Reggaemeeuwen

Kun je dichters, kunstenaars en schrijvers inzetten bij het ontwikkelen van een plan, bijvoorbeeld voor een stedelijk gebied, of wordt het dan hommeles? Ik stel de vraag met opzet retorisch. Het gebeurt, en vaak ook. De vraag blijft alleen hoe constructief de interventies zijn. Dit voorzover verstrooiing op zichzelf niet al een welkome toevoeging is.

Begin jaren negentig schreef het Provinciehuis Zuid-Holland een prijsvraag uit. Stel dat de vier steden Den Haag, Delft, Rotterdam en Zoetermeer samenklonteren tot een gigantische stad. Wat krijg je dan? Als je de kaart een beetje kantelt is de hofstad het noorden, de Maasstad het zuiden en heeft het een historische linkerkant en een rechterkant van flats en woontorens. Het geografische hart van die nieuwe metropool, Parkstad genaamd, zou bestaan uit de wachtkamer van het treinstation Pijnacker, die gehuisvest is in de keuken van een oude boerenhoeve. Een stad met een dorp als hart, ook dat komt voor. Roland Barthes beschreef dat Tokio geen centrum heeft: taxi’s cirkelen rakelings rond het paleis van de keizer dat het midden van de stad is, een voor burgers onbereikbaar gebied. Het samengevoegde Berlijn heeft een groene long als hart, de gigantische Tiergarten. Dergelijke vergelijkingen kwamen op bij het nadenken over de Parkstad - naast vooral veel kritische noten. Maar wat is er met het hele plan gebeurd, vijftien jaar later? Was het een ideetje, een denkoefening?

De stad Amsterdam heeft voor de uitbreiding aan haar zuidflank, de Zuidas, geïnvesteerd in een culturele pendant, het Virtueel Museum Zuidas. Het bestaat uit een Artist-In-Residence-_plek in een voormalig klooster in het Beatrixpark. De Zuidas is die verzameling torens rond Amsterdam WTC en omstreken die, als het economisch tij niet tegen blijft zitten, ongeveer vier keer zo groot moet worden als ze momenteel is. Een nieuwe stad aan een stad vastgeplakt, zo zou je het kunnen noemen. Meinke Horn nodigde namens het Virtueel Museum een aantal dichters, kunstenaars en schrijvers uit om te reflecteren over de Zuidas. Dat levert sterk tegengestelde bijdragen op, die gebundeld zijn in een boekje: Vanuit _de Zuidas. In haar inleiding is Meinke Horn optimistisch over de inbreng van de kunstenaars bij het project en ze verwoordt dat ambtelijk: ‘De uitkomsten dragen bij aan de zichtbaarheid en beeldvorming van de Zuidas en bieden daarnaast constructieve, kritische inzichten en onverwachte invalshoeken voor de ontwikkeling van dit nieuwe deel van Amsterdam.’

Constructieve inzichten, is dat wel zo? Ten eerste is er een verhaal van K. Schippers, Herinneringen aan de Zuidas. Schippers heeft een verleidelijke stijl die is geworteld in het vermogen dingen en situaties als bijzonder te portretteren en ze tegelijk zeer informeel te houden. Zo blijkt hij de grootvader van de opdrachtgever Horn gekend te hebben. Aanvankelijk heeft Schippers aan het gebied weinig herinneringen. Gaandeweg corrigeert hij zichzelf tijdens zijn verhaal en dat geeft een zekere meeslepende spanning aan het proza. Soms ben je ergens en op dat moment schuift er als een diaplaatje een herinnering in je hoofd. Dat heeft uiteindelijk te maken met die plek. Als Schippers studenten van de afdeling Beeld & Taal van de Rietveld Academie begeleidt, weet hij het plotseling: daar was vroeger de Zuidelijke Wandelweg, en daar voetbalde hij als linksback voor de sjieke Amsterdam Football Club. Niemand kan zo treffend een verband leggen tussen schrijven en de trivialiteit van het dagdagelijkse denken als K. Schippers. Het geeft al zijn teksten een kenmerkende stijl en eenheid; én precisie. Als ik mijn huissleutel in mijn hand houd, lukt het me niet mijn handschoenen aan te trekken, ik moet die sleutel dus even neerleggen. Zo'n elementair gegeven is direct een Schippers-achtig voorval.

