Spruitjes met nootmuskaat: Martin Simek interviewt Martin Simek

‘Reizen heette bij ons vluchten’

Pas tijdens de Praagse lente kwam hij voor het eerst in het buitenland, met tennis. Via Oostenrijk ging hij naar Nederland en de zwart-witfilm van zijn jeugd werd op slag een kleurenfilm. Maar eigenlijk heeft hij niet zoveel met reizen. ‘Er is al zoveel te zien en te horen als je stilstaat.’

Medium simek

Waarom hebt u deze keer zo lang geaarzeld voor u ‘ja’ zei op een interview met als thema reizen?

‘We zijn allemaal brildragers, behalve onschuldige peuters dan. Ik kijk naar de wereld door twee brillen met heel sterke glazen. De ene is die van een tennisser, de andere is die van een vluchteling. Tennis is veranderd, vluchten is veranderd. Steeds vaker klinken de woorden van mijn vader in mijn hoofd: “Ervaring is niet door te geven.” Hou wat je hebt meegemaakt voor je, denk ik dan. Laat de mensen van nu in de waan dat tennis een krachtsport is en dat vluchten niets anders is dan hebzucht naar meer.

In mijn tijd, de tijd van de houten rackets, ging het natuurlijk ook om kracht, maar om de kracht van het gevoel. Wie niet kon strelen kon ook niet slaan. En hebzucht speelde bij het vluchten ook wel een rol, maar dat was honger naar vrijheid. Het had niets met de statussymbolen van de materiële rijkdom te maken.

Maar wie gelooft het nog? Dat maak je vandaag een kind niet meer wijs. Als paus Franciscus in een hotel bij de receptie om een peertje vraagt om zijn bureaulamp te verwisselen, twittert men onmiddellijk: “Wat een uitgekookte publiciteitsstunt!”’

Wat is uw huidige gemoedstoestand, meneer Simek?

‘U hebt gelijk, ik moet niet zeuren. Anders lijk ik nog ouder dan ik toch al ben. Gaat uw gang. Stelt u maar uw vraag.’

Reizen.

‘Als klein kind wist ik al dat wij Tsjechoslowaken niet mochten reizen. Reizen heette bij ons vluchten. Reizen, dat was iets voor vogels, die in het voorjaar uit warme landen kwamen. Of voor pakketjes, die de postbode twee keer per jaar bij ons thuis afleverde. Ze kwamen uit Amerika, waar een ver familielid van ons zat. De postbode kwam er helemaal onze tuin mee in lopen, want de pakketten pasten niet door de brievenbus. Net zoals er een hek om onze tuin zat, zo zat om heel Tsjechoslowakije prikkeldraad. Daar raakte mijn tante Jirina in verstrikt toen ze naar Engeland wilde. Ze kreeg vijftien jaar voor haar vluchtpoging.

Wat zit er aan de andere kant van het prikkeldraad? wilde ik toen weten. Vrijheid, zeiden mijn oudere broers. Aan de ene kant vrijheid en aan de andere, de onze, de onvrijheid. Dat is de definitie van pech, voegden ze eraan toe. Ik schaamde me te vragen wat “definitie” betekent, want ik was pas vijf. Met hekken was het anders dan met grenzen. Achter het hek van onze tuin was ik vrij om alles te zeggen en vragen. Buiten het hek, op straat, als ik met andere kinderen speelde, moest ik op mijn woorden passen. En zeker niet dat van tante Jirina vertellen, bijvoorbeeld.

