Reis naar het einde van de haat

Franse ‘soldaten van de pen’ speelden een belangrijke rol in de acceptatie van deportatie en vernietiging van de Franse joden. Zij beschouwden antisemitisme als een typisch Franse traditie.

HET FRANSE antisemitisme is vanouds een zaak van verbaal geweld en agressieve polemieken in de pers geweest, met de Dreyfuss-affaire als hoogtepunt en katalysator van anti-joodse sentimenten. Kranten als L'Antijuif, het katholieke dagblad La Croix en La Libre Parole overschreeuwden zichzelf en elkaar in hun herhaalde oproepen om Frankrijk voorgoed van de parasiterende kosmopolieten te zuiveren. Paramilitaire organisaties als de Ligue antisémitique en de Camelots du Roi van de nationalistische denkschool Action Française gingen de straat op en kalkten Mort aux juifs op de muren. La France juive van Drumont werd de bestseller van het einde van de negentiende eeuw.
Volgens de Franse politicoloog Pierre-André Taguieff, theoreticus van het racisme en auteur van onder meer La force du préjugé (1987) en Les protocoles des sages de sion: Faux et usage des faux (1992), ontstaan er in Frankrijk in de negentiende eeuw vijf antisemitische, elkaar soms tegensprekende tradities. Daarin verwijst de beeldvorming over de jood naar vijf grote ideologische configuraties: liberalisme, traditionalisme, socialisme, racisme en nationalisme.
De jood als religieus, fanatiek en sektarisch wezen wordt gezet tegenover de Verlichtingsidealen van rationalisme en vooruitgang: Voltaires jodenhaat is hier het model. In de negentiende eeuw wordt de nadruk gelegd op joodse weerstanden tegen assimilatie en emancipatie, op het feit dat joden zich uitsluitend zouden richten op de eigen groepsidentiteit. Tegen het einde van de eeuw wordt dit overgenomen door rechts-extremistische bewegingen, die de joden als de enige echte racisten voorstellen. Dit gebeurt nog steeds in de ideologie van Le Pens Front National.
In de traditionalistische, katholiek-reactionaire visie is de jood de niet-christen (de antichrist), vijand van het christendom en van nature geneigd tot samenzwering tegen het Westen. Hier vindt men thema’s terug uit het oude anti-judaïsme: de joden als moordenaars van God en vernietigers van tradities en christelijke instituties, maar ook als liefhebbers van revolutie en moderniteit, die Frankrijk van binnenuit proberen te ondermijnen. Het laatste wordt in verband gebracht met de Franse Revolutie, die de joden vrijheid van godsdienst gaf en dus in deze optiek door de joden zelf zou zijn bedacht en uitgevoerd.
In het ‘linkse’ of 'economische’ antisemitisme is de jood de incarnatie van het kapitalisme en van de kosmopolitische plutocratie. De 'rijke jood’ (Rothschild!) is de onderdrukker van de 'kleine lieden’, hij vervult dezelfde rol als de gehate adel bij de revo lutionairen van het einde van de achttiende eeuw. Deze argumentatie vindt men in de antikapitalistische en anarchistische werken van bijvoorbeeld Proudhon en Toussenel, maar de corrupte joodse bankier die op de samenleving parasiteert is ook een bekend personage uit de romans van Balzac en Zola.
De joden worden als ras met eigen, verontrustende fysieke en psychische kenmerken bestudeerd en geclassificeerd door criminologen als Vacher de Lapouge. Zij worden in negentiende-eeuwse antropologische mythologieën tegenover de 'ariërs’ geplaatst in een periode waarin vulgair-darwinisme en nieuwe theorieën over erfelijkheid hoogtij vieren. Vacher de Lapouge schrijft in L'aryen (1899) de decadentie van Frankrijk toe aan gemengde huwelijken, Drumont vergelijkt Frankrijk in La fin d'un monde (1887) met een ziek lichaam dat door vreemde parasieten is geïnfecteerd.
Tot slot is er het overbekende thema van de jood als vreemdeling en internationalist, als ontwortelde die maar één vaderland heeft: zijn eigenbelang. Hier hebben vooral Barrès met zijn nationalisme social en Maurras met zijn nationalisme intégral een rol gespeeld. Maar of de jodenhaat zich voedt aan republikeinse bronnen zoals bij Barrès of zijn inspiratie zoekt bij een weinig geloofwaardig monarchisme zoals bij Maurras - in Frankrijk treden vooral twee aspecten op de voorgrond: de rol van de katholieke kerk met haar giftige anti-joodse propaganda en de invloed van de traditionalistische visie op een wereld waarin moderniteit gelijkstaat met decadentie en verlies van culturele identiteit.
