Reiziger naar de hel ‘het feit dat mensen elkaar vermoorden, zegt me niks’

Vorige week verscheen de Nederlandse vertaling van Robert D. Kaplans ‘The Ends of the Earth’. Een huiveringwekkend verslag van een reis langs de verdomhoeken van de wereld. Wat beweegt iemand om Dantes inferno op te zoeken?
Met dank aan Jasper Jacobs, Foeke de Koe en Job van de Sande van de Utrechtse school voor Journalistiek.
DE STELLING DAT The Ends of the Earth: A Journey at the Dawn of the 21st Century geen vrolijk boek is, mag gerust een understatement worden genoemd. De bloeddoorlopen ogen van dronken soldaten in Sierra Leone bij een van de ontelbare wegversperringen. De vervuilde steppe aan de voet van de Oezbeekse stad Samarkand, ooit het knooppunt van de Chinese zijderoute. De drie westerse rugzaktoeristen in Cambodja die door de Rode Khmer worden terechtgesteld in de klassieke stijl van de Killing Fields. En vervolgens merkt de auteur droogjes op: ‘We are not in control.’

Je zou van heel wat minder depressief raken.
‘Reisliteratuur uit de hel’, zo noemde Michael Ignatieff het boek in de New York Times. 'Het panorama dat hij tekent, is bijna onveranderlijk duister’, merkte de Washington Post op, en voegde eraan toe: 'Kaplan jaagt bewijs voor de toekomstige anti-utopie na met de bezorgdheid van de ecoloog en de neus voor catastrofe van de journalist.’ Geen wonder, want de Amerikaanse auteur betoogt bijvoorbeeld dat milieuvernietiging en bevolkingsexplosie te zamen de problemen van de derde wereld onoplosbaar maken, en hij illustreert dat aan de hand van onverdachte statistieken, controversiële theorieën en de ervaringen die hij opdeed door van Sierra Leone via het Midden-Oosten naar Cambodja te reizen.
'Eindelijk eens iemand die somberder is dan ik’, merkte W.L. Brugsma al twee jaar geleden op in het Amnesty-blad Wordt Vervolgd over Robert Kaplan. De aanleiding voor Brugma’s verzuchting vormde Kaplans essay The Coming Anarchy, dat in februari 1994 was verschenen in The Atlantic Monthly. Hierin ontvouwde Kaplan voor het eerst zijn onheilspellende theorieën, met dit verschil dat hij ze toen primair beargumenteerde met zijn ervaringen in westelijk Afrika en zijn conclusies beduidend stelliger formuleerde dan hij later in het boek zou doen. Hetgeen hem het etiket opleverde van doemdenker, en wel een die zeer selectief denkt, reist en schrijft bovendien.
OOG IN OOG met Kaplan komt allereerst de vraag op wat voor persoon hij nu eigenlijk is. In The Ends of the Earth vertelt hij daar opvallend weinig over. Eigenlijk komt de lezer nauwelijks veel meer te weten dan dat hij joods is (in antwoord op vragen van een Iraakse moslim) en dat hij al ruim vijftien jaar als buitenland-correspondent werkt. Maar de vraag naar Kaplans persoonlijkheid komt ook voort uit een andere vraag: wat beweegt iemand in godsnaam om naar de meest deprimerende plekken op aarde te reizen om daarover vervolgens een boek over te schrijven dat veel kritiek oogst en waarvan in ieder geval niemand vrolijker wordt?
Het kan het feit zijn dat hij in de drie dagen dat hij nu in Nederland is, dagelijks tien tot twaalf interviews heeft gedaan. Misschien ook is hij het soort Amerikaan dat pas op de sofa van z'n shrink tot waarachtige zelfreflectie komt. Hoe dan ook reageert hij in eerste instantie indirect op de vraag waarom hij in z'n boek zo weinig van zichzelf laat zien. Een deus ex machina duikt aan tafel op: de redacteur van zijn uitgeverij. 'Zijn opvatting is dat je slechts over jezelf moet schrijven om je onderwerp te belichten. Maar hij had in dit geval nòg een argument: namelijk dat dit een erg controversieel boek zou worden, waarop hij veel kritiek zou krijgen. Dan wil je je criticasters geen extra munitie aanreiken. Je wilt dat ze je bekritiseren om je ideeën en niet om je persoon. Een boek als dit moet zo onpersoonlijk mogelijk zijn.’
