Ger Groot

Regel

«We zijn gemakzuchtig en nalatig en we leven verkeerd. Het schaamrood zou ons op de kaken moeten staan.» Zo eindigt, afgezien van een korte aansporing tot de navolging ervan, de Regel van Sint-Benedictus, die zojuist in een nieuwe vertaling bij Atheneum-Polak & Van Gennep is verschenen. Het valt moeilijk uit te maken wat het meeste verbaast: de bittere kritiek van cultuur en zeden die een hedendaagse ecologist of opwekkingschristen niet zou hebben misstaan, of het verschijnen van dit zesde-eeuwse geschriftje bij een uitgeverij van literaire klassieken.

Klassiek is de Regel zeker. Volgens vertaler en toelichter Vincent Hunnik is hij zelfs een van de invloedrijkste westerse teksten aller tijden. Benedictus van Nursia schreef hem met een praktisch oogmerk: de inrichting van een monastiek leven dat zelfs in zijn tijd al dreigde te ontsporen. De Regel begint met een filippica tegen monniken die maar deden wat hun goeddocht: «Al hun meningen en keuzes noemen ze heilig, maar als ze ergens geen zin in hebben vinden ze het ‹niet toegestaan›.»

Daartegenover bracht Benedictus een strenge regel in het geweer, die voorschreef dat monniken in gemeenschap moesten leven, soberheid moesten betrachten — maar niet te veel — en behalve te bidden ook met de handen dienden te werken. De orde die hij in Monte Cassino in het leven riep zou de levensader worden die de antieke cultuur verbond met die van het middeleeuwse hoogtij.

Viel het met de gestrengheid van Benedictus, de tijden in aanmerking genomen, wel mee, zoals Hunnik schrijft? Opmerkelijk is de soepelheid waarmee de schrijver van de Regel zijn eigen bepalingen relativeert. Nauwkeurig wordt de volgorde bepaald waarin tijdens het uurgebed de psalmen gelezen moeten worden, maar aan het eind staat alles weer op losse schroeven: «Wie deze indeling minder geslaagd vindt [moet] maar een andere aanhouden als hij een betere weet.»

Rigide was de Regel dus niet, maar een vrolijke boel zal het in de kloosters daarom nog niet geweest zijn. «Moppen vertellen, nutteloos geklets of grappenmakerij: dat willen wij voorgoed en overal uitgebannen zien», schrijft Benedictus, die niet veel met humor lijkt te hebben opgehad. «Niet snel geneigd zijn tot lachen» keert nog eens terug als «de tiende trede van nederigheid» en dat is al bijna het summum van monastieke deugdzaamheid. Of hamert hij zo herhaaldelijk op de vrome ernst omdat de praktijk hardnekkig weigerde zich naar zijn Regel te voegen?

Slecht kan het leven in de orde van Benedictus in ieder geval niet geweest zijn, al waren zweepslagen nog een heel gewone straf voor onhandelbare broeders. «Een kwart liter wijn per persoon per dag moet voldoende zijn», antwoordt de stichter op de vraag hoeveel er dagelijks mag worden gedronken. Dat klinkt nu uitgesproken ruimhartig, en dat was het ook voor Benedictus al. «Eigenlijk is wijn niets voor monniken», merkt hij op, maar geeft het realisme direct weer de overhand: «In onze dagen kan men monniken hiervan niet meer overtuigen. Laten we dan tenminste afspreken dat we niet drinken tot volle verzadiging toe.»

Ook de zesde eeuw had nu eenmaal zijn reden om te klagen over zedenverval en geestelijke zwakheid zoals de eeuw van Cicero en dáárvoor die van Homerus die ook al hadden gehad. Historische ironie is het ongewilde effect van de Regel, wanneer die vandaag de dag gelezen wordt. Maar bereikt hij ook wat hij wilde bereiken: een veredeling van het hart door aandachtig werk en eerbiedig gebed? Misschien bij een enkeling, die het boek omwille van die zielenadel ter hand neemt — maar die zal eerder naar een meer klassieke, spirituelere uitgave van het boekje gegrepen hebben.

De literaire editie die nu is verschenen, zou hem en Benedictus waarschijnlijk veel te frivool zijn geweest, als de laatste zich al zoiets als «literatuur» had kunnen voorstellen. Zelfs als hij, ongemerkt en ongewild, een letterkundig meesterwerk geschreven had, zou zo’n lezing van zijn Regel hem niet alleen bevreemd maar ook ontstemd hebben. In onze wereld van de literatuur zou hij waarschijnlijk een voorgeborchte van de hel hebben gezien. Het literaire a priori dat wij van de Romantiek hebben geërfd, maakt alles wat daarvóór geschreven is een beetje onbegrijpelijk — en omgekeerd.