EDOUARD DRUMONT was degene die al deze aspecten aaneensmeedde en het antisemitisme tot een ideologisch wapen maakte. Het was zijn bedoeling om alle politieke richtingen te herenigen in een land dat door ontluisterende schandalen werd verscheurd. Zijn kwalijke, maar in haar simpelheid doeltreffende ideologie werd op grote schaal nagevolgd: opportunisten, ontevredenen en marginalen van allerlei soort vonden elkaar in hun gemeenschappelijke haat. Zij veroverden een plaats in sociale netwerken en redacties van kranten en tijdschriften die slechts met één doel waren opgericht: het voeren van tot geweld aanzettende lastercampagnes tegen de jood als zondebok voor alle kwalen waaraan de Franse samenleving dreigde te bezwijken.
In de Eerste Wereldoorlog hadden grote aantallen joden vrijwillig aan de zijde van de 'poilus’ gevochten, waarmee zij de felbegeerde Franse nationaliteit hadden verworven. De jaren twintig waren voor de Franse joden een betrekkelijk rustige periode, maar met de economische recessie, de komst van gevluchte joden uit Oost-Europa en het aantreden van het linkse Volksfront onder leiding van Léon Blum laaide de haat weer op. De politieke mythe van de 'Joodse Republiek’ was geboren: het 'joodse complot’ had zijn heerschappij over Frankrijk gevestigd en de zuivere, lieflijke Marianne door de wellustige, verdorven Rachel vervangen.
De bezetting van Noord-Frankrijk door de Duitse legers in 1940 was in de woorden van Maurras de 'divine surprise’, die de Parijse antisemieten in staat moest stellen een stem te krijgen in Pétains autoritaire gerontocratie in Vichy. De Derde Republiek was afgeschaft en de 'Franse Staat’ had de strijd aangebonden tegen 'de monsterlijke alliantie tussen het communisme van Moskou, het radicalisme van de vrijmetselarij en het internationale joodse kapitaal’.
Vichy herstelde de macht van de katholieke kerk, benadrukte het belang van het gezin als hoeksteen van de samenleving, en ontwierp een cultureel renovatie-project van de Franse natie dat in feite een terugkeer naar het Ancien Régime inhield. Een autoritaire staat die in osmose met de kerk leefde, waarin politiek pluralisme plaatsmaakte voor dictatuur, vakbonden voor corporaties, vrijheid en gelijkheid voor een hiërarchisch stelsel waarin de aanhangers van Pétain het voor het zeggen hadden, en die het opsporen en vernietigen van de vijanden van de staat tot prioriteit verklaarde - zo zag de Franse variant van het Europese fascisme eruit. De nieuwe leuze werd 'Werk, Gezin en Vaderland’; de nieuwe ideologie baseerde zich op het nostalgische beeld van het oude agrarische Frankrijk met de bekende waarden van la terre et les morts (de Franse variant van de Blut und Boden-ideologie), in een sausje van folkloristisch sentiment.
De ambtenaren van Vichy wilden zo ijverig maar ook zo onopvallend mogelijk de bevelen uitvoeren: uitsluiting van buitenlandse en later ook Franse joden via felle propaganda-campagnes, gevolgd door discriminatoire maatregelen en wetten, en uiteindelijk door razzia’s, internering in doorgangskampen en deportatie, met als doel de totale uitroeiing van de Franse joden.
DE PARIJSE 'collaborationisten’ - journalisten, schrijvers en academici die zich met de 'arische’ overwinnaars identificeren en de Duitse strijd tegen het 'judeo-bolsjewisme’ in eigen land willen voeren - verachten de oude, niet altijd even heldere Pétain. Zij nemen hun rol van Franse hulpjes van het nazisme uiterst serieus en willen steeds radicaler maatregelen, zij verlangen dat Vichy sneller en verder gaat in het oplossen van het 'joodse vraagstuk’.
Het antisemitisme van collaborerende schrijvers-journalisten als Rebatet, Céline, Brasillach of Châteaubriant komt niet uit de lucht vallen: sinds de Dreyfuss-affaire heeft de jodenhaat in Frankrijk het gezicht aangenomen van een politiek-literair vertoog met een eigen taal, eigen tradities en culturele codes. Er is een schrikbarend uitgebreide antisemitische literatuur, waarvan La France juive, Célines Bagatelles pour un massacre (1937) en L'école des cadavres (1938), en Rebatets Les décombres (1942) slechts de bekendste werken zijn. De constante herhaling van clichés, stereo- en etnotypen heeft voor opportunisten en tweederangsauteurs evenals voor hun lezers een identiteitscheppende functie. Zoals ten tijde van de Dreyfuss-affaire wordt de jodenhaat het verbindende element dat lieden uit verschillende politieke richtingen bijeenbrengt.