Onpersoonlijk misschien, maar ook onvermijdelijk subjectief. 'Jawel. Mijn boek is de visie van één persoon uit de westerse beschaving aan het eind van de twintigste eeuw. En dus is het cultureel bevooroordeeld. Maar… that’s great! Dat maakt het nog interessanter. Eén subjectieve visie, hoewel misschien verkeerd op sommige punten, biedt meer inzicht dan de abstracte objectiviteit van een of andere commissie. Als mensen schrijven met de opinies van anderen voor ogen, kakelen ze slechts de commissie na. Het boek is dus wat het is: één enkele Amerikaanse opinie, en maak zelf maar uit hoeveel die voor jou betekent.’
Waarna Kaplan (44) alsnog een korte biografie verschaft, met als meest saillante feiten dat hij, voordat hij journalist werd, een jaar lang als rugzaktoerist door Oost-Europa en Azië reisde, daarna bij het spreekwoordelijke sufferdje kwam te werken (de Rutland Daily Herald - 'Yes, Rutland, should I spell it out for you?’) en uiteindelijk als freelancer vanaf 1976 door de derde wereld ging reizen, met nauwelijks een cent op zak. Kaplan: 'Als je de wereld via derderangshotels ziet in plaats van luxe hotels zoals veel journalisten, krijg je een andere kijk op de mensheid. Een minder romantische kijk.’
Op de vraag waarom hij The Ends of the Earth heeft geschreven, antwoordt hij dit keer niet met zijn gebruikelijke 'Ik wil lol maken en brood op de plank brengen’, maar met een multiple choice-reeks aan motivaties. 'Ik ben bewust naar landen gegaan die geen success-story zijn. Het mag jullie verrassend in de oren klinken, maar 95 procent van de kinderen die vandaag op de wereld worden geboren, ziet het licht in ofwel de armste landen ter wereld, ofwel de armste gedeelten van welvarender samenlevingen. De krottenwijken in Nigeria, de sloppen van Turkije, de uithoeken van de Iraanse steden Shiraz en Teheran - daar wordt de toekomstige mensheid op dit moment geschapen.
Ik heb me in mijn boek proberen te concentreren op een paar landen die regionale supermachten zijn en kansen hebben om te moderniseren: Turkije en Iran, Pakistan en Egypte. Als dat soort landen uiteenvalt, heeft dat effecten in de hele regio, problemen waarmee westerse beleidsmakers zich geen raad weten. De meeste media negeren bijvoorbeeld Pakistan vier jaar lang en verslaan dan de verkiezingen omdat er een cricket-ster aan meedoet. Wat ze níet beantwoorden, is de vraag wat er tussen de verkiezingen door gebeurt. De media geven je slechts een zeer beperkte versie van de waarheid; ik probeer die versie te verbreden. Wat ik in ieder geval doe, is wegrennen van het “harde nieuws”.’
Waarmee we toch weer terug zijn bij Kaplans levensverhaal, bij de back-packer met het budget van een paar dollar per dag, het manusje-van-alles bij de lokale krant, de freelance journalist die met zijn eerste twee boeken (over de guerrilla in respectievelijk Eritrea en Afghanistan) lovende kritieken maar nauwelijks lezers kreeg. Tot z'n Balkan Ghosts, waarin hij al in 1990 de burgeroorlog in Joegoslavië voorzag. Toen het pas in 1993 verscheen - tot die tijd wilde geen uitgever zich aan het boek wagen - werd het een verkoopsucces.
Wat volgde waren relatieve roem en rijkdom, maar ook de afgunst van collega-journalisten, de hoon van wetenschappers en de woede van beleidsmakers en hulpverleners. Geen van hen zat op Kaplans provocerende onheilsboodschap te wachten. Niet voor niets noemt Kaplan conformisme 'het grootste gevaar dat de journalistiek bedreigt’. Hij is altijd een loner geweest. 'Ik zoek verhalen uit die de rest van de wereld negeert. Daarom ging ik eind jaren tachtig naar de Balkan. Een interessant gebied, en niemand schreef erover. Toen de Balkan eenmaal explodeerde en er vijfduizend journalisten zaten, zei ik: Ik wil hier weg.’
