D66 in crisis

Redelijk destructief

Komend weekend zal D66 op haar voorjaarscongres proberen uit te leggen wat de partij de afgelopen jaren in Paars heeft klaargespeeld. Dat zal niet makkelijk worden. De grootste prestatie van D66 is het samenbrengen van VVD en PvdA, maar Paars III wordt niet de inzet van de verkiezingen.

«D66 maakt het verschil» luidt de verkiezingsslogan die de kleinste regeringspartij afgelopen maandag bij de presentatie van de kandidatenlijst onthulde. Vanaf aanstaande vrijdag en zaterdag zullen de Democraten in het Amsterdamse hotel Krasnapolsky proberen duidelijk te maken wat het smaldeel D66-bewindslieden en kamerleden de laatste jaren in Paars I en Paars II zoal heeft klaargespeeld. In de sandwich tussen sociaal-democraten en liberalen is het de laatste jaren maar weinig gelukt dit over het voetlicht te brengen. Was voorzetting van de paarse coalitie in 1998 nog inzet van de verkiezingen — «Zonder D66 geen Paars» was een van de leuzen — nu zal de partij «de eigen successen» breed gaan uitmeten.

Het tijschrift van het wetenschappelijk bureau van D66, Idee, drukte eind vorig jaar ter gelegenheid van het 35-jarig jubileum van het «Appèl aan iedere Nederlander die ongerust is over de ernstige devaluatie van onze democratie», het oprichtingsmanifest waarmee de partij in september 1966 begon, een gesprek af tussen vier oud-fractievoorzitters en de huidige politiek leider Thom de Graaf. De zesde D66’er die ooit de kamerfractie leidde, de landbouwminister Laurens-Jan Brinkhorst, was verhinderd. Gezelligheid troef, daar in de D66-fractiekamer. De vijf mannen haalden herinneringen op, vertelden anekdotes en waren overwegend trots op de behaalde resultaten. Behalve Hans van Mierlo. Hij leek wat sceptisch. «Als D66 niet was opgericht, dan zouden we dat alsnog moeten doen», zei hij. Gerrit Jan Wolffensperger, die na het eerste paarse kabinet in 1998 naar de NOS vertrok, leek meer tevreden over de verwezenlijkte actiepunten. «Maar Hans, kun je niet zeggen dat wat wij beloofden voor het grootste deel ook tot stand is gekomen? Merkwaardigerwijs niet staatsrechtelijk maar meer langs politieke weg, met een nieuw kabinet en een nieuwe manier van politiek bedrijven? Ik denk dat D66 heel veel tot stand heeft gebracht, en daar heel trots op mag zijn, maar het is voor mij enigszins de vraag of je met de thema’s van 1966 nog de boer op kan. Geen mens loopt nog warm voor de gekozen burgemeester.»

Hoe het ook zij, inmiddels loopt ook geen mens meer warm voor D66. In opiniepeilingen staat de partij er tamelijk hopeloos voor: wanneer er op dit moment verkiezingen voor de Tweede Kamer zouden zijn, dan zou D66 volgens Interview/NSS slechts zes zetels behalen, een verlies van acht. Als D66 inderdaad een «comeback kid» is, zoals Thom de Graaf eind vorig jaar verwachtingsvol vaststelde, dan is er nog een lange weg te gaan. De verkiezingspiek van 24 zetels in 1994 was weliswaar geflatteerd — omdat CDA en PvdA vier jaar eerder in Lubbers III uiteindelijk zonder D66 gingen regeren, liepen ontevreden kiezers massaal over naar D66 — maar zes zetels is wel heel erg karig voor een partij die nu nog met drie ministers en twee staatssecretarissen in het kabinet vertegenwoordigd is.

Dat is nog niet eens het enige probleem. Vooral ook buiten Den Haag is de partij op sterven na dood: terwijl voor de Tweede-Kamerverkiezingen deze week een lijst van liefst zestig kandidaten werd gepresenteerd, zijn voor de gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart nauwelijks beschikbare mensen te vinden. In Noord-Holland is D66 in een aanzienlijk deel van de gemeenten domweg niet verkiesbaar, zo bleek vorige maand.

«Het ontbreekt D66-politici vaak aan vechtersmentaliteit. Er wordt op basis van redelijke argumenten weliswaar uiterst beschaafd gediscussieerd, maar uiteindelijk werkt het zo niet in de politiek», zegt Menno van der Land, die dit jaar met een proefschrift over D66 zijn doctorstitel hoopt binnen te halen. UvA-politicoloog Philip van Praag: «Als het erop aankomt, dan kunnen ze geen vuist maken. Ze zijn bijna té fatsoenlijk, een té redelijk alternatief.» S.W. Couwenberg, emeritus hoogleraar staatsrecht en kandidaat-kamerlid voor Leefbaar Nederland: «Politiek is een tamelijk ordinaire aangelegenheid en D66-mensen zijn uiteindelijk niet hard genoeg voor het métier.»

