Reis door de nacht

Eerst was er de drang naar kennis. Hoe was het om tegen de Russen op te rukken, hoe was het om op de Normandische stranden te landen? Toen kwam het verlangen naar dat wat er na het weten komt. Daar hoorden weer andere schrijvers bij. De bijeengelezen Tweede Wereldoorlog van een babyboomer.
DE TWEEDE WERELDOORLOG begon in 1965, zo ongeveer op het moment dat ik leerde lezen.
Al als kind vertoonde ik een grote belangstelling voor boeken. Waar mijn ouders de box ook neerzetten, blindelings wist ik ze te vinden. Ik stak mijn beentjes door de spijlen, plantte ze stevig op de vloer en sleepte de box met korte, heftige rukjes achter mij aan. Eenmaal bij de boekenkast aangekomen en rood aangelopen hervatte ik mijn liefste werk: het doorscheuren van boeken. Ik maakte geen onderscheid: fotoboeken, romans, dichtbundels, strategische werken over de oorlogsvoering, alles ging door mijn handen. Ik vulde mijn box met een papieren wereld, met de fragmenten van zoveel andere werelden. Delen van foto’s en gedichten, harde en zachte kaften. In dat nest legde ik mij vervolgens te rusten. Een snipperbed.

Mijn ouders hielden van boeken en wilden hartstochtelijk dat ik die liefde zou overnemen. Mijn - beslist niet gespeelde - belangstelling vertederde hen dan ook. Toch besloten ze mijn box voortaan vast te binden. Mijn eerst, wat tegenwerkende vervoermiddel was nu mijn eerste gevangenis geworden. Vanachter de spijlen van mijn box beloerde ik de boekenkast aan de overzijde van de kamer, zoals de prins zijn prinses aan de overzijde van de rivier. Zelden zal nadien iets zo ver weg zijn geweest.
Van Teun en Gijs, schapen, Does en vuur was het een kleine stap naar de oorlog. Mijn eerste gevechten met verraderlijke Indianenstammen en minstens zo ontaarde bleekgezichten lagen daar nog tussen. De intens katholieke Bob Stanhope, alias Arendsoog, leerde mij het verschil tussen goed en kwaad, wat later door Nietzsche weer behoorlijk op zijn kop werd gezet. Wilden konden, ofschoon goddeloos, een grotere natuurlijke goedheid vertonen dan gewone mensen. Een probleem was alleen, volgens de heren Nowee, dat ze nu eenmaal goddeloos waren, zodat er van al die goedheid maar weinig terecht kwam.
Aan de grond luisterend konden Indianen, goede en slechte, voorspellen welke gebeurtenissen zich in de nabije toekomst zouden voltrekken. Daar heb ik veel profijt van gehad. Ook hadden ze een neus voor de dingen. Ze gebruikten hun zintuigen eenvoudigweg. Door mensen als Witte Veder en later Winnetou, die zelf uit principe nooit vuurwater dronken, ben ik een niet al te plompe wijnkenner geworden. Ook raad ik de aanwezigheid van bepaalde vrouwen in een gebouw aan de geuren die ik bij aankomst in de hal aantref. Indianenverhalen misschien, maar het zijn wel verhalen die mij mijn hondsheid, die mij vanaf mijn eerste jaren stelselmatig werd ontnomen, hebben teruggeven.
Boeken, wist ik al gauw, waren in hoge mate verrijkend. Rode oren, een alerte neus en duizend werelden, duizend dromen. Terwijl mijn nog ongeletterde, ongelukkige broertjes met blokken en vlooien over de grond kropen als Neanderthalers, ontsloot elk boek voor mij een wereld met fantastische horizonten. Van de modder van de middeleeuwse steden belandde ik in een middag tijd in een woestijn, de Llano Estacado bijvoorbeeld, waar fata morgana’s te zien waren en brandende cactuswouden. De reacties die zich dan voltrokken leidden tot kortstondige regenval, waardoor de arme, verdwaalde hoofdpersonen van het verhaal van de dood werden gered. Aan deze elementaire natuurkunde, uiteengezet in een monoloog van Old Shatterhand, moet ik nog altijd denken als ik in tijden van droogte door een bos loop. In mijn broekzak speel ik met vuur.