De collaborationisten beschouwen antisemitisme als een typisch Franse traditie en niet als iets wat door de bezetter is opgelegd: een antisemiet zijn is voor hen een manier om te laten zien dat je een echte Fransman bent. Zo verkondigt Louis Thomas in Les raisons de l'antisémitisme (1942) dat in het nieuwe Europa geen plaats voor joden zal zijn. Voor hem staat jodenliefde gelijk met verraad aan de gestorven voorouders. Fransen dienen weer meester te worden over hun politieke en intellectuele erfgoed, zij mogen niet bang zijn om hun antisemitische tradities te erkennen. Thomas beschrijft antisemitisme als een specifiek Franse eigenschap, die slechts door de Duitsers werd 'geleend’.
Het nationalisme van de collaborerende schrijvers houdt een paradox in: om Frankrijk te redden moeten zij zich wenden tot de bezetters van het land. Zij vechten daarom verbeten tegen de interne vijand, die de synthese wordt van alle mogelijke belagers van de natie. Etnische en ideologische zuivering wordt naar het eerste plan geschoven, en de uitsluiting en vervolging van de joden worden voorgesteld als de natuurlijke reactie van een 'gezond lichaam’ dat zich verdedigt tegen een gevaarlijke infectie. Het negatieve type van de rijke, decadente speculant wordt opnieuw tegenover het positieve type van de hardwerkende, eenvoudige en zuivere boer gezet.
De collaborationisten zien zichzelf als 'soldaten van de pen’, wier rol even heroïsch en strijdvaardig dient te zijn als die van echte krijgers. In de periode 1940-1945 hebben zij een belangrijke rol gespeeld in de acceptatie van deportatie en vernietiging van de Franse joden. Zo schreef Robert Brasillach in 1942 in de beruchte fascistische krant Je suis partout: 'Wij moeten ons en bloc van de joden ontdoen en de kinderen niet hier houden.’ Tot grote verrassing van de Duitse autoriteiten, die expliciet hebben verzocht om kinderen onder zestien jaar niet op transport te zetten, pleit het hoofd van de regering Pierre Laval bij Eichmann ervoor dat deze kinderen samen met hun ouders naar de concentratiekampen worden gestuurd. Tussen 1942 en 1944 worden 6012 kinderen onder de twaalf jaar in Auschwitz vergast. Na de oorlog zal de gevangengenomen Brasillach ter verdediging aanvoeren dat hij slechts familiehereniging had voorgestaan.
WAT TAGUIEFF in zijn laatste boek L'antisémitisme de plume 1940-1945 'het antisemitisme van de antisemieten’ noemt, is een ideologische beweging waarin nationalistische denkers, schrijvers, kunstenaars en wetenschappers verenigd vechten tegen Frankrijks eeuwige vijand. In 1941 wordt zelfs de Vereniging van anti-joodse journalisten opgericht, die zich tot doel stelt te strijden tegen de machten van het kwaad’, en de joden aanwijst als de schuldigen aan de oorlog en aan Frankrijks nederlaag. De leden zijn beruchte collaborationisten als Rebatet, Coston, Lestandi en P. A. Cousteau (de broer van de kapitein van de Calypso). Het is geen grote groep, maar wel één die beschikt over de middelen om de publieke opinie te mobiliseren en goede contacten heeft met de bezetters.
Onder hen vindt men de echte antisemieten, de fanatici van lang voor 1940, maar ook nieuwe bekeerlingen, opportunisten die van hun pen leven en profijt willen trekken van de uitbarsting van jodenhaat. Er zijn ook conformisten, die zich de antisemitische stijl moeiteloos aanleren. Voor het eerst worden tussen 1940-45 hun eisen gesteund door een regering die dankzij de Révolution nationale de verpletterde en vernederde natie wil bevrijden van decadentie, corruptie en moderniteit, die aan de kwalijke invloed van de machtige joden worden toegeschreven.
