Economie

Rekenen

Het Centraal Planbureau (cpb) heeft de verkiezingsprogramma’s doorgerekend. Na oppervlakkige lezing lijkt het allemaal geneuzel achter de komma. Bij alle politieke partijen neemt de economische groei toe, stijgen de inkomens en daalt de werkloosheid. De verschillen tussen de partijen bedragen niet meer dan enkele tienden van procenten op alle macro-economische variabelen. Cynische politieke commentatoren roepen dat het allemaal niets uitmaakt.

Maar achter die tienden van procenten schuilen belangrijke politieke verschillen over de omvang van de overheid en de afkeer van inkomensongelijkheid. Linkse partijen scoren op lange termijn economisch slechter dan de rechtse partijen, maar verhullen dit op korte termijn met tijdelijke groei. Geen enkele politieke partij blijkt uiteindelijk in staat om economisch sterk met sociaal beleid te verzoenen. Om dit te begrijpen, moet men weten hoe het cpb-model werkt.

Op korte termijn geven de linkse partijen (pvda, sp en GroenLinks) een keynesiaanse bestedingsimpuls en laten de staatsschuld oplopen. Ze doen het daarom in aanleg beter dan de rechtse partijen (vvd, cda, d66). De opgaande conjunctuur krijgt een zwieper waardoor linkse partijen toch met fraaie groeicijfers en inkomensplaatjes pronken. Maar op termijn ebt de bestedingsimpuls weg, de kortetermijnwinst verdampt volledig en de economische groei neemt structureel af.

Op lange termijn is het cpb-model namelijk neoklassiek. De economie verbetert op termijn alleen als het aanbod van arbeid of kapitaal stijgt. Dus als belastingen op arbeid afnemen, de inkomensverschillen toenemen en de uitkeringen minder riant worden. Het loont dan om arbeid aan te bieden, harder te gaan werken en carrière te maken. De kapitaalgoederenvoorraad neemt alleen toe als de belastingen op bedrijven dalen waardoor de winstgevendheid van investeringen stijgt.

Een grotere overheid, meer sociale zekerheid en minder inkomensongelijkheid leiden volgens het cpb onherroepelijk tot hogere belastingen op huishoudens en bedrijven waardoor de structurele kracht van de economie erodeert. GroenLinks doet economisch duivelse dingen: uitkeringen verhogen, veel progressievere belastingen en de lasten verschuiven naar de werkgevers. Dit geldt ook voor pvda en sp, maar in veel mindere mate. Sociaal is niet sterk. Tegenover hoge economische kosten staan natuurlijk wel baten: hogere uitgaven aan zorg en onderwijs, hogere uitkeringen, minder inkomensongelijkheid en een beter milieu.

De rechtse partijen (vvd, d66 en in veel geringere mate het cda) realiseren structureel hogere economische groei, meer werkgelegenheid en lagere werkloosheid. Door bezuinigingen op de gezondheidszorg en de sociale zekerheid dalen de belastingen. Beperkingen van de toegang tot uitkeringen, grotere inkomensverschillen tussen kostwinners en tweeverdieners en vermindering van de belastingprogressie vergroten de prikkels om (hard) te werken. De prijs is minder bescherming van zwakkeren, minder publieke voorzieningen en een slechter milieu.

Toch is ook sociaal-economisch beleid denkbaar dat zowel de economische structuur versterkt als de rechtvaardigheid vergroot indien aan twee criteria is voldaan. Eén: de belastingdruk daalt. Twee: de lage inkomens worden ontzien. De overheid moet dan snijden in uitgaven waar voornamelijk de hogere inkomens van profiteren. De overheid kan ook generiek bezuinigen en de belastingen gericht verlagen voor de lagere inkomens.

Er gaapt dus een gat voor een politieke partij in het ‘radicale midden’. Zo’n partij haalt de bezem door het belastingstelsel en schrapt de fiscale subsidies voor eigen huis en pensioen. Daarnaast snijdt ze het vet op het overheidsapparaat weg, staakt onrendabele infrastructuurprojecten en de ontwikkeling van jsf-gevechtsvliegtuigen. Ze pleit voor grotere private bijdragen in het hoger onderwijs en cultuur. Ze laat welvarende ouderen een groter deel van de kosten voor de gezondheidszorg en de aow betalen. Ze versobert de sociale zekerheid door strenger te zijn en de duur van uitkeringen te verkorten. Uitkeringen blijven gekoppeld aan de loongroei en worden niet meer gebaseerd op het laatst verdiende inkomen maar op een relatief hoog bestaansminimum. Ze beperkt de privileges van de insiders op de arbeidsmarkt en past de algemeen-verbindendverklaring niet meer toe als cao’s de outsiders schaden.

Ze speelt, kortom, veel geld vrij waarmee de belastingen fors worden verlaagd, met name voor de lagere inkomens. De economie wordt dan structureel sterker zonder dat dit tot grote sociaal-economische ongelijkheid leidt. Maar geen enkele partij breekt echt door naar het radicale midden.

Alle politieke partijen scoren alleen een voldoende voor óf economische kracht óf sociaal beleid. Splinterpartij d66 scoort nog het hoogst met uitstekende cijfers voor economie en bijna een voldoende voor sociaal beleid. Sociaal-liberalen zitten bij deze verkiezingen dus in de spagaat tussen de vvd en GroenLinks. Ze moeten noodgedwongen zweven omdat een serieus alternatief ontbreekt.