Redes Den Uyl, Van der Lubbe, en Kool Smit

Regeringsverklaring, brief, dankwoord

Joop den Uyl (1977): Regeringsverklaring over de Molukse kapingen

Nadat de overheid met grof maar doelmatig geweld een einde had gemaakt aan de Zuid-Molukse kaping van een trein bij De Punt vermeed premier Joop den Uyl in een regeringsverklaring van 14 juni 1977 niettemin elk triom falisme.

«Op vrijdag j.l. werd uit de trein meegedeeld, dat geen enkele communicatie meer mogelijk zou zijn tenzij de regering de eisen volledige inwilligde. Elk uitzicht op overreding van de kapers, zo ooit aanwezig, was weggevallen. In die afweging is vrijdagavond besloten met toepassing van geweld een einde te maken aan de beide gijze lingen. Wij, de direct betrokken bewindslieden hebben dat besluit, zo heb ik zaterdag gezegd, ervaren als een nederlaag. De regering blijft voor ogen staan een samen leving waarin op grondslag van gelijkwaar digheid minder heden kunnen werken en leven. Waarin op grond van rechtsregels burgers afdoende worden beschermd. Waarin het recht het geweld overwint.»

Marinus van der Lubbe (1933): Brief aan zijn broer Frans

De arbeidsongeschikte metselaar en radencommunist Marinus van der Lubbe organiseerde begin jaren dertig een staking van Haagse taxichauffeurs en stichtte in februari 1933 brand in het Berlijnse Rijksdaggebouw als «signaal» aan de arbeidersklasse om in opstand te komen.

Vanuit de gevangenis schreef hij deze brief aan zijn broer.

«Berlijn, 14 april 1933.

Frans, die taxi-chauffeurs zullen met hun actie ook wel een beetje geleerd hebben, dat als men zelf gaat doen, men ook heel wat moet gaan doen; dan alleen resultaat. Het zelf moet ook wat worden, wil het doen volgen. Maar wij zijn het toch zelf, wij zijn toch de arbeiders die arbeiden aan onszelf, om tot één grote wij zelf, één grote macht en kracht te komen. En zoo als bij ons zelf dagelijks en in grote groepen, het machtige werktuig, de gehoorzaamheid aan onszelf in werking treedt. Zo is dan eenmaal dat geweldig apparaat als een grote verrekijker, die tot ver de gezichtseinder helder maakt en alles aantrekt in razende vaart. Ook zijn er nog kleinere werktuigen zoals de Rede, Ervaring, omstandigheden, enz. enz. Maar toch doet bij ons, toch dit grote werktuig, wat men ook als productie-proces kan beschouwen, een beroep op ons. Ook voor de Pers leek het zo’n beetje, maar wij hebben geen geheimen, en al was ’t duizendmaal slechter, geen nood, het zelf had velerlei goede bron, bijv. uit de Moeder enz. enz. Maar het was niet slecht of laag, maar schoon en prachtig; dit is alles hoofdzaak voor mij en anderen. Och Frans, die scheldt, is toch niets bijzonders, naar mogelijkheid slechts werken wij en als ’t gaat, is het prachtig. Soms willen wij anders, maar men moet afwachten.»

Joke Kool Smit (1979): Dankwoord prijsuitreiking ‹Opzij›

Bij de aanvaarding van een prijs van het maandblad Opzij in 1979 stelde Joke Smit in haar dankwoord dat het heersende vertoog over de «emancipatie van de vrouw» nog altijd niet strookte met de werkelijkheid.

«In 1968 moesten wij opnieuw beginnen, en van de grond af, met het ontmaskeren van mythes. Onrecht wordt nu eenmaal toegedekt met mythes. De mythe van toen luidde; de emancipatie is voltooid, vrouwen hebben nu alle kansen. Het huishouden werd daarbij verdonkeremaand. Men wilde het niet zien. Zijn we in 1979 verder? Een stapje; de emancipatie is nog niet voltooid, wordt nu gezegd. Aan het feminisme wordt nu lippendienst bewezen: beleidsmakers roepen de emancipatie aan als dat in hun kraam te pas komt. In de contacten tussen feministen en mannelijke machthebbers is dan ook iets verschoven. Vroeger zeiden ze: ‹Vrouwen zijn toch thuis de baas.› Nu zeggen ze: ‹Mijn vrouw denkt er heel anders over dan u.› Het is dan altijd interessant om de vrouw in kwestie samen met haar man te zien. Want of ze zwijgt en hij voert opnieuw namens haar het woord – dan is ze dus echt onderdrukt – of ze blijkt ter plaatse minder tevreden dan hij altijd heeft gedacht.»