Regie als decoratie

In Italië, het moederland, is opera de laatste jaren weinig meer dan vrijetijdsbesteding: het vak van operaregisseur beperkt zich tot het aangeven wanneer de zangers op of af moeten gaan. De keuze voor een moderne, Zwitserse klassieker als Luc Bondy als regisseur voor de heropening van La Scala, in 2005, betekende daarom een kleine revolutie.Nog provincialer, in de zin van een cultuurwereld die zich wereldwijd steeds sterker «vernetwerkt» en steeds eenvormiger wordt, gaat het eraan toe in Nederland, hoewel men daar met De Nederlandse Opera een van de mooiste, best geleide, door het publiek geliefde én artistiek vooruitstrevende muziektheaters van de hele wereld bezit. Maar: pas sinds 1988. Het is het enige vaste muziektheater van het land, dat in zijn _stagione-_systeem hoogstens tien verschillende stukken per speelseizoen brengt en dus op zo’n honderd voorstellingen per seizoen uitkomt. De operatraditie is hier nog jong. Bijna niemand van de toeschouwers heeft de gespeelde werken al eens eerder gezien, en de leiding richt zich daarnaar. Men wil modern ensceneren en werken met een hedendaagse regieopvatting, maar men wil vertellen, niet becommentariëren. Dingen verklaren, niet verder compliceren.

Dat is niettemin wat Pierre Audi, intendant van het gezelschap, probeert. Audi (1957, Beiroet), diplomatenzoon, opgegroeid in Engeland, soft spoken maar vasthoudend, bouwde vele jaren aan het experimentele Almeida Theatre in Londen. Hij leidt het gezelschap sinds 1988. Hij bindt steeds maar weer Duitse regisseurs aan zich: Willy Decker, Klaus Michael Grüber, Jossi Wieler.

Zelf is hij als regisseur modern en ouderwets, radicaal en conventioneel, zinnelijk en intellectueel tegelijk. Hij gaat in alles rustig te werk, wil niet graag schokken, liever zachtjes overtuigen. Naast vroege Mozarts en een voorkeur voor streng formele, voor zichzelf sprekende barok heeft Audi met De Nederlandse Opera bijna twintig premières gebracht. Natuurlijk veel van inheemse componisten, in het bijzonder Louis Andriessen in combinatie met Peter Greenaway, maar ook Tan Duns Marco Polo (1996) en Tea (2003). Hij heeft daarvan zelf het merendeel geënsceneerd.

Pierre Audi is zo op zijn eigen manier een pionier. In zijn theater was, na Zürich, de eerste Monteverdi-cyclus te zien, voordat die componist van de late Renaissance bij alle anderen in de mode kwam. Hij heeft eind jaren negentig de eerste volledig Nederlandse Ring des Nibelungen geproduceerd, in een soort ruimte_-Bühne_ van George Tsypin, als Ring der elementen, met steeds nieuw hoofdmateriaal voor de vier delen. Helder, inzichtelijk, logisch verteld, zonder de interpretatie van het stuk werkelijk verder te brengen. Hij heeft in 2001 bij Manfred Trojahn nieuwe recitatieven besteld voor de lacunes die Mozart liet in La clemenza di Tito. Hij is een gevoelige estheet, maar hij neemt ook graag monsterstukken als Les Troyens op zijn schouders, als big show voor een breed publiek.

Visueel verrassende ensceneringen zijn Audi’s handelsmerk. Ze blijven meestal zelfgenoegzaam binnen hun eigen context; er zitten maar heel zelden weerhaken aan. Het interessante toneelbeeld en de dominante lichtregie zijn altijd plezierig.

Pierre Audi werkt met eersteklas partners en medewerkers, zoals Emi Wada, Chloé Obolensky en Patrick Kinmoth voor kostumering, of Jean Kalman voor het licht. Maar na zeventien jaar zijn er veel dingen die een beetje sleets aandoen. Details die vroeger opwindend waren zijn verstild tot een soort weemoedige mildheid van een oudere heer.

Als Audi buiten de deur regisseert, zoals bij de première in München in 1997 van het late werk van Henze Venus en Adonis – waar een reusachtige olijfboom van het Griekse eiland Hydra op het podium werd herschapen in een perfect siliconenafgietsel – werkt hij toch wat kaal en sober. Te veel vragen blijven open. Het kan zijn dat hij dat uit principe doet, zoals in die heel eenvoudige, maar kostbaar glanzende baroktrilogie (Händels Tamerlano en Alcina en Rameau’s Zoroastre) die hij tussen 2000 en 2005 in het fantastische kasteeltheater van Drottningholm bracht. Daar liet hij de geest van die uitzonderlijke plek spreken.


Manuel Brug was muziekcriticus van de Süddeutsche Zeitung, Opernwelt, Wochenpost en Tagesspiegel. Sinds 1998 is hij redacteur klassieke muziek, dans en musical bij Die Welt