In mijn jongensjaren heb ik reeksen valkuilen gemaakt, gevuld met glas, brandnetels, houten palen met scherpe punten - voor de blonde vijanden van de overkant van de straat (naamloze jongens, maar van de overzijde). Later, via weer heel andere boeken, leerde ik al dat scherps in mijn woorden aan te brengen. Het bleek dat mensen zich daar nog veel pijnlijker aan konden stoten. Bij mijn weten is er overigens - gelukkig - nooit een vijand in een van mijn, volgens alle regelen der kunst geprepareerde valkuilen (Shoshone, Sioux of Apache) getuimeld.
RUIKEN EN LUISTEREN KON JE leren, pijn ook, maar pijn van anderen bleef lang abstract.
Ook mijn eerste oorlogsboeken leerden mij wat dat betreft weinig. Ik was zeven of acht toen mijn Tweede Wereldoorlog begon. Ik zat met mijn rug tegen het eikehouten kastje waarin mijn moeder de fotoboeken van het gezin bewaarde. Honderden foto’s van ons, haar kinderen, als baby, in allerlei staten van ontkleding, met soms grote ernst en dan weer met vreemde grimassen opkijkend naar de zwarte camera.
Zo'n camera, ik denk een Leica, speelde een rol bij verzetsdaden tegen de Duitsers in het boek dat ik het meest van alle heb verslonden en herlezen: Reis door de nacht van Anne de Vries.
De scheepsjongens van Bontekoe maakten van mij een reiziger, verlangend. Don Quichot en Baron Von Munchhausen onderwezen mij over, wat ik nu zou willen noemen: de methodische dwaasheid. Als je je maar ongeremd genoeg overgaf aan de mensen en de dingen kon je je in elke situatie staande houden, ook als je intussen door de modder werd gesleurd en de veren van je helm werden gemept. Je kon op kanonskogels door de lucht vliegen en en passant, omdat dat nu eenmaal zo uitkwam, de vijand bespioneren, zonder je te bekommeren om je veiligheid. Wat me in beiden vooral beviel was hun facinerende zorgeloosheid, een eigenschap die ik zelf vanaf mijn vroegste jeugd miste. Een totaal gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel waaraan de elementen zich leken aan te passen. Zelfs de zwaartekracht stond daar wat verbaasd, afwachtend tegenover. Tegenover zoveel als vanzelfsprekende overmoed had die iets armzaligs, iets kneuterigs, en daarom vermoedelijk stopte die zijn kop in het zand.
Robinson Crusoe en zijn Zwitserse tegenhangers wezen mij op het reusachtige belang van de vindingrijkheid. Zelfs op een onbewoond eiland, ver van de Europese beschaving, kon je daarmee nog een heel eind komen. Ik bewonderde de Zwitserse Robinsons om hun geduld en een van hun zonen, die heftig terugverlangde naar Europa, om zijn opstandigheid en ongeduld. Ik heb altijd een heel grote schildpad willen hebben, om er een soeppan van te maken, of een exotische wok. Maar hoeveel oprechte waardering ik ook had voor al hun bouwwerken, voor de wijze waarop ze zich teweer stelden tegen de nooit te overwinnen natuurkrachten, ik haatte knutselen. Ik verfoeide handenarbeid. Ik las liever. Ik heb me tijdens mijn jeugd nooit meer thuisgevoeld dan in de peilloze diepten van het lezen. Destijds zou ik me op een onbewoond eiland hebben doodgelezen, desnoods in de bijbel. Galmend tegen de branding in, te midden van het gekrijs van meeuwen, zou ik het Hooglied naar de hemel slingeren, zo stelde ik mij voor. Alle dagen zouden de dag des Heren zijn en toch hoefde ik nooit naar de kerk. Dat was nog eens een wonder.
Maar het boek dat monumentaal boven alle werken van mijn vroege jeugd uitsteekt, is Reis door de nacht. Van dat boek heb ik leren leven, leren vechten en leren huilen. Ik weet niet of de schrijver het zo heeft bedoeld.
