Reizen naar het dodenrijk

Carlo Ginzburg, Extasen: Een ontcijfering van de heksensabbat. Vertaald door Els Naaijkens, uitgeverij: Wereldvenster, 400 blz., f59,50
HIJ BEGON ZIJN wetenschappelijke carriere met het voornemen aan te tonen dat de menselijke natuur niet bestaat. Vijfentwintig jaar later verdedigt Carlo Ginzburg in Storia notturna een stelling die precies het omgekeerde behelst. Onlangs verscheen dit boek in een Nederlandse vertaling onder de titel Extasen: Een ontcijfering van de heksensabbat.

De genoemde stelling lijkt misschien wat pretentieus voor een historicus die ooit het detail tot uitgangspunt van zijn werk nam. Ginzburg bewijst evenwel dat het genre van de micro-storie, waarvan hij een van de belangrijkste vertegenwoordigers is, heel goed valt te combineren met de meer traditionele geschiedschrijving, waarin het vooral om interpretaties draait. In Extasen brengt Ginzburg heel veel details bij elkaar en zet ze in een breed historisch kader. Dit is tegenwoordig een riskante onderneming: omvangrijke interpretaties zijn misschien populair bij het grote publiek, maar zeker niet bij het wetenschappelijk gilde. Ginzburg stoort zich daar echter niet aan en dat leidt tot een even boeiend als verrassend resultaat.
In het boek tracht hij de oorsprong van het stereotiepe beeld van de heksensabbat te achterhalen. Dit beeld ontstond in de tweede helft van de veertiende eeuw in het westelijke Alpengebied. Het verspreidde zich snel over Europa en bleef enkele eeuwen bestaan. Ginzburg schildert de heksensabbat als een extatische bijeenkomst waarop de aanwezigen de duivel vereerden, dansten, aten en seksuele orgieen hielden. De deelnemers vlogen er op bezemstelen heen, reden op dieren of veranderden zelf in een dier. Soms aten ze kinderen of gebruikten ze zalf uit kindervet.
Beschrijvingen van de heksensabbat werden opgetekend uit de mond van vrouwen en mannen die terecht stonden voor de inquisitie omdat zij van hekserij werden verdacht. Ginzburg benadrukt dat het hier niet om werkelijke gebeurtenissen gaat. Evenmin gaat het om fantasieen van de inquisiteurs waarin ze hun obsessies botvierden, zoals wel wordt beweerd door historici die zich met de raadselachtige beschrijvingen geen raad weten. Weliswaar hadden de inquisiteurs een grote invloed op het beeld van de heksensabbat - vaak dwongen zij immers door middel van marteling bekentenissen af - maar er valt een diepere laag in de getuigenissen te onderscheiden: een laag van mythen die wortelen in het volksgeloof.
Wat is de kern van deze volksmythen? En wat is de oorsprong ervan? Om deze vragen te kunnen beantwoorden gaat Ginzburg op zoek naar andere verhalen waarin extasen, diermetamorfosen, vruchtbaarheidsrituelen en nachtelijke gevechten om de nachtgodinnen een rol spelen. De reeks verhalen die Ginzburg presenteert is op zichzelf al fabelachtig: in zijn boek brengt hij Schotse feeen, Baltische weerwolven, Lapse sjamanen, Italiaanse Benandanti en nog veel meer figuranten uit sprookjes uit vrijwel heel Europa bijeen. In veel van deze volksverhalen raken de hoofdrolspelers in een extatische trance, waarin ze hun lichaam in de gedaante van een dier of een onzichtbare geest verlaten om in contact te treden met de doden. En hierin herkent Ginzburg de diepere, gemeenschappelijke kern van al deze verhalen: de reis van de levenden naar de wereld der doden.
In de meeste gevallen vonden deze contacten met de doden ‘in de geest’ plaats. In enkele gevallen is er echter sprake van uitgewerkte rituelen met dezelfde diepere betekenis. Op veel plaatsen in Europa en Azie was het bijvoorbeeld de gewoonte dat jongeren tijdens de twaalf dagen tussen Kerstmis en Driekoningen vermomd als dieren langs de huizen trokken. Daarbij zongen ze liedjes, deden voorspellingen en bedelden om snoep of geld - een gewoonte die in afgezwakte vorm voortleeft in de viering van Sint Maarten. De jongeren werden door de omstanders beschouwd als een uitbeelding van de dodenschare.
De oorsprong van deze mythen en rituelen ligt volgens Ginzburg in het Siberische sjamanisme. In die religie zijn namelijk dezelfde ingredienten aanwezig: de extase, de zielsuittreding, de diermetamorfose en het contact met de doden. De schakel tussen Siberie en Europa werd gevormd door de Scythen. Deze nomaden waren afkomstig van de Centraalaziatische steppen en vestigden zich in de loop van de zevende eeuw voor Christus aan de kust van de Zwarte Zee. Daar onderhielden ze handelscontacten met de Grieken en de Kelten.
De hypothese waarmee Ginzburgs hele boek staat of valt, is dat deze Scythen eerst de Grieken en later de Kelten in contact brachten met het Siberische sjamanisme. Via deze volkeren zou het sjamanisme zich vervolgens hebben verspreid over grote delen van Europa, waar het in allerlei mythen en rituelen zou blijven bestaan. Met deze hypothese brengt Ginzburg een enorm scala aan volksverhalen binnen een historisch kader.