MAAR ER IS een motief dat voor Kaplan belangrijker lijkt dan het uitdragen van zijn individualiteit. Hij ontvouwt hem op de achtste pagina van z'n boek, nadat hij een van zijn eerste slapeloze, van muggen vergeven nachten heeft doorgebracht in West-Afrika, besloten met een vertwijfeld: 'Ik dacht dat ik hier voor antwoorden was gekomen.’ Dan schrijft Kaplan: 'Mijn aanvankelijke doel was een paradigma te vinden om de wereld in de eerste decennia van de eenentwintigste eeuw te begrijpen.’
Een paradigma. Te midden van paranoïde pubers die andere pubers de keel afsnijden, omgeven door aids, tbc en malaria, kortom in West-Afrika - of, als we Kaplan mogen geloven, een omgeving die nu kenmerkend is voor de derde wereld en straks voor de hele wereld - doet daar het paradigma-begrip van wetenschapshistoricus Thomas Kuhn z'n intrede. Kaplan wil de wereld begrijpelijk maken, voor zichzelf en voor anderen, en grijpt daartoe terug op Kuhns kader van een maat- en mogelijk rustgevende theorie. Kaplan: 'De afgelopen jaren, na het einde van de Koude Oorlog, hebben we allerlei nieuwe theorieën gezien, zoals “het einde van de geschiedenis’ van Francis Fukuyama en "de botsing der beschavingen” van Samuel Huntington. Waarom gebeurt dit allemaal? Wel, één reden is dat we nog nooit zo veel informatie tot onze beschikking hadden. Elke theorie is een wijze om die informatie te organiseren.’ Of, zoals Kaplan het wat journalistieker stelt: 'Het feit op zich dat mensen elkaar vermoorden, zegt me niks. Wat ik wil weten: doen ze het al vijftig jaar, om de vijftig jaar, of zijn ze er net mee begonnen? En… wat is de achtergrond?’
DE EERDER GENOEMDE criticus van de Washington Post, reisschrijver Colin Thubron, noemt Kaplans paradigma 'een doel dat even ambitieus als zelfbewust is’. Om daarna tot een interessante waarneming te komen: 'Eigenlijk had hij zijn paradigma al bij zich.’ Kaplan zelf is de laatste om dit te ontkennen. 'Ik begon aan het boek met een theorie die ik ontvouwde in The Coming Anarchy. Dat was voor mij aanvankelijk een manier om vijftien jaar buitenland-journalistiek op een rijtje te zetten. Maar toen ik zag welke ideeën er naar boven kwamen, liet ik ze hun gang gaan en ontstond er orde in, een plot, een theorie. Het begon dus als een biografie en slechts bij toeval werd het een theorie. Voor mijn boek ging ik opnieuw op reis om te kijken in hoeverre de theorie overeind bleef, wat er complexer zou worden en wat er totaal in stukken zou vallen. Dat is het nut van op reis gaan: je hebt een goede en een slechte dag, je ontmoet aardige en minder aardige mensen, en op die manier haalt het reizen elk idee dat te eenvoudig is onderuit.’
De wisseling van paradigma als dagelijkse praktijk van een journalist. Daarmee zijn we van Kaplans motivatie beland bij zijn methode, en dat is de methode van alle jengelende kleuters, vasthoudende journalisten en niet te vergeten wetenschappers: het voortdurend en indringend vragen stellen, aan zichzelf en aan anderen. In het geval van Kaplan bijvoorbeeld deze vraag, een van de vele vragen die hem langs de einders der aarde voerden: 'Zouden de mensen op deze plek in staat zijn om goederen te produceren waar de buitenwereld harde valuta voor wil betalen? In de eenentwintigste eeuw zal namelijk ieder land vierentwintig uur per dag met ieder ander land concurreren om het schaarse wereldkapitaal.