Vanaf mijn negende voelde ik me ook vrij achter het hek van de tennisclub. Vrijer dan op straat en op school. Op tennis zaten alleen maar mensen zoals wij, vijanden van het volk. De bal was in of uit. De sterksten vertegenwoordigden de club in de nationale competitie, en niet de mensen met een partijlidmaatschap, want die zaten niet bij onze club. Behalve die ene dan, een hoge militair in burger bij de geheime dienst die in een geconfisceerde villa tegenover de tennisbanen kwam te wonen. Iedere keer dat hij kwam spelen stroomde het tennispark in een mum van tijd leeg. De een kreeg pijn in zijn arm, de ander werd moe, weer een ander had een afspraak. Dat hoefden we niet eens met elkaar af te spreken. We hebben hem weggepest zonder hem te beledigen, want dat was de kunst.’

Wat betekende niet bij het systeem horen?

‘Als je geen partijlid was, mocht je de westerse grens onder geen beding over. Zelfs niet die van Tito’s Joegoslavië. Wat overbleef waren de lidstaten van het Warschaupact; Polen, de ddr, Roemenië, Bulgarije, Hongarije en natuurlijk de Sovjet-Unie, onze grote broer. Hoewel, in de Sovjet-Unie mocht je lang niet overal naartoe, maar dat mochten hun eigen burgers ook niet. Ons stralende voorbeeld had veel te verbergen.’

Wat verstond men dan in het communistische Tsjechoslowakije onder reizen?

‘Het socialistische Tsjechoslowakije, pas op! Het communisme was slechts in de Sovjet-Unie voltooid. Wij waren nog niet op dat niveau. Onze reis was: de weg naar het communisme. Ondertussen verplaatsten we ons door ons vaderland in stoomtreinen en rammelende bussen. Auto’s waren er zo goed als niet meer. Alleen ziekenauto’s, vrachtwagens en wat Russische Volga’s van partijbonzen. Die probeerden we niet eens aan te houden, wanneer wij kinderen langs de weg stonden te liften.’

Wij kinderen?

‘Ja, wij tenniskinderen op weg naar jeugdtoernooien die half ondergronds door tennisclubs over het hele land werden georganiseerd. Tennisverenigingen waren een soort staatsvijandig netwerk waar behalve het gravel niets rood aan was.’

Wanneer hebt u voor het eerst gelift?

‘Op mijn dertiende, van Praag naar Písek in Zuid-Bohemië. Ik en mijn tennismaatje, Ludek, hadden geluk. Toen we aan kwamen lopen bij de uitvalsweg met ons rugzakje en tennisracket hield net onze twee jaar oudere tennisvriend van een andere Praagse club, Vlada, een veewagen aan. “Wat een lieve koeien!” riepen Ludek en ik. In de cabine bij de chauffeur waren maar twee plaatsen. “Gaan jullie maar”, bood Vlada aan. En hij fluisterde ons toe: “Lieve koeien, lieve koeien? Kijk liever wie er achter het stuur zit, voor je instapt.”

“Waar is Zednik?” vroegen de organisatoren in Písek anderhalf uur na onze aankomst. Zednik was de achternaam van Vlada. “Hij moet de baan op. Jullie reisden toch met dezelfde trein?” “Hij heeft hier een tante”, logen wij, “en hij moest eerst nog even bij haar langs.” Nog weer een half uur later kwam Vlada het tennispark op. Onherkenbaar. Spierwit als Frankenstein en dezelfde stokstijve bewegingen. De laatste dertig kilometer had hij in een koelwagen afgelegd tussen de diepvriesspinazie en de doperwtjes. Een geintje van de chauffeur en zijn maat. “Doe de achterdeur maar open en stap in.” Vlada had ze niet goed ingeschat. Na de eerste verloren set werd hij gelukkig alsnog warm en won zijn wedstrijd zoals hij aan zijn status verplicht was.

Vladimir Zednik is in de jaren zeventig Davis Cup-speler van Tsjechoslowakije geworden en in de jaren tachtig een succesvolle coach. De Slowaak Vajda, de huidige trainer van ’s werelds nummer één, Djokovic, was een van zijn pupillen. Dat liften deden we natuurlijk stiekem, om van het geld voor de trein een maaltijd te kunnen kopen, heus geen ijsje. En als we vorderden in het toernooi en het geld was op, dan renden we weg uit de hospada, de kroeg waar arbeiders tussen de middag een stevige maaltijd met veel bier naar binnen werkten. Zonder te betalen. Wij waren jong, snel en de enigen die niet dronken waren. Het ongekende succes van de Tsjechoslowaakse tennisschool kent een lange geschiedenis en vele vaders.’

