippica tegen de artificiele 'nepjood’ Leopold Bloom in Ulysses van James Joyce. Ira leeft in twee werelden, als Jekyll/Hyde. Hij is zowel open als gesloten, leeft aan de oppervlakte en in de diepte. 'Joyce verdeelde zichzelf in een oppervlakkige jood en een Ierse superintellectueel.’
Het verzinnen van een zuster met wie Ira elke zondag neukt, kan ik niet anders interpreteren dan als een aanklacht tegen joyceaanse kunstmatigheid, tegen de kilheid van diens personages. Niet toevallig heeft Ira Stigman het over de zuster van Joyce die non werd en over Joyce’s hoerenloperij. Het ontbrak Joyce - die door Ira Stigman op gezag van Ezra Pound (!) een antisemiet wordt genoemd - aan de moed om teder te zijn, om sensibel te schrijven. Maar natuurlijk is alles dubbel: Ira Stigman en Henry Roth, die niet samenvallen, moeten eerst een literaire vadermoord plegen om daarna hun portret van de kunstenaar als jongeman te kunnen schrijven, een schitterend portret dat tevens een hommage aan de 'rondtrekkende fluitspeler uit Dublin’ is. Schrijven is de enige redding tegen zelfontkenning en joodse zelfhaat. Het componeren van romans verschaft je een identiteit, schept eenheid.
Zo eindigt deel twee van Aan de genade van een ruwe stroom. Ira Stigman schrijft zijn 'Impressies van een loodgieter’ en wordt door het City College van New York ontdekt als eigenzinnig talent. Hij is nog te redden, deze jongen van twaalf ambachten en dertien ongelukken, deze achterbakse leugenaar, dief, halfgare jood en incestpleger. Maar dat de literatuur het enige houvast van Ira Stigman wordt, zit al verborgen in het eerste deel Boven Mount Morris Park schijnt een ster. Wat er na die ene roman had moeten gebeuren, zegt Ira Stigman als oude man, was duidelijk: schrijven, met andere woorden 'redden wat er te redden valt, sleetse herinneringen glinsterend in het geheugen’. Zo komt Ira onder alle stigma’s uit, al schrijvend en met steun van zijn vrouw M., een componiste, kan hij de zelfverloochening tot een samenhangende identiteit ombouwen en de geslotenheid van zijn seksueel verziekte wereldje doorbreken.
HEEL LANG zwijgen kan veelzeggend zijn. Zestig jaar lang was Call it Sleep de enige roman van Henry Roth. De roman ontwikkelde zich tot een klassieker in de Amerikaanse literatuur. En nu we weten dat de 89-jarige Roth daar, na een tientallen jaren durende schrijfblokkade, een zesdelige roman van minstens tweeduizend bladzijden aan heeft toegevoegd, is Call it Sleep opeens de proloog geworden van een epos, een roman die naadloos aansluit op Boven Mount Morris Park schijnt een ster. De zwijgzaamheid van Roth heeft uiteindelijk een monument in aanbouw opgeleverd (nog vier gereedliggende romandelen wachten op publikatie) dat alleen al door zijn gedetailleerde, beeldende beschrijvingen van het Harlem van de jaren 1914-1929 uniek is.
Noem het slaap (1934), dat volgend voorjaar in een nieuwe vertaling van Kurpershoek uitkomt, roept een geheimzinnige kinderwereld op vol symbolen en visioenen en flitsende taalwendingen. Het is een Bildungsroman waarin traditie en vernieuwing, dat wil zeggen naturalistische vertelkunst en joyceaanse technieken samengaan. Taal, identiteit en macht vormen het kernthema van Roths debuut.
Alles in Noem het slaap gebeurt via de ogen en oren van de piepjonge David, in de romancyclus tot Ira Stigman omgedoopt. Met zijn moeder arriveert de tweejarige David in 1908 vanuit het Europese Galicie in de Nieuwe Wereld. Maar het beloofde land is nog niet voor hen bestemd. De immigrant moet eerst de nieuwe taal leren en een vaste plaats in het harde stadsleven veroveren. Davids ouders lijken op die van Ira Stigman. De vader is een mislukkeling, een harteloze boeman die Amerika niet aankan. De moeder is zijn reddingsboei. Het gezin verkeert in een maatschappelijk isolement en David blijft, evenals Ira, een gesloten boek, zelfs voor zijn eigen moeder: 'De kluwen waar de kat mee gespeeld heeft is gemakkelijker te ontwarren dan mijn zoon.’
In staccato-achtige zinnen geeft Roth de springerige verbeelding van de kindergeest weer, een fantasie die uit de beklemming van het niet-weten (het raadsel van de seksualiteit bijvoorbeeld, die in Boven Mount Morris Park schijnt een ster door twee halve aanrandingen in een park en op school tot 'een onontkoombare bezoedeling’ uitgroeien) wil komen en daarom permanent in beweging blijft. Wanhopig probeert David in de Lower East Side aansluiting bij andere kinderen te krijgen, waarbij hij het antisemitisme leert kennen. Dat antisemitisme krijgt een economische dimensie als het gezin Stigman aan het begin van Boven Mount Morris Park schijnt een ster verhuist naar een niet-joodse buurt, de 119de Straat in de Ierse wijk van Harlem.