De belangrijkste diehard van het antisemitisme is Céline, die dankzij zijn reputatie als grote schrijver een ereplaats krijgt toebedeeld in de galerie der 'profeten’ van het raciale, hygiënistisch-eugenetische antisemitisme. In 1938 al had Céline de oplossing voor het 'joodse vraagstuk’ bedacht: sterilisatie, in de twee betekenissen van het woord. Naast daadwerkelijke sterilisatie vraagt hij ook om totale ontsmetting van Frankrijk, en hiermee verwijst hij naar wat de nazi’s Endlösung zullen noemen. Céline balanceert steeds tussen deze twee betekenissen, maar zijn bewonderaars hebben hem goed begrepen: wat Céline vraagt, is de totale uitroeiing van de Franse joden. Dit vooral maakt dat hij in de kringen van collabora tionisten als grote voorloper en geniale ziener wordt gefêteerd.
Het 'delirium’ van Célines antisemitische pamfletten blijkt een uiterst beheerst en goed gedocumenteerd fenomeen. De schrijver citeert, plagieert en herschrijft de onbekend gebleven antisemitische werkjes uit de jaren dertig. Bij hem is het woord 'jood’ noch een lege metafoor, noch de uitdrukking van paranoïde angsten, noch een humoristische stijloefening, zoals sommige verblinde literatuurwetenschappers lange tijd hebben beweerd, waarmee zij Céline’s antisemitisme tot een vervelend bijverschijnsel van zijn literaire oeuvre reduceerden of zelfs eenvoudigweg negeerden. Céline was ongetwijfeld gek, maar hij wist wat hij deed.
Zoals alle radicale antisemieten onthult Céline in de pamfletten met dwangmatige nauwkeurigheid wie er volgens hem in Frankrijk joods is, hij geeft cijfers en informatie over het 'joodse complot’, vulgariseert raciale theorieën en vraagt om toepassing in Frankrijk van de Neurenbergse rassenwetten. Voor hem is het racisme van de nazi’s het enige ware, omdat dit op de wetenschap berust en, meer nog, omdat het daadwerkelijk tot uitvoer wordt gebracht.
De pamfletten zijn niet Célines laatste woord over het joodse vraagstuk. Tijdens de bezetting is hij een graag geziene gast in kringen van de meest extreme jodenhaters, die sleutelposten bekleden in de politiek en de instituties die zich met anti-joodse propaganda bezighouden. De 'grote schrijver’ levert bijdragen aan weerzinwekkende antisemitische kranten als Au Pilori, Je suis partout en La Gerbe, signaleert de echte of fictieve joodse identiteit van bekende persoonlijkheden uit de Parijse kunstwereld en neemt deel aan officiële antisemitische 'culturele’ manifestaties. Hij zou een van de gasten zijn op het internationale anti-joodse congres dat in juli 1944 door Rosenberg was georganiseerd, maar helaas stak de geallieerde landing in Normandië daar een stokje voor. In brieven aan geestverwanten en in de pers voert hij dezelfde gewelddadige strijd als in de pamfletten.
Na de oorlog zou Céline nooit op zijn vroegere uitlatingen terugkomen of enig teken van spijt tonen. Hij reageert enthousiast en in de bekende celiniaanse stijl op het eerste boek waarin de shoah wordt ontkend, Le mensonge d'Ulysse (1950) van Paul Rassinier: 'Dit bewonderenswaardige boek zal veel stof doen opwaaien - TOCH WEL. Het zaait twijfel over het bestaan van die magische gaskamer! dat is niet niets! de gaskamer, dat was alles! daarmee was ALLES geoorloofd!’
HET 617 PAGINA’S dikke L'antisémitisme de plume is een belangwekkend werk omdat het een vrij compleet beeld van het Franse antisemitisme geeft, met een theoretisch gedeelte door Taguieff, een aantal studies waarbij vooral 'Céline, un anti–juif fanatique’ van Annick Duraffour opvalt, biografische schetsen van de bekendste collaborationisten en een keuze uit hun artikelen. Taguieff vindt de directe kennismaking met deze vaak ondraaglijke teksten noodzakelijk. Om te analyseren, verklaren en begrijpen moet je 'het tekstuele monster in de ogen kijken’, zegt hij in het tijdschrift Le Nouvel Observateur.
Helaas houdt deze droevige Franse traditie niet op in 1944. Misschien moet Taguieff zich nog eens buigen over de volgende periode, met het neofascisme van Maurice Bardèche, het racisme van het Front National en de pseudo-wetenschappelijke school van het negationisme, de ontkenning van de holocaust. Voor Jean-Marie Le Pen zijn de joden nog altijd de grootste 'historische vijanden’ van Frankrijk. In zijn toespraken worden zij nog regelmatiger genoemd dan de Arabieren, zij het op een indirecte manier wegens de nu geldende sancties op antisemitische uitlatingen. De Franse 'soldaten van de pen’ zijn iets voorzichtiger geworden, maar zij zijn nog lang niet uitgesproken.