Menno Hurenkamp

Referendum

Het is raadselachtig waarom sommige politici over Europa als superstaat spreken. Of over een Europa waarin de elites zich niets aantrekken van de gewone mensen. Gekeken naar de onderhandelingen over het nieuwe Europese verdrag van dit weekend, kan de conclusie niet anders zijn dan dat de Europese Unie de nationale staten helpt om beter uit de verf te komen. Bovendien doen de leiders van al die nationale staten opzichtig hun best om het de gewone mensen uit hun eigen nationale achterban behoorlijk naar de zin te maken.

Jan Peter Balkenende kon naar huis met de mededeling dat er geen grondwet met een grote G komt, dat er geen Europees volkslied vastgelegd wordt, dat er geen vlag vastgelegd wordt, dat het Nederlandse parlement een ietsje meer bemoeienis krijgt over Europese plannen. Dat zijn mooie concessies aan de ergernissen van de Nederlandse nee-stemmers. Ondertussen zal die blauwe vlag met gele sterretjes niet verdwijnen en zal Beethovens deun ook nog regelmatig klinken. De Franse president Sarkozy kon naar huis met de mededeling dat hij hoogst persoonlijk de verwijzing naar de vrije en ongeremde marktcompetitie uit de preambule van het verdrag had gehaald. Dat was fijn voor de op dit punt nogal gevoelige Fransen. Niet dat de Unie minder aan vrije marktwerking gaat doen, daar laat de rest van het nieuwe verdrag geen misverstanden over bestaan. Ook de Polen en de Engelsen grepen de bijeenkomst nog eens aan om hun eigen identiteit flink te onderstrepen. De Polen als oorlogsslachtoffer van de Duitsers, als bedreigd door de Russen, de Engelsen als eiland met een eigen arbeidscultuur.

Het overheersende commentaar in de pers is dat er sprake is van ‘oude wijn in nieuwe zakken’, wéér een Europees verdrag met allemaal kleine en niet echt samenhangende stapjes vooruit én achteruit. Een wonderlijke voorstelling van zaken wanneer je ziet hoe hard de Europese Unie de afgelopen jaren gegroeid is, niet in de greep die ze heeft op het individuele leven van mensen maar wel in het aantal mensen waarvoor ze met wisselend succes iets probeert te betekenen. Er is bovendien sprake van toenemende politisering onder de bevolking over Europese vraagstukken, we denken en praten veel meer over Europa dan tien jaar geleden. En dat dit debat niet plaatsvindt in het Europees Parlement moet de eurocritici toch op zijn minst een beetje geruststellen.

Maar de hele gang van zaken heeft nog altijd een flets en rommelig karakter. Stel dat het – dankzij de wondere wegen van de pvda – nu door de Tweede Kamer gewenste referendum er daadwerkelijk komt, zal dat legitimiteit aan het nieuwe verdrag verlenen? Om een hoge opkomst te bereiken moet de voorgelegde vraag prikkelend zijn. Iets als ‘bent u het eens met de aangepaste verdragstekst? Of vindt u deze aanpassing veel te mager en wilt u dus dat Nederland opstapt uit de Europese Unie, iets wat u best mag vinden, want Noorwegen is ook geen lid en toch heel rijk, en bovendien zou Turkije ook wel eens toe kunnen treden, waarop de EU aan Irak grenst en dat ziet u toch ook niet zitten?’ Stel dat het antwoord ‘opstappen’ is, wat een impuls zou zo’n krachtige uitspraak geven aan onze ingedutte beleidscircuits! Maar waarschijnlijker is dat de onderling nogal verdeelde eurocritici het niet eens worden over een stimulerende formulering van de kritische keuzemogelijkheid in dat referendum. Waarop de nee-stemmers in meerderheid thuisblijven en een magere opkomst voor een mager ja zorgt. Dan mogen de ambtenaren het weer een paar jaar alleen uitzoeken.