Met zo'n uiterst onsentimentele vraag ga ik dus rondkijken, en probeer ik een combinatie te zijn van een rugzaktoerist en een politieke analist. Ik heb altijd de inzichten bewonderd van rugzaktoeristen. Hun probleem is slechts dat ze hun informatie niet kunnen organiseren. Francis Bacon zei al dat waarheid altijd voortkomt uit vergissing, nooit uit verwarring. Iedere nuttige tekst moet een theorie achter zich hebben. Ook non-fictie boeken behoeven een plot. Dat voortdurende vragen is dus de eerlijkste maar ook de meest onderhoudende wijze van werken. In een goed boek wil je weten wat op de volgende pagina staat, in een slecht boek kan het je niet schelen. Entertainen is slechts een ander woord voor “mensen bij iets betrekken”. Niet alleen bij Grote Vragen, ook bij kleine dingen. The Decline and Fall of the Roman Empire van Edward Gibbons werd alom aangevallen toen het 220 jaar geleden verscheen. Maar nu wordt het door miljoenen mensen gelezen, en wel om de eenvoudige reden dat ze willen weten wat er op de volgende pagina gebeurt.’
Aldus voegt Kaplan paradigma en plot samen tot een methode om zelf de wereld te begrijpen en dat begrip vervolgens aan zijn lezers over te brengen. Een methode die op een paradoxale wijze genuanceerde bespiegelingen combineert met het soort hapklare sound bites dat hij zegt te verfoeien ('Ik concurreer niet met Oprah Winfrey’). Van de kritiek die hij krijgt, lijkt hij niet wakker te liggen. Sterker nog: hij lokt haar opzettelijk uit. 'Ik maak mezelf bewust tot doelwit. Een tv-journalist in Amerika zei eens dat het mooiste waarop je kunt hopen, is om een schitterende mislukking te zijn. Je komt met een theorie en iedereen haat je erom, maar ze nemen haar wel ernstig genoeg om van jou een doelwit te maken waarnaar ze hun pijltjes kunnen gooien. Maar door dat te doen verduidelijken ze hun eigen denken en zullen ze anders gaan denken dan voorheen.’
HET FEIT DAT Kaplan zijn horror-verhalen niet van een happy ending heeft voorzien, is waarschijnlijk wat zijn critici het meest irriteert. Al in The Coming Anarchy schreef hij, weinig bescheiden: 'Het is mijn bedoeling aan te geven hoe de politieke wereldkaart er over enkele decennia uit zal zien.’ Om al even weinig bemoedigend te besluiten: 'Deze wereldkaart wordt een eeuwig veranderende afbeelding van de chaos.’ Daartussen schetst Kaplan een panorama waarbij de zeven plagen uit Johannes’ Apocalyps verbleken tot een schoolreisje naar de Efteling.
Ook in het boek dat uit het essay is voortgekomen, biedt Kaplan geen oplossing voor de problemen. 'Ik geloof niet dat de wereld te redden is’, bevestigt hij. 'Ik zeg alleen dat de politiek wat intelligenter kan worden dan ze is.’
Dat Kaplan weinig scheutig is met oplossingen, wordt hem niet in dank afgenomen. 'Hij wil dat we geven om de plekken die hij bezoekt, maar het verhaal dat hij vertelt is zo treurniswekkend dat zowel beleidsmakers als gewone lezers eerder geneigd zullen zijn een sloop over het hoofd te trekken’, zo merkte Michael Ignatieff op in The New York Times. Maar opnieuw zit Kaplan er niet mee. 'Zoals elke analist ben ik in problemen geïnteresseerd. De landen die het goed doen, hebben m'n tijd niet nodig, daar zorgt de zakenwereld al voor. Over goed en kwaad in zedelijke zin praat ik niet. Ik voel me buitengewoon slecht op m'n gemak als ik met journalisten rond de tafel zit die over zedelijke beginselen spreken.’
WIE TOCH EEN boodschap wil, moet die maar destilleren uit Kaplans combinatie van lyrische reisliteratuur en militaire analyse, van culturele antropologie en rugzaktoerisme, van plot en paradigma, oftewel - zoals hij het noemt - 'gewoon journalistiek’. Kaplan belicht Dantes inferno zoals miljoenen aardbewoners dat dagelijks beleven. Juist door zich te onthouden van morele oordelen en afgeronde antwoorden, is het resultaat een onsentimentele shocktherapie die de lezer het initiatief laat om niet alleen zijn gedachten te vormen, maar ook tot actie over te gaan.
En Kaplan? Zijn volgende boek zal over Amerika gaan. Op de vraag naar z'n plot antwoordt hij: 'Dat bestaat uit de vragen die ik mezelf stel. Met als belangrijkste vraag: hoe zal Amerika’s overlijden in z'n werk gaan?’