Dus u bent voor uw vlucht in 1968 nooit over de grens geweest?

‘Pas tijdens de Praagse lente, in 1967/68, kwam ik met tennis naar het buitenland. Zwitserland, Engeland, Denemarken. Reizen door het Oostblok trok ons Pragenaars niet aan. Wij leefden in het Parijs van het Oostblok, vonden wij. En ook de andere onvrijwillige lidstaten van het Warschaupact zagen Tsjechoslowakije als een soort Oost-Europees Amerika. En Amerika was het synoniem van vrijheid. Middagen lang konden wij vanaf het Praagse kasteel staan staren naar de Amerikaanse vlag die onder ons op de Amerikaanse ambassade wapperde. Konden wij maar de 51ste ster zijn van de vlag, de 51ste staat van Amerika.’

En toen vielen de Russen Praag binnen.

‘Ik ging via Oostenrijk naar Nederland. De zwart-witfilm van mijn jeugd werd op slag een kleurenfilm. Dat zegt overigens niets over de kwaliteit van de film, wel over de locatie en het decor waarin alles zich afspeelt. Emigratie, dat is pas een reis. Het valt niet te plannen en wat je aantreft is niet bedoeld voor een foto, een ansichtkaart, een aantekening in je dagboek of – in het beste geval – een reisverhaal. Of je wilt of niet, alles maakt van de ene op de andere dag deel uit van je leven. Je past je aan, je gaat ertegen in, of je gaat eraan ten onder. Maar links kun je het niet laten liggen. Het is berg op, dal in, en weer omhoog. Het is vallen en opstaan richting het onbekende. Je loopt hard, je staat stil, je wordt geaaid of weggejaagd, maar één ding accepteerde ik niet: weer aan het lijntje lopen. Zo heb ik tenminste emigreren beleefd.’

Jullie Tsjechen waren knuffelvluchtelingen, in vergelijking met de vluchtelingen van vandaag.

‘Onze getuigenis kwam het Westen goed uit in het kader van de Koude Oorlog, maar begrepen word je nooit. Toen niet en nu niet. Hoe je echt in elkaar zit interesseert niemand. Je wordt geacht in een hokje te passen. Van niets mogen onder de communisten tot het goed bedoelde advies “doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg” was voor mij een niet te nemen stap. Ik wilde los van alles waar niet over wordt nagedacht. “Dat doe je niet” is voor mij bijna een aansporing. Tenminste een vraagteken, een “waarom eigenlijk niet?” wil ik erbij plaatsen.

‘Emigreren is vallen en opstaan richting het onbekende. Je past je aan, je gaat ertegen in, of je gaat eraan ten onder’

Dat ik cartoonist ben is mijn redding. Mijn verzet tegen beschetenheid en politiek correct vindt daarin zijn uitlaatklep. Al ben ik geen relschopper. Ik sta in de tram liever op voor een jonge jongen die wijdbeens naast me zit met “vooruit, zo kun je breder zitten”, in plaats van hem te vragen op te staan voor een oud vrouwtje dat komt binnenstrompelen.

In al die jaren dat ik Nederlander ben heb ik nog nooit gestemd. Op de vraag “waarom?” antwoord ik liever “ik voel me nog altijd gast” dan mijn afkeer voor politiek aan de grote klok te hangen. Een land besturen is wat mij betreft een vak. Politiek zie ik als een overbodige schakel die alleen maar corruptie in de hand werkt. Belangrijke wetswijzigingen kunnen het best door referenda worden besloten, niet in achterkamertjes bekokstoofd. In zwaar weer, bij natuurrampen of in oorlog, zijn het zelden politici waar de redding van komt. Verzet, wederopbouw, solidariteit, het komt allemaal vanuit de wortels van de samenleving, niet vanuit de politiek. Politici houden van macht over anderen. Ik ambieer macht over mezelf en de daaruit voortvloeiende vrijheid.’

