Reinheid

Heb ik eindelijk een roestvrijstalen keuken, komt er geen grond in. Hoe doet Boymans dat toch?

IK WEET NIET wat mij heeft bezield om een roestvrijstalen keuken te kiezen, maar inmiddels is ze de vloek van mijn bestaan.
Zoals altijd is het de schuld van mijn moeder. Ik weet niet of het nurture is of nature, maar haar reinheidsfanatisme heeft in mij een verwoestend spoor van neuroses en fobieën achtergelaten waarvan ik mij pas op 15 mei 1981 bewust werd. Dat was de eerste avond die ik doorbracht in mijn eerste huis. Een moment waarin gevoelens van vrijheid en trots om voorrang streden met de beloftes en toekomstvisioenen die bij nieuwe zelfstandigheid horen, maar mij staat alleen nog bij dat ik die avond gedachteloos een doekje over het aanrecht haalde en mijzelf hoorde kreunen dat ik mijn moeder was geworden. Daarna is het niet meer goed gekomen.
Roestvrij staal - het favoriete materiaal voor horeca, ziekenhuis en mortuarium - heeft voor reinheidsneuroten een bijna pornografische kwaliteit. Schoon op het antiseptische af, schier onverslijtbaar, rationeel en een uitstraling van onaangedaanheid die mij op een verwarrende manier raakt.
Ik ontdekte dat jaren geleden, toen ik het Boymans binnenliep en daar, in de grote zaal, een kunstwerk zag dat me niet meer heeft losgelaten: Walter de Maria’s A Computer Which Will Solve Every Problem in the World. 75 roestvrijstalen staven van een meter, variërend van drie- tot twaalfhoekig en dat alles neergelegd in een strikt patroon. De daaropvolgende dagen ben ik nog zeker vijf keer gaan kijken, in gezelschap van zo ongeveer iedereen in mijn omgeving die niet blind was of Henk of Ingrid heette.
75 stalen staven op de vloer in een museumzaal en ik raak… nou ja… ontroerd?
Als ik vrij moet associëren, dokter, dan zeg ik: orde, onaantastbaarheid, eeuwigheid. Na staal hoeft niets meer. Het verval is gestuit. De Endlösung voor het interieur. En dat zal zijn waarom ik mij er graag mee omring. Hoewel dat verwarring oproept.
Mij schiet het bezoek te binnen van een interviewer die mijn studio betrad en op de drempel terugdeinsde. Was dit mijn… werkkamer? Ik geef toe: mijn studiootje verhield zich tot, zeg, de somptueuze vertrekken van Harry Mulisch als de badkamer van een anaal gefixeerde architect tot een interieur uit een Peter Greenaway-film. Niet leuk, niet warm, niet gezellig. Alleen wat nodig is. Het is ongetwijfeld het symptoom van een diep en dramatisch hechtingsprobleem waardoor ik geen band heb met ‘spullen’. Als kind al niet. Wee het jeugdvriendje dat iets uit mijn alfabetisch geordende speelgoedverzameling bewonderde. Hij kon niet naar huis zonder het object in kwestie mee te nemen.
Zo'n man kiest een roestvrijstalen keuken en denkt er niet over na hoe je die schoonhoudt.
En nu zit ik ermee. Elke keer als ik vingerafdrukken en vegen op de deurtjes zie ontstaat er een kleine kortsluiting in mijn hoofd en stijgt een grom in mij op die ik maar nauwelijks kan onderdrukken. Ik heb internetfora afgegraasd en de keukenkastjes systematisch onderworpen aan oud-Hollandsche en moderne huishoudtips, maar niets werkt. Nou ja, hard poetsen, heel hard en heel veel en heel lang. En op de een of andere manier is dat niet wat ik met staal associeerde. Was het niet de bedoeling dat door staal alles makkelijker werd?
Het streven naar huishoudelijk gemak wordt samengebald in een toekomstvisioen uit de jaren vijftig, waarin de gehele woning is bekleed met teflon en moeder de huisvrouw, als man en kinderen de deur uit zijn, vastberaden een tuinslang pakt en alles lekker schoonspuit. Met de atoomauto, uit dezelfde documentaire over de aanstormende zegeningen van The Twentyfirst Century, is dat er niet van gekomen. Ultiem huishoudgemak wordt nog steeds alleen bereikt door een goede werkster en die is tegenwoordig net zo zeldzaam als een econoom met een antwoord op de vraag hoe het zo ver heeft kunnen komen. Mijn werkster heeft er inmiddels het bijltje bij neergegooid en ik weet wel zeker dat dat te maken heeft met mijn roestvrijstalen keuken. Die stond nog geen twee weken zelfingenomen te glanzen toen de werkster op de deur van mijn werkkamer klopte en met zichtbaar beheerste moeite uitbracht dat ze 'geen grond kreeg in die keuken’. Geen grond, dat zei mijn moeder ook altijd. Dat is het ultieme streven van de reinheidsneuroot, een staat van maagdelijkheid die je gek maakt en mijn werkster uiteindelijk hoofdschuddend deed vertrekken om nooit meer terug te keren. Waardoor we nu in de merkwaardige situatie zijn beland dat het onderhoudsvrije materiaal dat ik voor mijn keuken koos ertoe heeft geleid dat ik voor het eerst in meer dan twintig jaar zelf met microvezeldoekjes, suspecte spuitbussen en zachte katoenen lappen sta te poetsen op iets waarin ook ik geen grond meer krijg en ik aarzel tussen verplicht te dragen katoenen handschoentjes voor het hele gezin en al het staal vervangen. Of misschien moet ik Boymans bellen en vragen hoe zij de 75 staven van Walter de Maria vlekkeloos en glanzend houden. Glassex? Een sopje van afwasmiddel? Drupje chloor in heet water en daarna inwrijven met olijfolie? Poetsen met een speciale pad die alleen bij bepaalde Blokker-filialen te krijgen is? Heeft Boymans een geheim, zelfontwikkeld middel?
Maar wacht. De Maria’s werk ligt het grootste deel van de tijd, zeer tot mijn ongenoegen, in de kelder. Dat had mij veel eerder aan het denken moeten zetten. De aristocratische reactionair De Maistre zei het al: 'Dat is de wet van de natuur, van mens tot mijt: geboorte, leven, dood. Alles is verval.’