Paul Theroux, Dark Star Safari: Een reis van Cairo naar Kaapstad

Reis naar een donkere ster

Paul Theroux

Dark Star Safari: Een reis van Cairo naar Kaapstad

Vertaald door Tinke Davids

Uitg. Atlas, 525 blz., € 29,90

Voor schrijvers van reisverhalen en travelogues betekent reizen vooral onbereikbaar zijn, ontsnappen aan de voorspelbaarheid van het dagelijkse leven. Het is de grote verdwijntruc, de walkabout: de benen nemen naar de wildernis. Zij voelen regelmatig de onbeheersbare behoefte opkomen om zich onder te dompelen in de chaos, om hun leven te riskeren en zichzelf te bewijzen dat zij de angst, de eenzaamheid en de verschrikkingen de baas zijn. Pas achteraf krijgt het reizen vorm en betekenis en kunnen zij via het schrijven orde scheppen in ervaringen die op het moment zelf betekenisloos leken. Het reizen vinden zij vaak een pijnlijke maar onontkoombare noodzaak, die slechts onderbroken wordt door korte ogenblikken van puur geluk.

Paul Theroux vindt die in de eilanden van de Stille Zuidzee, alleen op de blauwe zee peddelend in een staat van genade. Voor die vluchtige ogenblikken heeft hij alles over, en hoe groter de rotzooi en de ontberingen waarin die momen ten zijn ingebed, hoe intenser het gevoel van harmonie met de wereld om hem heen.

De foto op het omslag van zijn laatste boek Dark Star Safari is even lieflijk als stereotiep: ondergaande zon, kale bomen en het silhouet van een zich in een poel spiegelende olifant. Gemaakt door iemand die het boek overduidelijk niet heeft gelezen: alleen reizen door het armste en gevaarlijkste deel van Afrika, via Egypte, Soedan, Ethiopië, Kenia en Zimbabwe naar Zuid-Afrika, heeft niets weg van een prettige tocht langs de wonderen der Afrikaanse natuur.

Wanneer Theroux besluit om naar Afrika te trekken om zich in de bush te bedelven en de plaatsen te bezoeken waar hij als jonge medewerker van het Amerikaanse Peace Corps was geweest, wordt hij geconfronteerd met scheldpartijen, ziekte, beschietingen en berovingen. Hij wordt geteisterd door de genadeloze hitte, de vervallenheid, het geweld, de honger en de armoede van Afrika; door de corruptie van onverschillige ambtenaren en het arrogante egoïsme van hulpverleners die hij beschrijft als lompe, zich gewichtig voordoende verwaande kwasten. Theroux’ ironie wordt weer losgelaten op onbenullige backpackers en rijke safaritoeristen die van Afrika alleen de dure hotels leren kennen. Het woord «safari» heeft in het swahili echter niets met leeuwen en olifanten te maken: het betekent «reis», en dus weg zijn, onbereikbaar en zonder contacten. Achteraf zal Theroux schrijven dat deze reis «een verrukking en een openbaring» was.

Toch is geluk op deze reis niet het overheersende gevoel. Meer dan ooit lijkt Theroux, die tijdens de tocht zestig wordt, in de ban van depressieve gevoelens en raakt hij geobsedeerd door ouderdom, verval en vergetelheid. Hij analyseert scherpzinnig de politieke en economische situatie in landen die de dekolonisatie in totale ontreddering heeft achtergelaten, en waar de hulpverlening en NGO’s slechts beloften scheppen die nooit worden waargemaakt.

Afrika is verworden tot een aan zijn lot overgelaten rampgebied. Het reizen door landen waar belabberde wegen ook nog levensgevaarlijk blijken door bendes gewapende bandieten, impliceert lekke banden, oponthoud en beschietingen. Nairobi blijkt veranderd te zijn in een middeleeuwse hel vol blinden, melaatsen en verminkten, zakkenrollers, sjacheraars en moordenaars. Maraboes, haviken en ratten wedijveren met de bewoners in de eeuwige zoektocht naar iets eetbaars. In Zuid-Afrika wordt Theroux van zijn bagage beroofd en op de terugweg loopt hij een parasitaire aandoening op. Hij zal geafrikaniseerd thuiskomen: beroofd en ziek.

De schrijver Theroux wordt op zijn reizen altijd door andere schrijvers vergezeld. Door Joseph Conrad, wiens Heart of Darkness hij dertien keer leest. In Cairo zoekt hij de oude Mahfouz op, die onbewogen te midden van luid discussiërende bewonderaars een sigaretje rookt. In Zuid-Afrika bezoekt hij Nadine Gordimer. Hij ontrafelt de mythe over de dichter Rimbaud, die de poëzie vaarwel zei om in Harar wapens te verhandelen. In Oeganda herinnert hij zich Naipaul, van wie hij een malicieus portret schilderde in Sir Vidia’s Shadow. Er zijn prachtige momenten van rust en vriendschap, zoals wanneer de jonge Ethiopische Wolde, in wiens gezelschap hij een stuk van de reis heeft afgelegd, in snikken uitbarst wanneer zij afscheid nemen, of wanneer Theroux de eeuwig stonede rastafari van Shashemene bezoekt.

Met Theroux zal de armchair traveller zich geen seconde vervelen. In Omdurman ziet hij de derwisjen met hun lange haren en puntige mutsen hysterisch rondtollen in wierookwolken en trommengeroffel terwijl de zon ondergaat. In Harar treft hij Yusof, die ’s avonds de hyena’s voert zodat zij de stad niet onveilig zullen maken, en elk dier bij naam kent. In het licht van de koplampen ziet Theroux hoe een hongerige hyena een stuk kamelenvlees uit Yusofs mond rukt. Hij staat stil bij het betoverende woestijnlandschap van Noord-Kenia, dat eruitziet als het onaardse oppervlak van een andere planeet.

Dat is het vreemde, verbijsterende en echte waarnaar Theroux op zoek is. Omringd door melaatsen en hyena’s, afval en open riolen, jammerende ezels en de geur van specerijen, scheldwoorden en fluwelen vrouwen ogen die hem naar een schaduwrijke hut proberen te lokken, weet Theroux weer waarom hij van Afrika houdt. Daar is niets dat aan thuis herinnert; in Afrika zijn is alsof je op een donkere ster verblijft.