MET REIS DOOR DE NACHT begon voor mij de oorlog. Die zo treffende titel zou ook de benaming kunnen zijn van de reis door de oorlog die voor mij met dat boek is begonnen en nooit is opgehouden. Ik weet niet precies wat me zo heeft gegrepen in het meesterwerk van Anne de Vries, het moet een heel complex van dingen zijn geweest. Nu heb ik het boek al minstens twintig jaar niet meer gelezen, maar tal van cruciale momenten haal ik me moeiteloos voor de geest.
Het is mei, vroeg in de ochtend. In de tuin van het fraaie huis dat door de schrijver met zorg wordt getekend, fluiten de vogels. Hoog in de lucht klinkt al minutenlang een onheilspellend gebrom. In hun pyjama’s staan vader en zoon Jan buiten in de tuin. Ze kijken naar boven, gefascineerd en angstig tegelijk. Somber kijken ze elkaar aan. Het is oorlog, weten ze, net nu ze naar Drenthe zijn verhuisd, waar vader - die architect is - zijn eigen huis heeft gebouwd. Ineens raakt vader in paniek. ‘De kinderen’, zegt hij. Het blijkt dat enkele van de kinderen van het grote gezin in Rotterdam en Den Haag logeren. Dan begint in een kleine auto dwars door de eerste oorlogsdagen een tocht via de Afsluitdijk naar de Randstad. Zo leren ze de vijand kennen, ook de verschrikkingen van de oorlog: neergestorte vliegtuigen, gewonden, doden. Tenslotte zien ze Rotterdam branden. De gevechten zijn voorbij, maar hun en mijn oorlog is begonnen.
In een hospitaal in de buurt van Rotterdam kijkt de vijftienjarige Jan plotseling in de ogen van een meisje, een verpleegster met blond haar en guitige ogen, een en al goedheid. Even heft ze haar blik op van de gewonden naar hem. Misschien, zo weet de lezer, is zij niet de mooiste vrouw op aarde, maar toch zeker de liefste. Dit meisje, Trijntje, zal hem voortaan altijd begeleiden, in gedachten. Hun ontmoeting leerde mij hoe schokkend en allesomvattend de eerste verliefdheid is. Een heel lichamelijk kijken waarbij het lichaam niettemin afwezig lijkt, alsof alleen de ogen elkaar peilen die toch alles zien.
Een paar jaar later, als hij al geruime tijd bij verzetsdaden is betrokken, ontmoet Jan een andere vrouw: Sylvia. Een raadselachtig, verleidelijk wezen dat rookt en nagellak gebruikt. Onaards, maar heel aantrekkelijk. Breekbaar en bijna doorzichtig, maar toch heel sterk en niets prijsgevend. Haar in de ogen kijken verschaft geen plezier, geen zekerheden, maar verrukkelijke onzekerheid en verlangen naar plezier. Sylvia betekende voor mij wat Osewoudt en Dorbeck in De donkere kamer van Damocles later nog veel existentieler zouden oproepen: het onbegrijpelijke, gruwelijke gegeven dat mensen helemaal niet peilbaar zijn; dat hun motieven onduidelijk blijven, dat wat goed is in jouw ogen niet noodzakelijkerwijs ook goed is in andermans ogen.
Ik zie voor me hoe Jan en zijn verzetskameraden wegvluchten in een Citroen DS na een overval op, meen ik, een persoonsregister. De auto met haar heerlijke wegligging spuit weg met achteloos, wuft - een sigaret in haar mond -, Sylvia aan het stuur. Ze toont geen enkele angst, ze toont helemaal niets, maar dat toont ze vlekkeloos.
De DS bestond destijds nog niet, misschien ging het om een ouder type Citroen, of Anne de Vries heeft zich een paar jaar vergist, in elk geval heeft die vrouw aan het stuur met haar bontjas en die sigaret in haar mond op mij een onuitwisbare indruk gemaakt. Later bleek ze voor de SD (de Sicherheitsdienst) te werken, de omkering van de DS, de omkering van alles. Ze was een verraadster die voor zijden kousen - daarom altijd zo onberispelijk en zonder ladders -, voor dure etentjes en bontjassen de namen van haar kameraden aan de vijand prijsgaf.
