Redeloze theosofen

Herman A. O. de Tollenaere, The Politics of Divine Wisdom, Theosophy and Labour, National, and Women’s Movements in Indonesia en South Asia 1875-1947. Katholieke Universiteit Nijmegen, 459 blz., f59,- De donkere kant van de New Age en haar voorvaderen, de theosofie en de antroposofie, stuit in Nederland op steeds meer kritische belangstelling vanuit de wetenschap. In het historische tijdschrift Skript wierp J. W. de Groot onlangs de knuppel in het hoenderhok met een verhaal over ‘kosmisch racisme’.

De Groot legde het verband tussen de occulte renaissance van het midden van de vorige eeuw en het latere nazisme en andere vormen van rassenwaan. Deze discussie kan weer een versnelling hoger worden gevoerd nu Herman de Tollenaeres proefschrift The Politics of Divine Wisdom in een handelseditie beschikbaar is gekomen. De Tollenaere promoveerde mei dit jaar aan de faculteit van Sociale Wetenschappen van de universiteit van Nijmegen. Zijn dissertatie leidt de lezer rond door de wereld van occulte kampioenen als madame Blavatsky, Rudolf Steiner, Annie Besant en andere giganten van de eerste spirituele revolutie. Onder regie van geheimzinnige Meesters uit de Himalaya kwamen deze eerste blanke goeroes met een verbluffende cocktail van oosterse wijsheid en westers politiek-pragmatisme ter behoud van de monarchie en kapitalisme. De vooral op hindoeistische leest geschoeide theosofie diende als gods dienstig-politiek alternatief voor het oprukkende rode gevaar. Een nieuwe visie op de wording van de mens, vervat in het ‘wortelrassenschema’ van Blavatsky en Steiner, diende de massa weg te houden van al te materialistische instincten. De bijzondere missie die hierbij het Arische ras kreeg toegedicht, stond centraal in het denken van al deze profeten van de Nieuwe Tijd. Theosofen waren net als de latere hippies gek van India, en in hun Indische loges gingen Europese mystici dan ook harmonieus samenwerken met vertegenwoordigers van de hoogste kaste van de hindoesamenleving. In Ne derlands-Indie deed zich hetzelfde fenomeen voor. Aldaar versmolten Nederlandse theosofen met vertegenwoordigers van de hogere echelons van de Javaanse maatschappij. Zo was de vader van de latere president Soekarno ook lid van de Theosofische Vereniging. Soekarno zelf kreeg in zijn leerjaren een forse tik van de theosofische molen mee, maar distantieerde zich ervan naarmate zijn ideeen radicaler werden. Theosofen waren weliswaar zeer actief in het emancipatoire proces der overzeese gebiedsdelen, maar hun ideeen werden er niet minder patriarchaal door. Annie Besant, de gewe zen Britse socialiste die na haar bekering door Madame Blavatsky de theosofische scepter zwaaide in India, bleef vooral hameren op de 'heilige bloedband’ tussen de 'Arische’ Britten en hun stamgenoten in India. Met werkelijke onafhankelijkheid voor India had Besants missie dan ook weinig te maken, hoe vaak dit ook is gesuggereerd. De kracht van De Tollenaere’s studie is dat de auteur mythe en werkelijkheid zeer nauwgezet heeft onderzocht. Het resultaat is vooral ontnuchterend. Dat zal de talloze nieuwe occulte krachten in het Nederland van de jaren negentig waarschijnlijk weinig bevallen. De Tollenaere schaart zich met zijn boek in de rij van Nicolas Goodrick-Clarke, Rudy Kousbroek, James Webb en andere criticasters van 'de vlucht uit de rede’. Zo is hij een van de stuwende krachten achter een Utrechts comite-in-wording dat ideologische excessen in de New Age aan de kaak wil stellen. In dat comite zitten ook de eerder genoemde J. W. de Groot en Toos Jeurissen, de vrouw die het racisme in het antroposofische denken aan de kaak stelde met haar dit jaar verschenen vlugschrift Uit de vrije school geklapt. Occult Holland heeft er een luis in de pels bij.