Schippers stelt zich in zijn verhaal sceptisch op ten opzichte van die hele Zuidas. ‘Elke stap heeft hier iets voorlopigs, steeds passeer je een gebouw dat zich, zonder dat je het weet, misschien al bij zijn verdwijning heeft neergelegd’, noteert hij als hij door het gebied wandelt. ‘Niet zo somber’, zegt zijn opdrachtgever tegen hem, andere wijken zijn er ook niet zonder slag of stoot gekomen. Hij spreekt tussen de nieuwe flats van ‘dit vacuüm zonder voorvallen’. De terreinen van de Football Club zijn verhuisd naar een plek verderop waar ze alweer ‘moeten plaatsmaken voor de zoveelste architectonische hersenschim’. Steden bestaan niet zonder gebeurtenissen, zonder voorvallen erin. De rol van de schrijver (al zie ik Schippers juist in zijn proza nog altijd als dichter) lijkt de noodzaak van menselijkheid te onderstrepen in het midden van megalomane projecten. De ‘gebouwen zijn er min of meer toevallig neergezet’, net als op het Museumplein, waar ‘het ezelsoor van de supermarkt’ niets te maken heeft met ‘de koektrommel van het Van Gogh Museum’. De dichter is hier eerder criticus dan hofnar. ‘De samenhang ontbreekt’, schrijft Schippers. En: ‘Stedenbouwkundigen lijken te aarzelen over de plaats.’

In de loop van zijn verhaal komen er toch enkele lichtpuntjes. Hij ziet bij toeval zijn geliefde Erica, die een vriendin naar station Zuid brengt, en zo is er toch sprake van een gebeurtenis in de onbeschreven stad. En hij denkt aan Playtime van Jacques Tati, een film die Schippers ooit gloedvol inleidde bij een vertoning in het Filmmuseum. Ook in die film is er nieuwbouw die hoofdzakelijk uit glas bestaat. Verzoent hij zich dan toch met de vooruitgang? Nee, niet in dit verhaal tenminste. Waarschijnlijk komt er een theater van Joop van den Ende vlak bij de begraafplaats Zorgvlied. En als Schippers dan bedenkt dat Hans Faverey daar ligt en vervolgens regels uit de bundel Tegen het vergeten citeert, lijkt dat een aangrijpende aanklacht tegen het volbouwen van de zuidrand.

Een gedicht over dingen die er zijn als ze er niet zijn. Over leegte die ademt. Amsterdammers zijn een beetje arrogant, zegt Schippers als geboren en getogen Amsterdammer. Ze staan onverschillig tegenover wat er aan de horizon opdoemt. In het licht van dat onverschil is het verhaal, deze collage van herinneringen en impressies, een charmant spiegelbeeld.

Spiegelbeelden komen ook voor in de bijdragen van Dirk van Weelden, Onbewaakt ogenblik en Vier portretten aan de Zuidas die hij samen met kunstenaar Jan Rothuizen maakte. Opvallend is hoe goed lineair Van Weelden een verhaal weet op te bouwen. Hun project slaagt omdat ze van personages uitgaan in de Zuidas en niet van de gebouwen. Die personages zijn de bewoners en werknemers, de gebruikers van de nieuwe stad. Ze spreken met die personen af: een Indiër die een IT-bedrijf heeft, een glimlachende Roemeense communicatiespecialiste, een managing director van een bank die op een rugbyspeler lijkt en een opgezette beer in zijn kamer heeft. ‘Als bij een beer zit de werkelijkheid tussen knuffel en verscheurend in’, schrijft Van Weelden. Op het bureau van de manager staat een paraplu achter het beeldscherm in verband met zon, dat noteert Rothuizen, wiens tekeningen voor een groot deel uit teksten bestaan: persoonlijke omschrijvingen van het interieur, dat een bijzonder grappig en lichtvoetig effect geeft. Ook ontmoet het tweetal Guy, een gastvrouw van een zelfbedieningshotel dat volgens Van Weelden ‘die vreemde koesterende eenzaamheid van een vliegveld in haar binnensmokkelt’. Dat is treffend: de Zuidas ligt vlak bij Schiphol en is qua sfeer met het vliegveld verwant. Het maakt het een transitgebied, een tijdelijke woonplaats voor expats die er zaken doen. Bij iedere ontmoeting tekent Rothuizen en haalt Van Weelden een exemplaar uit zijn verzameling typemachines te voorschijn en begint daarop ter plekke een portret van de geïnterviewde te maken. De persoon in kwestie krijgt die tekst als spiegel te lezen. Voor Van Weelden z'n doen hebben de portretjes iets weg van poëzie, fragmentarisch en abrupt als ze zijn.

Het lange verhaal waar de bijdrage mee opent, gaat over een Duitse zakenman met wie het duo dineert. Van Weelden draait de zaken om: hij beschrijft een dag uit het leven van de Duitser, waarin hij verwikkeld raakt in een ontvoering doordat iemand per ongeluk zijn jasje voor het zijne aanzag. De zakenman is uiteindelijk de held van het verhaal en na de ontknoping belt zijn secretaresse dat hij zijn afspraak met een schrijver en tekenaar niet moet vergeten. Hij is in eerste instantie een beetje geïrriteerd door die vreemde types, maar raakt toch geïntrigeerd en vertelt vrijpostig over zijn broer, voor wie hij zich schaamt, en een romantisch voorval op Malta, dat hem nog bijna een ‘belachelijk gedoemde dichter’ maakte. Juist door de intelligente omkering van het perspectief lukt het Van Weelden het leven van de zakenman op de Zuidas voorstelbaar te maken. En ook hij is niet zonder kritiek. Tijdens het diner valt er ‘een doodse stilte zoals die alleen hier tussen de hoge torens vallen kan. Hoe vouw je die pijnlijke openheid die per ongeluk ontstond weer dicht?’

