Reizen: een droevig genoegen

Paul Theroux. _De tao van het reizen. _Vertaling Henk Schreuder. Atlas, 368 blz., € 24,95

Paul Theroux, The Tao of Travel, € 19,50

Voor globetrotter Paul Theroux is de trein het ideale vervoermiddel. En het treinstation is als doorgangshuis vaak een minidemocratie waardoor hij als wereldreiziger sneller doordringt in de hiërarchie van een samenleving die hem vreemd is. Als hij eenmaal is ingestapt is de trein een tijdelijke behuizing: iedereen is anoniem even op bezoek bij elkaar. Of hij nu de Oriënt-Express neemt of in India dagenlang in een overvolle coupé bivakkeert, de gesprekken van Theroux met medereizigers leveren inkijkjes op in leefgewoonten en cultuurtradities. Die gesprekken kunnen onthullend zijn, omdat de reizigers weten dat ze tijdelijk gezelschap vormen en openhartig vertellen; en dankzij de blik uit het raam kan het langsschuivende landschap bestudeerd worden.

Een van de hoofdstukken in Paul Theroux’ De tao van het reizen, zijn handleiding voor de prille reiziger, heet De genoegens van het treinreizen. En inderdaad, wie bekend is met zijn oudere reisverhalen De grote spoorwegcarrousel of De oude Patagonië-expres weet dat Theroux de vluchtige vliegreis liever overslaat maar zweert bij de nachttrein, die voor hem zelfs ‘iets vreemds, iets verdorvens’ (De grote spoorwegcarrousel retour) heeft.

Reizen moet je alleen doen, want gezelschap leidt af. En luxe is de vijand van de scherpe waarneming. Reizen is een droevig genoegen, een ‘innerlijke ervaring’, een dubbele gemoeds­toestand voor wie niet bang is voor eenzaamheid. Reizen als heimwee naar oorden die je nog nooit hebt bezocht. Dat zijn een paar van de vele definities die Theroux in De tao van het reizen geeft. Het boek is niet alleen een verslag van Theroux’ ervaringen met een halve eeuw reizen, hij laat de lezer ook delen in zijn reislectuur door de jaren heen. Het is niet raadzaam om De tao van het reizen achter elkaar uit te lezen. Wie weinig reisverhalen heeft gelezen duizelt het al na een paar hoofdstukken: veel namen, veel titels. Het boek is overvol, de informatie overdonderend. Gelukkig heeft Theroux zijn belezenheid in rubriekjes ondergebracht, zodat de lezer kan kiezen. Hij kan bijvoorbeeld beginnen met de ‘reiswijsheden’ van Henry Fielding (Lissabon), Samuel Johnson (Schotland) of Evelyn Waugh (Afrika). Of hij bestudeert Murphy’s reisregels, dat wil zeggen de tips van de door Theroux bewonderde beroepsreizigster Dervla Murphy: zoek de minst bezochte gebieden van een land op, verdiep je in de geschiedenis, reis alleen of met een kind, werk geen reisplan uit, zorg zelf voor vervoer, ontloop de moderne communicatiemiddelen, verzamel de beste kaarten en wees voorzichtig maar niet verlegen.

Reizen kan een beproeving zijn, een test voor het uithoudingsvermogen. Wie reist ontsnapt uit zijn dagelijkse omgeving en merkt dat overal ter wereld mensen wonen die hun eigen habitat zien als ‘de navel van de wereld’. Wie bang is voor vreemd eten kan in De tao van het reizen alvast wennen aan buitenissig voedsel, want bijna alles is eetbaar: uilen, mussen, walvissen, eendenembryo’s en eendentongensoep, kippenanus of hamburgers.

Een van de mooiste afdelingen is de rubriek ‘Denkbeeldige reizen’. Samuel Butlers satire Erewhon, Daniel Defoe’s Robinson Crusoe, Jonathan Swifts Gulliver’s Travels noemt Theroux natuurlijk, maar ook Henri Michaux en Italo Calvino (Marco Polo in De onzichtbare steden). Wie de verbeelding koestert kan in zijn schrijfkamer heel ver weg komen, weet ook Theroux, die de titel van zijn reis- en lectuurboek baseert op het boeddhistische credo ‘je kunt het pad niet gaan zolang je niet zelf het pad bent’.

Maar in plaats van nog honderd namen te noemen volsta ik er met slechts twee, die mij in De tao van het reizen opvielen. In de eerste plaats Rebecca West en haar Black Lamb and Grey Falcon: The Record of a Journey Through Yugoslavia in 1937 (1941). Theroux citeert een passage uit de epiloog van haar Joegoslavië-boek, dat voor hem de essentie van het reizen en van het gespleten ego bevat: ‘Slechts een deel van ons is geestelijk gezond: slechts een deel van ons houdt van vreugde en duurzaam geluk, wenst meer dan negentig te worden en in vrede te sterven, in een eigen huis, dat onderdak zal bieden aan hen die na ons komen. De andere helft is haast gek. Die heeft liever het onaangename dan het aangename, houdt van pijn en de wanhoop van de donkere nacht…’

De andere naam die Theroux nadrukkelijk noemt is V.S. Pritchett. Ik kreeg zin – en dat is natuurlijk het doel van De tao van het reizen – zijn Marching Spain (1928) en de herschrijving daarvan, The Spanish Temper (1954), te lezen, niet door Theroux’ enthousiasme maar door zijn effectieve manier om te citeren. De barbaar in het Spaanse volk is sterk, meent Pritchett, en hij baseert dat oordeel op de voorliefde voor de nationale volkssport: ‘Het stierengevecht lijdt onder de monotonie van het offer en het is een voorbeeld te meer van de eigenaardige verslaafdheid aan herhaling en monotonie in de Spaanse aard.’ Generaliserend, maar wel een intrigerende waarneming.

De tao van het reizen is het rijke resultaat van vijftig jaar reizen en vijftig jaar volgen van reisboekenschrijvers. Maar ook dit volle boek kan niet volledig zijn (waar zijn Cees Nooteboom en William T. Vollmann bijvoorbeeld?). Dat hoeft ook niet. Reizen blijft net als lezen zoeken naar het echte pad.