Regenboogtheorie

Federico García Lorca, Liedjes. Uitgeverij Meulenhoff, 128 blz., 339,90.
Federico García Lorca voorzag niet zijn eigen dood, in 1937 bij het bombardement van Guerníca. Wel schreef hij in zijn Klaagzang voor Ignatio Sánchez Mejías over de dood van een stierenvechter die hij zag aankomen. Zijn eigen dood viel buiten zijn visionaire dichtersblik.

‘Spanje’, zei de muzikale dichter die zich na Romancero gitano wenste te ontworstelen aan het hardnekkige misverstand dat hij alleen het zigeunerthema bespeelde, 'Spanje is een land waar iedereen, familie, vrienden, de dood wenst te zien door een waas van tranen. Ik niet. Ik vraag. Waar is hij heen? Door wat voor haast onzichtbare opening is hij ontkomen?’ Het schrijven over de dood die anderen bedreigt is tegelijkertijd het aanleren van de eigen dood: het telkens opnieuw willen verwoorden van de stilte, dat niet het niets is maar het mysterie.
Van Lorca kende ik alleen Dichter in New York goed. In mei 1929 vertrok hij naar New York, stad 'van modder, prikkeldraad en dood’. Deze stad met wolkenkrabbers als 'bergen cement’ is voor hem de apocalyps, een vervuild oerwoud omringd door een rivier waarin stookolie drijft. Zijn poëzie groeit uit tot een aanklacht tegen stadsmensen die de dood in hun omgeving negeren. Het enige wat hij wil omhelzen is het 'Afrikaanse ritme’ van New York, de jazz van Harlem. In zijn haast homo-erotische ode aan Walt Whitman haalt hij uit met venijnige beeldspraak die Lucebert later op zijn manier op liet klinken. De dood druipt de Amerikanen uit de ogen: 'Slaap: niets blijft over./ Een dans van muren schokt de prairiën./ Amerika verdrinkt in machines en tranen.’
Lorca-vertaler Dolf Verspoor noemde in zijn nawoord bij Dichter in New York de bundel een breuk met zijn vroegere werk door de 'dissonante dithyramben’. Die lucebertiaanse, vurige en soms woeste uitbundigheid is in Liedjes (1927), de bundel die aan Dichter in New York voorafgaat, nergens te bekennen. Ik was erdoor verrast. Alsof ik nieuwe verzen van Paul van Ostaijen las waarin die zijn lectuur van Hans Faverey dichterlijk verwerkt (ik zet de tijd maar even op z'n kop). Maar Lucebert kondigt zich al aan: 'Door je witte ogen stromen/ golven en slapende vissen.’
De strak gecomponeerde bundel heeft een in alle opzichten zeer beheerste vorm. De eerste afdeling heet zelfs streng 'Theorieën’. Er is een theorie van de regenboog en een schematische nocturne. Het klinkt allemaal heel cerebraal, maar Liedjes is allereerst een speelse bundel vol liefdesliedjes, portretten, maanliedjes en nocturnes.
'Standbeeldangst’ heet een van de gedichten in de laatste afdeling 'Liedjes om te eindigen’. Dat is, andermaal, de roerloze dood die rondwaart in het dagelijks leven, zoals blijkt uit het gedicht 'Zelfmoord’ ('Hij merkte dat er in zijn mond/ maar één woord overbleef.’). Misschien dat er daarom zoveel bewegingen en op de spits gedreven tegenstellingen in Lorca’s liedjes zitten. De carrousel blijft draaien, dagen volgen nachten op, lucht en aarde bestoken elkaar, de maan achtervolgt de zon en kleuren botsen op elkaar, waarna er weer regenboogachtige harmonie ontstaat. Met andere woorden: het leven zit de dood eeuwig op de hielen, maar andersom ook. Lorca wilde een standbeeld opwinden. 'De kei wil licht worden.’ Waartoe dienen inkt, papier en vers, zo vraagt Lorca zich af. De 'witte woorden’ die hij uit de 'ogenloze hoofden van al mijn verlangens’ laat komen, zijn slechts de allernoodzakelijkste voor de dichter die geen dichter en ook geen minnaar wil zijn.
In het gedicht 'Het stomme kind’ zoekt een kind zijn stem in een waterdruppel, de kiem van het leven. Lorca was tijdens het schrijven, tussen 1921 en 1924, van zijn 'liedjes’ ook een kind dat naar zijn stem zocht. Die vond hij. En die stem zal de komende jaren (1998 is zijn honderdste geboortedag) meer klinken omdat Meulenhoff Lorca’s Verzamelde Gedichten wil uitgeven. Liedjes is een verrassend begin.