De echte Artist In Residence in het boek komt uit Servië en heet Mileta Prodanović. Hij is zowel schrijver als criticus en beeldend kunstenaar en zet de Zuidas in zijn verhaal De groene papegaai in een groter, wereldlijker kader. Hij verblijft in dat ‘katholieke gebouw in protestante geest’, oftewel het modernistische en minimalistische klooster dat hij tot in detail beschrijft. ‘Alles wat gebouwd wordt gaat op een of andere manier deel uitmaken van het collectieve of individuele geheugen’, filosofeert Prodanović. Hij parafraseert Musil als hij spreekt over een ‘stad zonder eigenschappen’. Hiermee trekt hij een parallel van de Zuidas naar Novi Beograd, de nieuwe stad die gebouwd wordt om Belgrado en Zemun aaneen te lassen. Ook dicht bij centrum en vlieghaven. Maar de kunstcriticus heeft andere herinneringen, en Servië heeft een andere geschiedenis: ‘Ik heb bijna het punt gevoeld waar elke mogelijkheid om iets te plannen eindigt, waar in feite elke mogelijkheid om wat dan ook te doen ophoudt te bestaan.’ Nederland daarentegen is ‘een land dat door planning is geschapen’.

‘Men zegt dat een stad pas een echte stad wordt wanneer hij zijn eigen literatuur krijgt’, schrijft Mileta Prodanović. Dat is met de Zuidas voorbarig en gezien het opdrachtgehalte van dit boekje ook een beetje paradoxaal. Dichters kunnen betrokken worden bij het verzinnen van straatnamen, kunstenaars bij het uitvoeren van standbeelden, in een stijl die bij de tijd past, stelt de Serviër voor. Maar interessant wordt het als hij een andere parallel trekt. In de folders over de Zuidas vallen hem de namen op van bedrijven die hij onlangs in de krant tegenkwam vanwege hun faillissement. En op dat moment begint hij over angst. De ‘analoge’ angst in de Balkan van de mensen die meededen aan de piramidespelen, en de ‘digitale’ angst van mensen die geld verliezen tijdens de kredietcrises: ‘Een tijd van haast metafysische hyperinflatie’. Een angst die Prodanović voelt, ook in New York, waar hij in elke etalage een foto ziet van de net verkozen president waar men een onrealistische hoop op vestigt. Om die angst te verbeelden koopt de kunstenaar, schrijver en criticus in een speelgoedwinkel een plastic draak met twee vuurrode koppen en fotografeert die met de flats van de Zuidas op de achtergrond, in een soort King Kong-perspectief. Tot slot portretteert Mileta Prodanović de kleine groene papegaaien die hij ‘s ochtends bestudeert op het dak van het klooster. Horen die wel in Amsterdam? Ja, zegt hij: 'Een kunstenaar is tenslotte altijd een beetje een vreemdeling, zelfs in zijn eigen natuurlijke habitat.’

‘Reggae-meeuwen’ noemt de dichter K. Michel die papegaaien graag. Er zijn er honderden in de stad. Af en toe gaan ze met z'n allen een boom te lijf en nemen allemaal een hap uit een blaadje en gooien dat op een pad in het park. Michel is de laatste auteur die aan het boekje meewerkt. Samen met kunstenaar Melle Hammer doet hij een aantal suggesties. Ooit, voor de straten namen hadden en de huizen huisnummers, dus zo ongeveer voor 1800, herkenden de mensen huizen aan gevelstenen. Stenen met spreuken boven de ingang van een pand. Michel schreef er een paar voor het nieuwe stadsdeel: ‘Bij eb is je eiland groter’, en: ‘Wees bereid au en ja te zeggen’. Melle Hammer suggereert dat er gaten in de gevel geboord worden en in die gaten gekleurde pluggen gestoken, of lampjes of korstmos, waarbij de letters als die op een lichtkrant gelezen worden. Het is een bescheiden aanbeveling van een dichter en kunstenaar die graag constructief mee lijken te denken. Pas als je bedenkt dat de gevelspreuken als aanduiding niet al te praktisch zijn (‘het opkomend tij sleept alle bootjes mee’), dringt door dat het duo niet minder subversief te werk gaat dan de anderen. Praatjes vullen geen gaatjes, zo denkt de planoloog. Schrijvers en kunstenmakers, het blijft een verdacht volk.

Vanuit de Zuidas. Bas Lubberhuizen, 112 blz., € 19,50