De geladenheid van Noem het slaap ontstaat niet alleen door de sluier die voor het kinderoog van David hangt, maar ook door een groot geheim dat zijn moeder koestert en dat hij afluistert. Is hij wel het kind van zijn vader? Zijn afkomst lijkt een raadsel. De beschermende vallei tussen de zachte borsten van zijn moeder dempt de angst. Zij is 'die ene kaarsrechte zuil in deze algehele ondergang’. Het is dezelfde moeder die, geplaagd door gezinszorgen, in de romancyclus een welhaast filosofische aanklacht formuleert als oom Louie, postbode en utopisch socialist, vruchteloze pogingen onderneemt om haar te verleiden: 'Kan men welgesteld zijn zonder middelen; zo ben ik jong zonder jeugdige gedachten.’
IN DE EERSTE twee delen van Roths romancyclus wordt die in zichzelf gekeerde joodse immigrantenwereld opengebroken doordat de bijna tachtigjarige verteller voortdurend in gesprek is met computer Ecclesias. De grenzen in tijd en plaats worden verruimd. De oude verteller haalt de wereld binnen, mijmert over terrorisme en het bestaan van Israel, zijn vrouw M. en niet in de laatste plaats over het schrijven. Papa is nog steeds melkboer en doet verwoede pogingen zelfstandig ondernemer te worden, wat niet lukt door zijn naiviteit, eigenwijsheid en onbekendheid met Amerika. Na vele mislukte baantjes wordt hij kelner. Ira gaat naar school, krijgt leeshonger, heeft tientallen veelal vernederende baantjes en lijkt evenals zijn vader hopeloos te mislukken: slechte cijfers op school, laf gedrag, onhandigheid. Roth schrijft schitterende passages over de 'slijtage van zijn identiteit’, 'het zaad der verloochening’ dat door het rabiate antisemitisme wordt gezaaid, en de troost die de openbare bibliotheek biedt. Hij leest graag sprookjes en legenden, maar ook Twain, Hugo, Poe, London en Coleridge. Al lezend ontkent hij zijn jood-zijn. Zijn jodendom is niet meer dan 'een berg puin’. De verbeelding beurt hem op. 'Vreemd hoor, wat je je kon verbeelden als je wilde. En je wilde het, en wist bijna waarom.’ (uit: Boven Mount Morris Park schijnt een ster.)
Henry Roth zet een kinderwereld in ontwikkeling neer die mede dank zij de intermezzi van de oude verteller, die eens de adolescent Ira Stigman was, uitgroeit tot een verhaal dat zichzelf voortdurend becommentarieert zonder dat het irriteert. De onzekerheid van de verteller, die zelf vader is en problemen met zijn zoon heeft, wordt de onzekerheid van de lezer. Zijn herinneringen na zestig jaar nog wel herinneringen? Moeten de beschrijvingen van de kleine kinderwereld niet worden afgewisseld met exposes over de Eerste Wereldoorlog, de drooglegging, de roaring twenties of de economische ontwikkeling van Amerika? Dat gebeurt ook, maar terloops, bij voorbeeld in weergaloze beschrijvingen van het 'wegwerken’ van de drankvoorraden van het bedrijf Park en Tilford, waarvoor Ira werkt.
A DIVING Rock on the Hudson begint met wat in een eerdere versie het slot was van Boven Mount Morris Park schijnt een ster: Ira steelt een zilveren vulpen van een van zijn klasgenoten nadat hij zelf enkele keren bestolen is. Die diefstal heeft verstrekkende gevolgen. Ira, die aanvankelijk de diefstal ontkent en bijna een vriend in zijn leugenachtige wereld betrekt, wordt van school gestuurd. Hij raakt beschadigd. Het duurt nog jaren voordat hij de literatuur ontdekt en een aanvaardbaarder zelfbeeld, een minder afstotelijke identiteit kan scheppen.
De vulpen moet hij teruggeven aan de eigenaar. Ira overweegt zelfmoord te plegen door in de Hudson te springen. Maar aan het slot van A Diving Rock on the Hudson verovert hij het schrijfgereedschap. Geheel op eigen kracht en buiten de opdracht om schrijft hij zijn eerste literaire verhaal. Hij, 'Prufrock uit de achterbuurt’, laat vriend en vijand versteld staan. Eindelijk, na vele omwegen en een verkeerde studiekeuze (biologie aan het City College van New York), heeft hij zijn bestemming gevonden. Inspiratiebron is onder andere een literatuurdocente met wie Ira’s middenklasse-vriend Larry een verhouding heeft. Maar Ira troeft zijn vriend af, die ook literaire aspiraties heeft maar daar niet alles voor over heeft. Zijn verhaal is de ultieme verleiding, van de literatuurdocente en van de lezer.
Henry Roth heeft na tientallen jaren zwijgen met de eerste twee delen van zijn romancyclus Aan de genade van een ruwe stroom bewezen dat Noem het slaap terecht een klassieke Amerikaanse roman is geworden. Het is niet overdreven om Roths epos in aanbouw te vergelijken met USA van John Dos Passos en, ondanks alles, met de eerder genoemde meesterwerken van James Joyce.