MAAR WAREN DE SCYTHEN inderdaad bekend met het sjamanisme? Ginzburg gelooft van wel en hij baseert zich daarbij onder andere op een passage in Herodotus, waarin wordt verhaald hoe de Scythen zich na een begrafenis reinigden. Dit gebeurde door rond een schaal vol gloeiende stenen te gaan zitten, waarop hennepzaden werden gestrooid. De geur van de hennep deed de aanwezigen huilen van genot, wat Ginzburg in verband brengt met de extatische trance van de Siberische sjamanen. De beschrijving van Herodotus wordt bevestigd door een archeologische opgraving waarbij geroosterde hennepzaden werden gevonden.
Ginzburg toont zijn grote kwaliteit als historicus door het feit dat hij naast deze brede interpretatie ook ingaat op de kleine vragen. In het laatste hoofdstuk tracht hij bijvoorbeeld te achterhalen hoe men in de middeleeuwen in een toestand van trance wist te geraken. Hierover formuleert hij twee hypothesen. Volgens de eerste wijzen taalkundige gegevens er op dat men in extase geraakte door het eten van de vliegenzwam. Ook de Siberische sjamanen maken veel gebruik van deze paddestoel.
Volgens de tweede hypothese gebruikte men 'moederkoren’, een schimmel die zich in natte zomers aan het graan hecht. Wie meel at dat met deze schimmel was besmet, werd getroffen door hevige krampen en langdurig bewustzijnsverlies. De schimmel werd al sinds lang in de volksgeneeskunde gebruikt, onder meer als middel om abortus op te wekken. Dit wijst er op dat men op de hoogte was van de werking ervan en het dus bewust kon inzetten, bijvoorbeeld als hallucinogene drug. Enkele uitdrukkingen waarmee men de schimmel in de volksmond omschreef, wijzen in dezelfde richting. Zo sprak men in Frankrijk van 'seigle ivre’ (dronken rogge) en in Duitsland van 'Tollkorn’ (krankzinnig koren). De bewustzijnsverruimende werking van de schimmel werd enkele decennia geleden nog eens wetenschappelijk aangetoond: het 'moederkoren’ bevat namelijk een stof waaruit in 1943 in een Amerikaans laboratorium LSD werd vervaardigd.
ER IS EEN brandende kwestie die overblijft. Door bepaalde mythen en rituelen te plaatsen in een historisch kader dat duizenden jaren omvat en dat terugvoert tot het Siberische sjamanisme, schetst Ginzburg een proces van verbreiding van cultuurgoed. Maar een beschrijving van zo'n proces is nog geen verklaring. De vraag blijft waarom die mythen eeuwenlang vrijwel onveranderd konden blijven bestaan en zich konden verspreiden over vrijwel het gehele Euraziatische continent.
Ook dit probleem lost Ginzburg uiteindelijk op. Hij doet dit aan de hand van verhalen waarin mankheid een rol speelt. Er bestaan veel van deze verhalen: dat van Oedipus, wiens naam 'gezwollen voet’ betekent; het sprookje van Assepoester, die haar schoentje kwijtraakt en daardoor moeilijk loopt; de mythen over Iason en Perseus, die ieder maar een schoen dragen; het verhaal over de verbrijzelde hiel van Achilles.
In al deze verhalen ondergaan de hoofdpersonen een soort inwijding waarbij ze eerst naar 'de andere kant’ moeten voordat ze volledig in de samenleving worden opgenomen. Zo gaat Assepoester stiekem naar het paleis van de prins voordat ze met hem kan trouwen, en steelt Oedipus vee uit de onderwereld. Onder 'de andere kant’ of 'de onderwereld’ moeten we volgens Ginzburg de dodenwereld verstaan.
Ginzburg is er van overtuigd dat al deze mythen een structurele eigenschap van de menselijke geest weerspiegelen: het streven naar kennis van de dodenwereld. Dat in veel mythen juist de mankheid werd gebruikt om aan dit streven vorm te geven, hoeft niet te verbazen: de symmetrie van het lichaam is een karakteristiek waarvan de mens zich waarschijnlijk altijd bewust is geweest. Datgene wat van deze symmetrie afwijkt, zoals mankheid, lijkt bij uitstek geschikt om een ervaring uit te drukken die het menselijke te boven gaat: de tijdelijke reis naar de wereld der doden.
In de verklaring van Ginzburg vinden we met andere woorden zowel een historisch als een structuralistisch element: de wijde verspreiding van de besproken mythen is het gevolg van historische betrekkingen tussen verschillende volkeren; de kern van deze mythen bleef steeds onveranderd omdat zij appelleerde aan een structureel kenmerk van de menselijke geest. Ginzburg noemt zijn verklaring dan ook een 'herformulering van het aloude contrast tussen dat wat van nature en dat wat door conventie gegeven is’.
Wie nu verwacht dat dit kenmerk van de geest ook bij Ginzburg zelf is terug te vinden, wordt niet teleurgesteld. Want, zo onthult hij, 'ook de poging om het verleden te leren kennen is een reis naar de wereld der doden’.