Redeloze passie

JAN SIEBELINK
SUEZKADE
De Bezige Bij, 382 blz., € 19,90 / € 24,90 (geb.)

Wonderbaarlijk hoe een roman je kan verrassen, betoveren. Geheel uit onverdachte hoek komt die betovering weliswaar niet, maar toch. Blijkbaar heb ik onbewust gedacht: die man heeft Knielen op een bed violen geschreven en heeft zijn zegje gezegd. Of misschien heb ik nog erger gedacht: die man is zeventig. En wat zal hij moe zijn van al die tournees in den lande. Niet moe genoeg dus om zoiets als Suezkade te schrijven. Een roman over het verlangen naar een onverbiddelijke, onvoorwaardelijke liefde, als geschreven door een zwart-romantische jongeling.
De 26-jarige Marc Cordesius treedt aan als leraar Frans op het Descartes-gymnasium in Den Haag. Zijn entree maakt hij samen met een meisje dat voor hem uit door de regenplassen springt. Met deze Najoua, van Marokkaanse afkomst, voelt hij onmiddellijk een sterke band. Marc creëert al heel snel zijn eigen sfeer tijdens zijn lesuren, sleept zijn leerlingen mee in zijn liefde voor Flaubert, de gebroeders De Goncourt, Mme de la Fayette, houdt er onorthodoxe beoordelingsmethodes op na. Hij weet een vast lokaal in het noodgebouw te bedingen, en richt dat in met een eigen bibliotheek, schrijversportretten aan de muur, en een oude metroplattegrond van Parijs. Zijn collega’s zijn in eerste instantie diep van Marcs buitenissigheid – die ook tot uiting komt in zijn elegante, goedgeklede verschijning – onder de indruk. De een na de ander neemt hem in vertrouwen – over schrijfambities, geheime liefdes, verslavingen – en de vrouwelijke collega’s willen met hem naar bed. Naarmate Marc zich echter meer voor hen afsluit, en zich buiten de lesuren bij voorkeur terugtrekt in een nis met Najoua, groeien de roddelzucht en de vijandigheid.
Zoals Jan Siebelink zijn hoofdpersonage op de eerste pagina’s beschrijft, is het alsof hij je de negentiende eeuw intrekt. Zozeer zijn sfeer, setting en stijl klassiek dat de weinige verwijzingen naar het hier en nu – een Marokkaanse leerlinge, een leraar met een paardenstaart in zijn nek – gemakkelijk over het hoofd worden gezien. Tot het op bladzijde 242 met zoveel woorden wordt gezegd, als Marc van buitenaf de rij standbeelden van filosofen in de schoolhal beziet: ‘Je zou zeggen dat ze het hoofd schudden over deze man uit het begin van de eenentwintigste eeuw (…)’. We zijn dus echt in het hier en nu, maar er is weldadig weinig tijdgeest in de vorm van afleidende uiterlijkheden. Den Haag is het Den Haag van Marcellus Emants en Louis Couperus, met glimmende kades, een rinkelende tram, door lantaarns verlichte straathoeken, en het ‘flauwe, violette licht van de avondschemering’ dat doet denken aan ‘een rivier vol van sap uit geplette seringen, een stroom bloed’.
Klassiek is ook de wijze waarop Siebelink het drama van de buitenstaander versus de gemeenschap zich laat voltrekken, compleet met de voorafschaduwing van de oud-leraar die zelfmoord pleegde en de nadruk op de betekenis van de naamgever van de school. Zoals Marc desgevraagd braaf oplepelt tijdens zijn sollicitatiegesprek: ‘Descartes gelooft dat de mens extreem gevoelig is voor het intuïtieve. De intuïtie is gelokaliseerd in de pijnappelklier van onze hersenen. Daar waar ook de passies van de mens liggen opgeslagen.’
Een redeloze passie is wat Marc vanaf dag één voor Najoua opvat. Niet te vatten voor de buitenwereld, misschien ook wel niet helemaal te vatten voor hen zelf. Een passie die afgezet tegen de verleidingskunsten van zijn vrouwelijke collega’s (in een hilarisch hoofdstuk reist Marc af naar één van hen, om ter plekke te kampen met een aanzwellende dan weer ineenschrompelende erectie) en de verovering van een zestienjarige door een mannelijke collega, bijna religieuze diepte krijgt. Als een moderne heilige ziet Najoua af van voedsel, en ontwikkelt een ernstige vorm van anorexia: ‘Als ik leeg ben, voel ik me gelukkig. Ik zweef, ik ben een engel. Als ik leeg ben, voel ik dat er niets is waartoe ik niet in staat zal zijn.’ Marcs gevoel van zielsverwantschap wordt er niet minder op: ‘Het waren de overgevoeligen die aan deze ziekte leden. De besten.’
Sardonisch en gevoelig tegelijkertijd zet Siebelink de middelbare school in heel zijn ambivalentie neer: enerzijds een aangenaam bedwelmende plek waar voor je wordt gedacht en gezorgd, waar een ideale leraar zijn leerlingen door het woord aan zich weet te binden, anderzijds het harde onbuigzame instituut waar frustraties hoogtij vieren en uitzonderlijkheid wordt afgestraft. Genadeloos worden ze geportretteerd, de overspannen leraar, de ruggengraatloze rector, de kruiperige conrector. Kleine lieden die je overal treft, maar die binnen de muren van een school mythische proporties krijgen. Zoals de leraar geschiedenis, tevens de outcast van de school het verwoordt: ‘Zo is het overal, in elk bedrijf of instituut, maar hier is de illusie sterker, dus de deceptie groter.’
Suezkade kan onmiddellijk worden gecanoniseerd als een van de schitterendste schoolromans in het Nederlands taalgebied.