Hebt u als tenniscoach het reizen ingehaald?

‘Je bent in New York, Melbourne, Dubai, om te trainen, de tegenstanders van je speler te bestuderen, wedstrijden te volgen, te coachen. Tennis is meer dan een spelletje. Het is een reis naar binnen, naar jezelf. Je bent er als coach om daarbij als katalysator te fungeren. Hoe dichter bij zichzelf je speler komt, des te hoger stijgt hij op de wereldranglijst. Van New York, Melbourne, Dubai zie je niet veel. Die vormen slechts het decor van zijn reis.’

U hebt zich niet zo maar neergelegd bij de plaatsen die het lot u heeft toebedeeld. Na uw sprong naar de vrijheid, van het Oostblok naar het Westen ging uw speurtocht door. Om uiteindelijk te eindigen in het uiterste puntje van Europa, Calabrië. Bent u nu uitgezocht?

‘Ooit in de jaren zeventig, toen ik nog onvermoeibaar op zoek was naar een meisje dat alle andere meisjes overbodig zou maken, brak ik mijn hoofd over het ideale jachtterrein. Amsterdam was weliswaar een werelddorp, maar het Leidseplein moest het toch afleggen tegen bijvoorbeeld de Trevi-fontein in Rome. Daar gooit haast de hele wereld een muntje in om ooit nog eens terug te komen. En zo is het met vele soorten schoonheid. Moet je er achteraan reizen of moet je het aan je voorbij laten trekken?

Reizen. Ik weet eigenlijk niet of ik er werkelijk iets mee heb. Er is al zoveel te zien en te horen als je stilstaat. Een plek blijft nooit hetzelfde. Als je de rust hebt op één plek te blijven zitten, verander jijzelf én verandert je omgeving. Misschien niet spectaculair, maar wel in de diepte. Wie voortdurend op reis gaat loopt het gevaar de ware verandering te missen. En hoe sneller je reist, des te meer je mist. Je blijft hangen bij de special effects. De leukste plekken, mannen, vrouwen worden verruild voor andere mannen, vrouwen, plekken. Waarom eigenlijk? Waren we alleen toen blind, of zijn we het nog steeds?’

Wie goed kijkt kan iedereen en alles liefhebben.

‘Ja dat denk ik zeker. Sterker: alleen zo iemand heeft werkelijk lief.’

Is vluchten soms een wandeling door een bloeiende rozentuin? begon ik me af te vragen.

Tot nog toe was er weinig heldhaftigs aan. Of het moest het moment zijn dat ik, een trotse Oost-Europeaan, een vrouw voor me had moeten laten betalen. Zij was van de Stichting Voor Vluchtelingen en nam me mee naar een warenhuis om me van een pak, overhemden, stropdas, pyjama, ondergoed, kamerjas en pantoffels te voorzien.

Zo makkelijk had ik het me allemaal niet voorgesteld toen de Russen bij ons in Praag voor de deur stonden.

Bijna vier maanden was ik in het Westen en ik had nog steeds geen levensbedreigende ervaring opgedaan. Want aan heimwee sterf je niet op je twintigste. De enige tegenslag die ik tot nog toe had ontmoet was een meneer die haast had en daarom geen geduld toen ik naar de weg probeerde te vragen. Hij drukte me zijn visitekaartje in de hand met de woorden: ‘Je lijkt mij een interessante jongeman. Bel me tegen de tijd dat je Nederlands spreekt.’