De vrouw als serpent, bij Keats, Baudelaire, Moreau, de symbolisten zou ik haar later terugvinden en haar steeds herkennen als Sylvia, de fascinerende verraadster uit Reis door de nacht. De karaktervolheid van Jan, gericht op het goede, de overeenstemming, harmonie, vond in Sylvia haar tegendeel: de leegte, gemaskeerd als raadsel. Nadien heb ik altijd grote moeite met zwijgende persoonlijkheden gehad.
Van Anne de Vries leerde ik wat collaborateurs zijn, hoe moeilijk het is om moedig te zijn, wat O ZO betekent (Oranje Zal Overwinnen), waarom Sassenheim de meest geliefde plaats voor de Duitsers was (SA, SS en Heim), wat een verwrongen perspectief kan doen. Een van de bijfiguren, een leraar op de middelbare school, heeft sympathie voor de Duitsers, reden voor zijn leerlingen om hem te haten. Naar later blijkt is een deel van zijn familie omgekomen in de Engelse concentratiekampen tijdens de Boerenoorlog in Zuid-Afrika. Zijn lichte sympathie voor de overheerser wordt dus gevoed door zijn wrok, zijn weerzin tegen de geallieerden. Zo kan geschiedenis doorwerken en zo is ook aangegeven hoe lastig het is om een pure blik te hebben, de dingen op zichzelf te beoordelen. De mensen en de dingen hebben vaak meer gezichten en toch moet er soms worden gekozen. Dat existentialistische thema, dat ik later bij Sartre (Het ogenblik van de vrijheid), Camus, Hermans en zoveel anderen aantrof, vond ik als jongetje reeds rudimentair samengebald in Reis door de nacht. De twijfel en de dubbelzinnigheid, naast het verlangen naar volheid, staan ook aan de basis van alle grote literatuur.
NA REIS DOOR DE NACHT begon voor mij het echte lezen. Ik verzamelde boeken over de Tweede Wereldoorlog. Mijn vader bezat bovendien een enorme bibliotheek vol oorlogsliteratuur. Van K. Norels Engelandvaarders (drie delen met titels als Vliegers in het vuur), ging ik naar boeken van Theun de Vries, Jan de Hartog, Alistair Maclean. Geromantiseerde werken, vaak meeslepend, maar al gauw niet meer bevredigend. Uit verschillende bronnen heb ik in elk geval onthouden dat Wilhelmina de eerste Engelandvaarders persoonlijk ontving in haar Londense huis. Terwijl ze naar verhalen over thuis vroeg ('Hebben de mensen honger?’), schonk ze thee. Daarbij presenteerde ze cake, zelfgebakken, 'niet zo klef als die van de Engelsen’, zei ze trots. In bijna alle verhalen verslikken de helden zich in die cake, zo droog was die. Een koningin met een menselijk gezicht die achter haar hand kon lachen om een ruwe opmerking ('Pardon excellentie, ik bedoel majesteit, maar zo zeggen we dat in Urk’), maar die geen cake kon bakken, zo menselijk was ze.
Na de romantiek verlangde ik naar feiten. Zelfs liefdesavonturen, waarin allerlei vrouwelijke welvingen een steeds ontkleder rol gingen spelen, bevredigden mij maar half, of in elk geval maar voor korte tijd. Ik wilde weten wat de echte oorlog was. Zo belandde ik, op het paard van de literatuur, in tal van veldslagen, in de linies van de echte soldaten, daar waar het toeval en de willekeur heersten. Ik las Brongers over de slag bij de Grebbeberg en de strijd in Zuid-Limburg (nauwelijks gevoerd). Ik werd gegrepen door deze authentieke verslagen waarin persoonlijke moed en persoonlijke angst werden beschreven. Ik probeerde me voor te stellen hoeveel lawaai een oorlog maakte en hoe krankzinnig je daarvan werd. Toen begreep ik waarom maar een heel klein percentage van de soldaten gericht, doelbewust op de vijand schoot.
