Redding voor vluchtelingen?

Dat het vluchtelingensysteem zoals dat na de Tweede Wereldoorlog in het Vluchtelingenverdrag van Genève vorm kreeg niet meer geschikt is voor de noden van de 65 miljoen mensen die wereldwijd op de vlucht zijn, valt nauwelijks te betwisten. Maar hoe een hervormd systeem eruit moet komen te zien is ongewis. Migratiedeskundige Alexander Betts en ontwikkelingseconoom Paul Collier doen in Refuge een ambitieuze poging om zo’n nieuw raamwerk te bieden. Het idee voor het boek ontstond tijdens een bezoek van beide Oxford-professoren aan Jordanië. Even buiten het Zaatari-vluchtelingenkamp, thuis van meer dan honderdduizend vluchtelingen, bezochten ze een speciale economische zone: een industrieel complex waar vluchtelingen die nu op hun handen zitten in het nabijgelegen kamp zich economisch nuttig zouden kunnen maken. Als politiek en bedrijfsleven de handen ineen slaan kunnen ze daar aan de slag voor multinationale bedrijven en krijgen hun producten belastingvrij toegang tot Europese markten, bedachten Betts en Collier.

De zones staan centraal in de oplossing die Betts en Collier aandragen in Refuge, dat het midden houdt tussen een manifest en een beleidsadvies. Ze zouden ervoor zorgen dat vluchtelingen niet langer in onzekerheid hoeven te verkeren. Gastland Jordanië ondervangt een veiligheidsprobleem en profiteert economisch, zelfs herkomstland Syrië kan bij een toekomstige wederopbouw meeprofiteren van de nabijheid van arbeidskrachten en bedrijvigheid. En de rijke donorlanden houden vluchtelingen buiten de deur. Globalisering kent in de benadering van Betts en Collier alleen maar winnaars. Werkte het maar zo makkelijk.

Medium hh 63752280
Het Zaatari-vluchtelingenkamp in Mafraq, Jordanië © Shen Yang Xinhua / Eyevine / HH

Colliers achtergrond als ontwikkelingseconoom schijnt duidelijk door in de theoretische onderbouwing van het argument. Daarin staat de theorie van het comparatieve voordeel centraal. In deze invloedrijke internationale handelstheorie van David Ricardo specialiseren landen zich in de productie van goederen waarin ze een comparatief voordeel hebben. Voor ontwikkelingslanden zijn dat vaak arbeidsintensieve goederen, die zijn daar immers goedkoper. In ruil voor kapitaal en technologie van de rijke landen en hun multinationale bedrijven creëren ze via vrijhandel een win-win-situatie voor alle betrokkenen. Critici zien de theorie juist als een belemmering voor ontwikkelingslanden om zelf de technologie en het kapitaal op te bouwen die nodig zijn voor hun economische ontwikkeling.

Hoewel Betts en Collier een aantal rake observaties doen in hun analyse – het systeem dat oorspronkelijk bedoeld was voor bescherming van mensen die in eigen land vervolgd werden is verworden tot een ontoereikende, permanente humanitaire hulpindustrie en de weeffouten in Schengen (geen gemeenschappelijke controle van de buitengrenzen) liggen ten grondslag aan de politieke crisis binnen de EU in 2015 – gaan ze ook geregeld kort door de bocht.

De rol van westerse actoren in wapenhandel en het exporteren van conflict over de grens blijft onbenoemd

Niet alleen wordt een te rooskleurig beeld geschetst van wat globalisering en vrijhandel kunnen betekenen, ook is er weinig aandacht voor het politieke aspect van het vluchtelingenvraagstuk. Er zijn tal van factoren, zoals mogelijke etnische of religieuze spanningen, waardoor landen vluchtelingen niet in de eerste plaats als een economische kans zullen zien. Ook internationaal is de denkrichting van westerse landen en bedrijven als redders op afstand problematisch. De niet geringe rol van westerse actoren in wapenhandel en het exporteren van conflict over de grens blijft in het boek onbenoemd.

In hun poging een humanitair probleem om te vormen tot een ontwikkelingsprobleem komen mensenrechten er bekaaid vanaf. De gerede twijfel over potentiële uitbuiting van vluchtelingen in de speciale economische zones wordt afgedaan als gering. Het monitoren door internationale organisaties en media en de te lijden reputatieschade van bedrijven volstaan volgens de auteurs om die zorgen te ondervangen.

Door het boek heen blijkt bovendien een gebrek aan aansluiting bij de belevingswereld van vluchtelingen. Hoewel de auteurs continu de nadelen van het leven in onzekerheid benadrukken, stellen ze voor om vluchtelingen tot wel tien jaar te laten wachten op de mogelijkheid tot hervestiging. En hoewel het klopt dat vluchtelingen werk vaak als het belangrijkste middel voor integratie zien, geldt dat niet ten koste van alles. Veiligheid en de mogelijkheid van het opbouwen van een menswaardig bestaan zijn onmisbare voorwaarden, en die ontbreken nogal eens in de landen die in de plannen van Betts en Collier voor de opvang moeten zorgen.

Als de mogelijkheden in verschillende landen wereldwijd zo ver uit elkaar blijven liggen als ze nu doen, zal een groot aantal mensen op de vlucht blijven zoeken naar manieren om hun leven te verbeteren. In een ander Syrisch buurland, Turkije, wordt het leven van vluchtelingen ondanks de Europese gelden van de EU-Turkije-deal steeds nijpender, vanwege het gebrek aan juridische bescherming en een toenemend anti-Syrisch sentiment. Een vergelijkbaar verhaal geldt voor de situatie in veel gastlanden nabij conflictgebieden, waar negentig procent van de vluchtelingen wereldwijd verblijft.

Vluchtelingen hebben een minimale bestaanszekerheid nodig: toegang tot werk, onderwijs en gezondheidszorg. In het boek wordt niet duidelijk hoe Betts’ en Colliers ideeën daaraan bijdragen. In plaats daarvan versterken hun plannen bestaande problematische paradigma’s: de rol van westerse landen als donoren die vluchtelingen buiten de deur houden en ontwikkelingslanden ‘in de regio’ als opvanglanden die daarvoor moeten zorgen. Daarmee is Refuge niet de oplossing van het vluchtelingenvraagstuk, maar eerder een gemiste kans en een uitnodiging voor andere denkers om ideeën te ontwikkelen die structurele factoren niet over het hoofd zien en die de behoeften van vluchtelingen beter begrijpen en adresseren.