Verder had iedereen tijd voor me. Ook de politie, waar zelfs een hele afdeling voor me bestond: de Vreemdelingenpolitie. En zo heette ook mijn nieuwe paspoort: Vreemdelingenpaspoort. Bij het eerste stempel werd koffie geserveerd met een koekje. Toen de koektrommel voor de tweede keer rondging, zag de vrouwelijke agent pas de zweetdruppels die op mijn voorhoofd stonden.

‘Ben je ziek?’ vroeg ze bezorgd.

Ik was niet ziek. Bij ons waren de uniformen groen, maar toch. Mijn moeizaam bij elkaar geschraapte ‘Ik ben bang voor de politie’ leidde tot een dijenkletser. De agenten riepen de collega’s erbij: ‘Zo kan het ook, mensen. Deze jongen is bang voor ons!’ In mijn nieuwe vaderland waren de tijden rijp voor het Maagdenhuis.

Ik werd dusdanig met positieve aandacht overspoeld dat ik tegen Kerst snakte naar een beetje alleen zijn met mijn herinneringen. Het zou per slot mijn eerste Kerst van huis worden.

Maar de Stichting Voor Vluchtelingen dacht daar anders over. Eenzaamheid moest beslist voorkomen worden, zeker in de donkere dagen. Om de kans op zelfmoord tot het minimum te beperken, kregen wij Tsjechoslowaakse studenten allemaal een gastgezin toebedeeld.

Het mijne stond me op te wachten op een treinstation in de Noordoostpolder. Graantelers. Ze waren met z’n achten: vader, moeder en zes kinderen. Met wat schikken en de kleinste op mijn schoot paste ik net in het busje.

De 24ste wilde ik beslist mijn ouders bellen, maar het leek me ongepast mijn gastgezin te vragen of ik de telefoon in de hal mocht gebruiken. Door het beslagen raam van de zitkamer was het dorp te zien waar ik gisteren was aangekomen. Daar zou ik even naartoe lopen, op het postkantoor bellen en de nog ontbrekende cadeautjes kopen, want ik had gedacht dat ik het met vijf ruim had ingeschat. De weg zigzagde onlogisch door het platte, besneeuwde landschap, maar daar zal vast een reden voor zijn, dacht ik.

En er was ook een reden, merkte ik op de terugweg, met Trying to Forget van Jim Reeves onder mijn arm. Voor sneeuw was ik niet bang, daar was ik als Tsjech aan gewend. En aangezien de duisternis begon in te vallen, besloot ik een rechte lijn door de polder te nemen naar mijn gastboerderij, waar het licht net was aangegaan.

Het ging makkelijk. Ik liep over een vlakte waar de loeiende wind alle sneeuw van had weggeblazen. Maar twintig minuten later – want de horizon kwam maar niet dichterbij – bleek die sneeuw wel degelijk ergens te liggen, namelijk waar ik nu in was gevallen.

Ik zakte weg, klom eruit en een paar honderd meter verderop zakte ik weer weg. Ik raakte in paniek. Het was nu stikdonker en het ging ook nog sneeuwen.

Mijn gastgezin was me al een tijdje aan het zoeken, want ook zij waren door de stichting gewaarschuwd voor eventuele wanhoopsdaden op dit delicate moment van het jaar. Maar zij zochten natuurlijk op de weg, niet in de greppels waar ik maar uit bleef klimmen, sneeuwruimend met de elpee van Jim Reeves.

Pas tegen middernacht zaten we allemaal aan tafel onder de kerstboom en kwam het alsnog goed. Ik had droge kleren van mijn gastheer gekregen en het was gezellig. Dit is pas emigreren, dacht ik bij mezelf en ik nam heel tevreden een hap spruitjes met nootmuskaat.


Deze column verscheen eerder in Martin Simeks boek De vuurvliegjes achterna


In het kader van het filmfestival 1968: You Say You Want a Revolution is er op 12 mei speciale aandacht voor de Praagse Lente. Meer informatie.