Als lezer bevond ik mij als partizaan op Kreta, ik landde op de Italiaanse en Normandische kusten, ik voerde de slag bij Montecassino te midden van de Indiase Gurka’s die door de Engelsen altijd op de gevaarlijkste punten werden ingezet. Ik deed hartstochtelijk mee aan de Operatie Barbarossa, aan de zijde van de Duitsers ditmaal, omdat ik de ijzeren drietand van de aanval (op Leningrad, Moskou en Stalingrad) zo geniaal vond. Ik kende alle legeronderdelen die werden ingezet uit mijn hoofd. Alle deuren van het OKW (het Oberkommando der Wehrmacht) gingen voor mij open. Het tegenoffensief van de Russen, later, heb ik daarentegen aan de kant van Maarschalk Zjoekov beleefd. Zo wist ik zeker dat ik zou winnen.
Dit was het tijdperk van de onbeperkte weetgierigheid. Ik kon mij zowel met Graf von Stauffenberg als met Hitler identificeren, over wie ik een serie biografieen las. Zoals Harry Mulisch in een van zijn beste boeken Adolf Eichmann schiep door hem als een gewoon mens - zij het een hoogst gedisciplineerde ambtenaar - te schetsen, zo heb ik ook lang naar het gezicht van Hitler gekeken om het duivelse terug te brengen tot het verschrikkelijke dat kan worden gebaard door het gewone. Later vonden sommigen dat een vorm van blasfemie, belangstelling voor Hitler een teken van een verderfelijke geest.
In dezelfde tijd las ik Vom Kriege van Clausewitz, dat ook bij mijn vader in de boekenkast stond. Een standaardwerk over de oorlogsvoering waaruit ik later allerlei mensen protserig dezelfde zinnen zag citeren, reden voor mij om te geloven dat zij het boek niet waarlijk hadden gelezen. Zelf kan ik ook niets meer van mijn lectuur herinneren. Ik heb het gelezen met de verwildering van een jonge Faust die alles wilde weten. Niet alleen hoe je goud maakt, of kennis verwerft, maar ook hoe je veldslagen wint. Het was voor mij pure, abstracte wetenschap.
DOOR W.F. HERMANS, die als weinig anderen de ondoorzichtigheid en de ambivalentie van de echte oorlogssituatie heeft verbeeld, kwam ik terug bij de literatuur, na de blijkbaar noodzakelijke omweg van de feiten. Ook in zijn boeken heeft de fotografie een plaats: de werkelijkheid is niet altijd wat die lijkt, zelfs niet op foto’s die de werkelijkheid namelijk kunnen vervormen, manipuleren. Dat (destijds) verrassende inzicht hielp mij uit de droom van de feiten en maakte mij rijp voor de kracht van de fictie.
Toch bleef ik vaak naar de foto’s staren in de boeken van mijn vader, altijd met een verlangen te begrijpen. Hoe konden mensen elkaar dit aandoen? Doordringen wilde ik daar waar niemand komen kon, in de geest van het beest (Eichmann-ambtenaar, Mengele-zelfgekroond God), en ook in de geest van degenen die het hadden gezien, die erbij waren. Veel later las ik de bekende teksten over het onuitsprekelijke, het onzegbare. Met mijn jeugdige overmoed dacht ik destijds dat het wel kon worden gezegd en dat dat moest.
Het verlangen te weten ging door de gelaagdheid en de ambivalentie van de literatuur langzaam over in iets anders, iets waardevollers. Het weten moest ergens toe dienen en waar het weten ophoudt zou je kunnen voelen of vragen kunnen stellen of in onbegrip kunnen blijven steken zonder kwaad te worden. Weten was als eten, je volstoppen, eenrichtingsverkeer. In de jaren dat je van een kind een volwassene wordt, ontwikkelt zich als het goed is ook het besef van een rol in het leven. Precies zoals dat met Jan in Reis door de nacht is gegaan op het moment dat hij zich bewust wordt van een taak, van een verantwoordelijkheid. Soms moet je kiezen en dat kan lastig zijn als goed en kwaad zich anders voordoen, als ze zich hebben vermomd, of als het besef daarvan al lang is verdwenen.
Veel van de boeken die ik nu lees, van schrijvers als Aleksander Tisma, Elie Wiesel, Jorge Semprun, Primo Levi, die vaak jongens waren toen ze het kamp ingingen, gaan uiteindelijk over de speurtocht naar menselijkheid. Over het bewaren van taal, goede herinneringen, menselijke gebaren ook onder barbarij. Zij ontsteken het licht aan het einde van de reis door de nacht. Zij hechten het lezen aan het leven.