Alleen bij D66 volgt op een dramatisch zetelverlies steevast de oproep de partij nu maar eens op te doeken. Niet het stelsel is ontploft maar D66 zelf, grappen de politiek commentatoren dan. De partij was bovendien ooit opgericht als een tijdelijke beweging met een duidelijk doel: het opblazen van de Nederlandse politiek. Met de in 1994 begonnen samenwerking tussen de erfvijanden uit liberale en sociaal-democratische hoek zou de partij van Van Mierlo zijn langste tijd wel hebben gehad. Het CDA was voor het eerst in lange tijd buitenspel gezet en eindelijk konden eens wat slepende kwesties worden opgelost. Maar omdat er in de Nederlandse politiek nog nooit een partij is opgeheven nadat de doelstellingen bereikt waren, bestaat ook D66 nog steeds. Zij het na de verkiezingen van dit jaar hoogstwaarschijnlijk in nogal afgeslankte vorm.

Voor de leegloop van D66 zijn natuurlijk tal van mogelijke verklaringen aan te dragen. Hans van Mierlo — zijn vertrek als partijleider is in zekere zin ook al een van die verklaringen — gaf er in een interview onlangs nog een positieve metaforische draai aan. De marginalisering van D66, zei Van Mierlo, is nu eenmaal inherent aan het doel dat de partij zich in 1994 in de formatie gesteld heeft: het bij elkaar brengen van VVD en Partij van de Arbeid. Van Mierlo: «Als je een brug slaat, dan moet je niet verbaasd zijn dat er over je gelopen wordt.»

De huidige partijtop lijkt echter wél wat verbaasd en zal in de campagne proberen de inhoudelijke successen onder Paars beter te presenteren. Op het laatste congres van de partij (november 2001) werd duidelijk met welke thema’s D66 de boer op wil. Voorzitter Gerard Schouw en lijsttrekker Thom de Graaf roemden toen de inzet van D66 bij bijvoorbeeld het homohuwelijk, de afgeronde euthanasiewetgeving en zelfs het correctief referendum.

Onder de twee paarse kabinetten is de besluitvorming over deze items inderdaad tot stand gekomen. En omdat D66 de partij is die in 1994 de samenwerking tussen PvdA en VVD mogelijk maakte, komt de partij zeker eer toe. «Het paarse kabinet is in receptuur een macro-uitvoering van D66 zelf», zei Hans van Mierlo immers al eens. En kleurenblind geworden door de paarse soep pleitte Hans Wijers in een verloren ogenblik ooit zelfs voor de oprichting van een heuse paarse politieke partij.

Het is echter de vraag wat er was gebeurd als het CDA de afgelopen jaren gewoon had doorgeregeerd en zich niet vanuit de oppositie extra had moeten profileren en het kabinet op voorhand kritisch zou benaderen. Het homohuwelijk, steeds het eerste thema dat trotse D66’ers noemen, was er dan misschien niet gekomen. Hoewel, toen in 1986 het CDA als regeringspartij aan het COC, de belangenvereniging voor homoseksuelen, vroeg of het burgerlijk huwelijk opengesteld diende te worden voor niet-heterostellen, bleek er bij deze organisatie nog geen belangstelling te zijn. De Leidse politicologe Margo Trappenburg, die voor het laatste jaarboek van de Wiardi Beckman Stichting (WBS) van de Partij van de Arbeid een onderzoekje deed naar de invloed van Paars op wetgeving in morele kwesties, laat overtuigend zien dat voor meer dossiers geldt dat Paars (en dus ook D66) niet direct doorslaggevend is geweest. Er zijn van 1994 tot 2000 weliswaar in verhouding tot andere kabinetsperiodes meer morele kwesties door de politiek zelf op de agenda gezet, maar veel dossiers zijn al begonnen onder de diverse CDA-kabinetten. Als oppositiepartij bleek het CDA, volgens Trappenburg, meer gebrand op het bewaken van christelijke waarden dan toen de partij nog in het centrum van de macht opereerde. De eerste progressieve wijzigingen in de euthanasiewet zijn zelfs al onder het CDA ingezet. Niettemin waren de sociaal-liberalen van D66 wel «dé voortrekkers in de vormgeving van het Nederlandse euthanasiebeleid», zoals de historicus James Kennedy schrijft in zijn vorige week verschenen boek Een weloverwogen dood. Kennedy noemt D66 daarom gemakshalve de «euthanasiepartij».

