Redt Jezus?

Haar werk in uitvoering noemde Flannery O’Connor (1925-1964) steevast ‘Opus Nauseous’. Schrijven was voor haar eindeloos herschrijven en dan nog, na de zoveelste versie, werd ze soms ‘misselijk’ van het resultaat.

Medium flannery 20o connor

Het manuscript van haar nooit gepubliceerde derde roman Why Do the Heathen Rage? – in de archieven van Georgia College – bevat zeventien versies van een tafereel op een veranda. Haar literaire lat lag hoog, haar grote voorbeelden heetten Nathaniel Hawthorne (The Scarlet Letter) en Herman Melville (The Confidence Man). Carson McCullers, Tennessee Williams en Truman Capote vond ze maar zozo. In de biografie A Life of Flannery O’Connor (2008) van Brad Gooch staan pittige uitspraken over die collega’s uit het Diepe Zuiden.

Toen ze in de eindfase zat van haar debuutroman Wise Blood (1952) woonde ze weer op de boerderij van haar moeder, ‘Andalusia’, in Milledgeville, Georgia. Ze omringde zich met haar gevederde vrienden: kippen, kwartels, zwanen en pauwen. Haar gezondheid was rampzalig: ze had lupus en ze liep op krukken. Overvloedig cortisongebruik zorgde voor een ‘maangezicht’ en haar haar viel uit. Haar gezicht vond ze lijken op dat van een pauw: ‘[De pauw] heeft hoorntjes en een gezicht als van de Duivel.’ Haar denkwereld werd nogal turbulent, ook door de cortison. Het resultaat was een roman waarin freaks en godsdienstwaanzinnigen liefdeloos met elkaar omspringen en ogenschijnlijk alleen destructief kunnen denken en handelen. O’Connor, katholiek in een zeer hardhorende protestantse omgeving, koesterde het extreme en groteske. Alleen zo kon ze tot de sektarische en hopeloos fundamentalistische gelovigen doordringen: ‘Je moet het bestaan dat je beschrijft kunnen beheersen. Daarom schrijf ik over mensen die een beetje primitief zijn.’ Dankzij haar geloofsfanatici en allerlei idioten kon zij alle uithoeken van de gestoorde psyche exploreren. De O’Connor-personages zijn ontheemd, ontworteld en verdwaald en dolen zonder duidelijk doel voor ogen. Het zijn profeten zonder Christus, blindgangers die visionair denken te zijn, zoals Hazel Motes in Wijs bloed.

Mote betekent vlek, stofje of splinter. Zo zet Flannery O’Connor haar personages neer, als nietige maar gefixeerde schepsels. Haar bewust vulgaire creaties zijn geobsedeerd door zonde maar blijken veel minder goed in berouw of boetedoening. Hebzucht en oplichterij winnen het van authenticiteit en religieuze moed. Bij de tiende verjaardag van Wise Blood tekende O’Connor aan dat zij haar debuut zag als een komische roman over een christen tegen wil en dank. Alleen op die manier kon ze schrijven over zaken als leven en dood.

‘Je moet het bestaan dat je beschrijft kunnen beheersen. Daarom schrijf ik over mensen die een beetje primitief zijn’

Het 24-jarige hoofdpersonage Hazel Motes komt uit de Tweede Wereldoorlog naar huis, maar dat is er niet meer. Als oorlogsgewonde met uitkering heeft hij alle geloof verloren, hoewel hij al op zijn twaalfde besloot prediker te worden. Voor de bioscopen propageert hij de Kerk zonder Christus. Blasfemie moedigt hij aan, want Jezus ‘is negerbedrog’ en heeft het laten afweten en er bestaat geen Zondeval, Verlossing of Laatste Oordeel. ‘De Kerk van Christus! (…) Nou, ik preek de Kerk zonder Christus. Ik ben lid en prediker van die kerk waar de blinden niet zien en de lammen niet lopen en wat dood is dood blijft. Vraag me wat over die kerk, dan zal ik je vertellen dat het de kerk is die niet bevuild wordt door het verlossende bloed van Jezus.’ Zijn aftandse Essex is rijp voor de sloop, maar O’Connor voert de avonturen met die auto tot slapstickachtige hoogten op, tot het bittere einde. Met zijn ‘ratkleurige’ Essex rijdt Motes door het stadje om zijn ogenschijnlijk nihilistische boodschap uit te venten. Er zijn wel kapers op de kust, oplichters die zich blind voordoen maar het niet zijn. De namaakpreker Asa Hawks heeft een vijftienjarige dochter, Sabbath Lily, die niet alleen religieuze pamfletjes uitdeelt maar zich ook seksueel aangetrokken voelt tot Motes, die aanvankelijk onderdak bij een hoer vindt. Dan is er nog de jonge Enoch Emery, werkzaam in de dierentuin. Hij laat zien dat het beestachtige gedrag van mensen ver kan gaan. Uit een museum steelt hij een mummie, die uitgroeit tot een alternatief kindeke Jezus met wie het slecht afloopt.

Wise Blood gaat over schijn en wezen, over schijnheilige lafaards en authentieke moedigen. Motes is geen heilig boontje: hij doodt wat vals is. Hij preekt dat hij Jezus een hopeloos figuur vindt, maar treedt in zijn voetsporen door in schoenen te lopen waarin kiezelsteentjes zitten. Om zijn bovenlijf heeft hij prikkeldraad gewikkeld. Om als visionair te laten zien dat het hem menens is, maakt hij zichzelf net als Oedipus blind, met ongebluste kalk. Hij eindigt letterlijk in de goot, agenten knuppelen hem dood, maar het is geen genadeslag. Anno 2016 blijft Wise Blood een schokkende roman die herkenbare dingen zegt over religieus fanatisme.

Flannery O’Connor was een welhaast dialectische, katholieke schrijver die zowel de evolutietheorie omhelsde als een aanhanger was van de jezuïet Teilhard de Chardin. Jezus redt, maar waar staat hij voor? En wat is wijs bloed? Een middel tot redding en verlossing zonder sacramenten? O’Connors geloof betekende een kritische benadering van iets wat een mysterie blijft. Haar enige essaybundel heet Mystery and Manners (1969). Henry James was de bron voor die titel. Hij beweerde dat toekomstige jonge vrouwen geen weet hadden van ‘mysteries’ of ‘manners’. O’Connors reactie: ‘Hij had dat niet tot één geslacht mogen beperken.’ Daar kon James het mee doen.


Beeld: Erik Kriek