Reinbert de Leeuw, 8 september 1938 – 14 februari 2020

Dirigent, pianist, componist en muziekbestuurder Reinbert de Leeuw was het geweten van de nieuwe muziek. Weinigen hebben het muziekleven zo diepgaand beïnvloed als die ene geroepene.

In de bijbel was de kettingrokende ketter Reinbert een Profeet geweest. Hij had een veelbetekenende affiniteit met componisten die als een Messiaen of Goebaidoelina onwankelbaar op god vertrouwden – of de magische atheïsten die, denk aan Ligeti of Kurtág, hun oeuvres schiepen met de metafysische gedrevenheid van de gelovigen. Zelfs de absurdistische Satie, zijn eerste grote ontdekking, was een rozenkruiser. Hij was de muze van componisten met een missie; zendelingen voor wie, hoor je hem met pathetische nadruk zeggen, Geen Noot Zonder Betekenis Was. Hij was de kwartiermaker van het absolute.

In zijn pseudoreligieuze wijding zit systeem. Aan zijn laatste grote opdracht, Bachs Matthäus-Passion, zie je De Leeuw zich in een documentaire van Cherry Duyns met huid en haar overgeven. Je ziet hem zangers en orkest bezwerend uitleggen hoe hij het in Bachs geest wil hebben. Maar je ziet ook de intuïtieve zekerheid dat hij namens Hem spreekt. Hij volgt zijn soms controversiële interpretatieve wegen in de overtuiging dat het zo moet en niet anders, ook waar hij musicologisch gesproken over Bachs intenties in het duister tast. Je ziet een reinbertiaanse verstrengeling van nederigheid en onwrikbare zekerheden. Zoals Bachs Jezus tegen zijn discipelen ‘nehmet, esset, dies ist mein Leib’ zegt maar wel Christus blijft, zo had De Leeuw zich met het recht van de sterkste laten verzwelgen door de kunst. Terwijl zijn uitgemergelde lijf al jaren niet meer wilde, bleef zijn geest waakzaam. Een geroepene zonder god, die overleefde op een passie.

‘Ik heb een behoorlijk talent’, zei hij, ‘om meegesleept te worden.’ Dat heet: je overgeven, je dienstbaar maken aan het hogere. Hij kon het als geen ander. Reinbert was anti-totalitair. Hij verafschuwde als prille componist de seriële techniek die in de jaren vijftig technocratisch voorschreef hoe je componeerde. In de jaren zestig kwam hij als Notenkraker met mede-Notenkrakers Peter Schat, Misha Mengelberg en Louis Andriessen in opstand tegen het regenteske conservatisme van het Concertgebouworkest. Anderzijds was hij even totalitair als zijn opponenten. Hij was het zelfs in zijn grenzeloze dienstbaarheid aan levende componisten; dan had hun wil te geschieden zoals bij Bach, uiteindelijk, de zijne. Dat moest. Hij wilde ze zo sterk maken als hij vond dat ze verdienden.

Een geroepene zonder god, die overleefde op een passie

De Reinbert van zijn vroege glorietijd, de jaren zeventig en tachtig, had een strategisch voordeel. Hij kon zijn zin doordrukken in een wereld waarin mensen zoals hij hun gezag nog op competentie konden afdwingen. In het huidige consensustijdperk zou zijn autoritaire wilskracht kansloos zijn. Maar hij kon het Schönberg Ensemble tot de spil maken van een ensemblecultuur die er zonder hem niet was geweest, als muziekautoriteit het publieke debat over nieuwe muziek vergaand bepalen. Geen musicus heeft het muziekleven zo radicaal hervormd, hoe de kabinetten-Rutte en hun paladijnen zich ook hebben ingespannen om de sector af te breken.

De Leeuw heeft er alles voor gegeven, ten goede en ten kwade. De kunstmonnik was ook een gehaaide machtspoliticus met onhebbelijke kanten. Je moest hem niet in de weg zitten. Als bestuurder vocht hij voor de ensembles die hem dierbaar waren, via het Fonds voor de Scheppende Toonkunst voor de Nederlandse componisten waar hij in geloofde. In strijd met zijn pleidooien voor vrijheid en tolerantie in de kunst kon hij zich onverzoenlijk uitlaten over muziek die niet aan zijn uniciteitsmaatstaf beantwoordde. Ik ken verslagen tegenstanders die de komende maanden ongetwijfeld aan de oppervlakte komen. Maar zijn wil heeft wat opgeleverd. Satie, Adams, Górecki, Goebaidoelina, Kagel, Kurtág, Ligeti, Messiaen, de late Liszt en late Sjostakovitsj, Oestvolskaja of Claude Vivier hadden zonder hem nooit blijvend op de kaart gestaan. Enkele Nederlandse componisten zijn hem eeuwig dank verschuldigd voor zijn diepte-investering in hun oeuvres. Wat was Louis Andriessen zonder hem geweest, ook buiten Nederland? In Los Angeles zag ik Reinbert in 2010 het Los Angeles Philharmonic dirigeren tijdens de Amerikaanse première van Andriessens opera La Commedia. Dat die rare, dwarse Andriessen op een van de grootste Amerikaanse podia stond te schitteren moest toch ook de verdienste zijn van zijn grootste pleitbezorger. De LA Times destijds: ‘De Leeuw is Virgil to Andriessen’s Dante, the perfect guide for his music.’ Zo waar.

Reinbert had het wereldbeeld van de geroepene, die ook zijn eigen vita opvatte als een bijbelse geschiedenis van openbaringen en keerpunten. In interviews vertelde hij tussen de superlatieven door altijd hetzelfde verhaal. Hoe hij in de jaren zestig via de muziek van Charles Ives de vrijheid herontdekte en de modernistische terreur van zich kon afschudden. Waarom hij na zijn orkestwerk Abschied (1973) het componeren opgaf, omdat er te veel andere componisten in zijn hoofd spookten. Dus was hij maar dirigent geworden. Zijn techniek was naar Haitink- of Chailly-normen primitief. Maar hij was Reinbert, dat scheelde. Hij kon organiseren, analyseren en met zijn ongelooflijke overtuigingskracht gesloten werelden ontsluiten. Zo sloeg de anti-dirigent zich magistraal door monsterlijke meesterwerken als Schönbergs Gurre-Lieder en Messiaens Saint François d’Assise. Wil werd wet.

Wat nu? Er is niemand die hem als missionaris voor de nieuwe muziek kan vervangen. Niemand met zijn obsessiviteit, zijn soms letterlijk meedogenloze liefde voor het ongehoorde. Dat is in het cultuurvijandige klimaat van nu een alarmerende gewaarwording. Intussen: rust in vrede, Reinbert. Wat een eenmalig, onmogelijk en genereus mens was je. Wat heb je onwaarschijnlijk veel tot stand gebracht.