Reggaecricket bond de West-Indies samen

Londen - Voor de wat oudere Engelsen staat de zomer van 1976 in het geheugen gegrift als een oneindige hittegolf. Voor de Brits-Jamaicaanse bevolking roept the summer of 76 eveneens warme gevoelens op, maar om een andere reden: op de verdorde cricketvelden won het West-Indische cricketteam tegen Engeland. Voor de spelers uit Jamaica, Barbados en andere eilanden in ‘de West’ was het de eerste grote overwinning, en dat tegen de vroegere overheerser. Over de politieke en culturele betekenis van deze zege en de daaropvolgende hegemonie van de 'Windies’ draait in Engelse bioscopen momenteel de film Fire in Babylon.
Voor 1976 werd het West-Indische cricketteam met enig koloniaal paternalisme beschouwd als een ongedisciplineerde verzameling aantrekkelijke circusartiesten die onder druk bezweken. Dat veranderde toen Clive Lloyd aanvoerder werd. Hij maakte een eenheid van het team, een hele taak omdat de eilanden een Babylon in de Caribische Zee vormden. De eerste proeve verliep rampzalig. Eind 1975 verbrijzelden de keiharde fast bowlers van Australië de jukbeenderen, schouders en kaken van de West-Indische spelers, terwijl het racistische publiek de mentale weerstand brak.
Bij terugkomst besloot Lloyd de agressieve speltactiek te kopiëren en zocht hij stranden en straten af naar talentvolle fast bowlers. Een legendarische aanval van vier meedogenloze en atletische fast bowlers was het resultaat. Een van deze vier ruiters van de Apocalyps, Michael Holding, droeg als bijnaam The Whispering Death, vanwege zijn stille aanloop (44 grote stappen) en 'dodelijke’ werpsnelheid van rond de 147 km per uur. Twee decennia lang wonnen de reggaecricketers overal: van Bombay tot Brisbane, van Leeds tot Lahore.
Dankzij de sportieve successen herontdekten de bewoners van de West-Indies hun Afrikaanse identiteit, wat leidde tot een culturele revolutie met Bob Marley’s Get Up, Stand Up als volkslied. Cricket hield het eilandrijk (plus Brits-Guyana) bijeen. In Engeland, waar indertijd bordjes met 'No Irish, No Dogs, No Blacks’ niet ongewoon waren, kregen de immigranten nieuwe hoop. Slaaf had wraak genomen op meester, zo werd het gevoeld, te meer omdat de Engelse aanvoerder, de in Zuid-Afrika opgegroeide Tony Greig, had aangekondigd dat zijn team de zwarte spelers zou laten 'kruipen’.
De gloriejaren van de West-Indies zijn inmiddels al jaren voorbij. In 2007 werd het wereldkampioenschap er gehouden, maar dat vervreemdde de sport slechts van de plaatselijke bevolking. In de nieuwe stadions kon niet worden gedanst of gebarbecued. Bomen dienden niet langer als eretribunes voor kaartloze toeschouwers. Co-producer Ben Goldsmith, zwager van de Pakistaanse cricketlegende Imran Khan, wil zijn film nu tonen op Caribische scholen, hopend dat het cricket er herleeft. Dat is niet alleen belangrijk voor de eilanden, maar misschien ook voor de zwarte jongeren in de straten van Londen.