In medisch-ethische kwesties bleek op de keper beschouwd het paarse beleid vaak een voortzetting van de onder het CDA ingeslagen weg. Natuurlijk, een pleidooi als dat van D66-minister Borst voor de pil van Drion is voor veel CDA’ers, of ze nu wel of niet aan de macht zijn, vloeken in de kerk. Maar voor dit thema heeft Borst sowieso maar weinig handen op elkaar gekregen. Haar uitspraken werden per slot van rekening geen beleid. «Inhoudelijk deed Paars voor negentig procent wat eerder al onder Lubbers gebeurde», aldus Bart Tromp, een van de redacteuren van het WBS-jaarboek.

Hoewel enkele morele kwesties, met een beroep op zelfbeschikkingsrecht van individuen, vanaf het begin tot de kroonjuwelen van D66 hebben gehoord, heeft de partij zich in de 35 jaar van haar bestaan toch vooral geroerd op het vlak van de politieke en staatkundige vernieuwing. Maar of daar door de partij van De Graaf en de zijnen nu zoveel «verschillen zijn gemaakt», is ook alweer de vraag. Een gekozen minister-president en een rechtstreeks gekozen burgemeester heeft Nederland in ieder geval nog steeds niet. Het referendum, dat overigens niet van begin af aan een strijdpunt van D66 was, is in de afgelopen jaren onder de ogen van D66-bewindslieden volledig uitgekleed. Het is «een slap aftreksel van het origineel» geworden, vindt Philip van Praag. De belangrijkste concessies zijn al bij de totstandkoming van het eerste paarse kabinet gedaan, zegt hij. Zo is er, naar de mening van Van Praag, een «te hoog» aantal handtekeningen nodig om tot een referendum te komen. Ook zijn bepaalde maatgevende onderwerpen niet referendabel verklaard. Van Praag: «D66 heeft zich altijd op het thema geprofileerd, maar men heeft er nooit heel serieus over willen nadenken. Dat is een nogal amateuristische, typische D66-manier van politiek bedrijven, waarbij je nogal snel onder de voet gelopen wordt.»

En dat terwijl het voor de partij in 1994 bij de vorming van Paars zo anders had kunnen lopen. D66 opereerde na de verkiezingswinst vanuit een extreem machtige positie: zonder D66 in de formatie te betrekken was er in alle redelijkheid geen kabinet mogelijk. Met die sleutel op zak had D66 de onderhandelingen over het regeerakkoord harder kunnen spelen, meent Van Praag. «D66 was domweg nodig voor welke coalitie dan ook. Ze konden Paars forceren, maar hebben er uiteindelijk niet zoveel uit weten te slepen.» «Mijn inschatting is dat Hans van Mierlo als hij het echt hard gespeeld had zelfs wel minister-president kon worden», zegt Bart Tromp.

Maar Van Mierlo werd geen minister-president. En de politieke vernieuwing liet hij over aan Hans Dijkstal (VVD), die daar niet bepaald warm voor liep. Zelf koos Van Mierlo ervoor om op het meer prestigieuze departement van Buitenlandse Zaken vier jaar lang de scepter te zwaaien. «Dat was werkelijk een afgang voor D66», vindt professor Couwenberg, die de directe democratie tegenwoordig namens Leefbaar Nederland predikt. «Van Mierlo heeft toen voor zichzelf gekozen en de politieke vernieuwing laten zitten. Die Dijkstal had daar natuurlijk helemaal geen zin in.»

D66-kenner Van der Land: «Partijleider, vice-premier én minister van Buitenlandse Zaken — dat was wat veel van het goede. Van Mierlo dacht dat de toegevoegde waarde van Paars wel zou blijken uit het kabinet zelf en D66 leunde vanaf 1994 comfortabel achterover om nu pas te ontdekken dat de partij zich op een aantal punten sterker zal moeten profileren.»

In mei 1999 lukt dat aardig, met die profilering. Bij de stemming in de Eerste Kamer over de paarse referendumwet dreef D66 de discussie op de spits toen bleek dat enkele VVD’ers te kennen hadden gegeven dat ze overwogen tegen het kabinetsvoorstel te stemmen. De Tweede-Kamerfractie van D66 zou haar steun aan het kabinet opzeggen als de VVD’ers zich niet aan het regeerakkoord zouden houden en de referendumwet niet door de Senaat kwam. In wat de Nacht van Wiegel is gaan heten, lukte het inderdaad niet de tweederde meerderheid voor de grondwetswijziging te krijgen en op 19 mei 1999 viel het kabinet. Net zo makkelijk zat Thom de Graaf een week later aan tafel bij informateur Herman Tjeenk Willink, die het kabinet uiteindelijk weer aan elkaar plakte. Van der Land: «Dat is inderdaad het beeld dat is blijven hangen. Hoewel ik het terecht vind dat men bij de besluitvorming over het correctief referendum heeft doorgezet en ook uitstekend begrijp dat men na de val van het kabinet weer om de tafel ging, kwam D66 na de Nacht van Wiegel naar buiten toe nogal opportunistisch over. Het was heel redelijk om te lijmen, men vond dat een aantal dossiers domweg nog afgehandeld moest worden, maar na de Nacht van Wiegel is het met het imago van D66 niet meer goed gekomen.»

Voor Paars II was D66 al niet meer nodig. VVD en PvdA behaalden in 1998 voldoende zetels om samen te kunnen doorregeren. In het qua samenstelling sowieso wat minder sprankelende tweede paarse kabinet slaagde D66 er niet in met frisse bewindspersonen van het kaliber Wijers of Sorgdrager voor de dag te komen. Landbouwminister Hayo Apotheker, eens gevierd burgemeester te Leeuwarden, trad bovendien al af nog voor zich ook maar één mestschandaal of serieuze veeziekte had voorgedaan. Het lukte de kamerfractie ondertussen niet met een eigen verhaal te komen. De immer aanwezige Boris Dittrich — derde op de maandag gepresenteerde kandidatenlijst — daargelaten. Hij is echter weer in mindere mate een representant van de genuanceerd wikkende en wegende hoofdmoot van het «redelijk alternatief».

Van der Land: «D66 zal zich meer moeten profileren, niet door weer aan te komen met een gekozen burgemeester en een districtenstelsel, maar ook zeker niet door een campagne te gaan voeren die gebaseerd is op de resultaten van twee perioden Paars. Die zelfgenoegzaamheid past een D66 van acht zetels niet. En inzetten op een volgend paars kabinet lijkt me al helemaal desastreus.»

Tromp: «De grootste verdienste is dat D66 de PvdA en de VVD nader tot elkaar heeft gebracht, waardoor nu na acht jaar Paars het politieke veld compleet open ligt. Alle coalities zijn eigenlijk mogelijk.»

Ondertussen groeit Leefbaar Nederland. In de peilingen staat de partij nu ongeveer op het aantal zetels dat D66 bij de verkiezingen van 1994 veroverde. Niet dat de partij van Fortuyn cum suis werkelijk concurrentie is voor D66, maar onder aanvoering van professor Couwenberg — en eerder ook met Nagel en Westbroek — zijn de Leefbaren er wel met het staatkundig program van D66 vandoor. En het lijkt de nieuwe partij geen windeieren te leggen, hoewel het succes van Leefbaar Nederland waarschijnlijk meer te maken heeft met Pim Fortuyn als lijsttrekker. «D66 kan ook maar geen afstand doen van die politieke vernieuwing», zegt Philip van Praag. «Scoren kunnen ze er echter ook niet meer mee. De kiezer vindt die thema’s gewoon niet belangrijk genoeg.»

Couwenberg: «Leefbaar Nederland weet met thema’s als veiligheid op straat het bredere publiek aan te spreken en pikt ondertussen nog even de staatkundige vernieuwing mee. Eigenlijk is Leefbaar Nederland best progressief: wij zouden ook wel zo’n ontploffing van het oude bestel willen. Maar in 1966 was de tijd er gewoon nog niet rijp voor. Misschien dat er toen bij een intellectuele en culturele bovenlaag ruimte was voor vernieuwing, maar de basis wist men niet te bereiken. In de Nacht van Wiegel heeft D66 zich sterk gemaakt voor een lege dop. Van wat ik een referendum noem, was toen al haast niets meer over.

Van Mierlo heeft zich misschien wel hard ingezet voor politieke vernieuwing, zijn partij is in wezen nooit echt geïnteresseerd geweest in vormen van directe democratie. Jan Terlouw heeft zich als D66-leider bijvoorbeeld nooit om het referendum bekommerd. Pas in 1987, toen de commissie-Biesheuvel daarover een raprover een rapport gepubliceerd r een rapport gepubliceerd had, zijn ze omdat ze zo weinig succes met andere punten hadden, overstag gegaan. Als puntje bij paaltje komt, is ook D66 een elitaire partij. Het volk mag best een woordje meespreken, vinden ze, maar het moet wel op een zekere afstand blijven. Alles op een rij zettende ben ik behoorlijk teleurgesteld. D66 heeft zelfhandhaving toch steeds belangrijker gevonden dan politieke vernieuwing.»