Sylvain Ephimenco

Rekening voor de kok

Tot vlak voor de raadsverkiezingen was hij onzichtbaar. Niets aan de hand. De spookachtige consistentie van Wim Kok is een gegeven waaraan Nederlanders gedurende twaalf jaar gewend waren geraakt. Van Kok hoefde je geen grote visionaire toespraken te verwachten. Geen vernieuwend project voor het land en geen historische woorden. Kok was een beheerder, een griffier van de vaderlandse politiek die zich bij aanvang van zijn premierschap tot taak had gesteld het spoor van zijn voorganger keurig te volgen. Dat deed hij prima. Zuinig in de uitgaven met de blik strak op het financieringstekort gericht. Als terreinpoliticus en partijleider was hij allang mislukt, dat wist iedereen en zo erg was dat ook weer niet als je het toch tot premier hebt geschopt.

Vanaf het moment dat hij, midden jaren tachtig, Den Uyl opvolgde, verzamelde Kok alleen maar electorale klappen. Zoveel zelfs dat het een wonder mocht heten dat zijn partij deze marathonloper niet voor de finishlijn uit de koers had genomen. «Ik ga uitsluitend voor goud», zei hij op een dag. Zijn medaille greep Kok eindelijk in 1994, maar het goud was meer dan dof. Kok werd de premier bij gebrek aan beter. De man van de overwinning/nederlaag die je opmerkt omdat hij nog half overeind staat te midden van de verkiezingsruïnes. Zonder het infantiele conflict binnen het CDA tussen Lubbers en zijn kroonprins Brinkman had Kok geen schijn van kans gehad en was hij vandaag allang in de vergetelheid geraakt. Het liep anders.

Het tweede grote geluk van Kok is dat hij premier werd in de oogsttijd. Hij hoefde alleen maar de vruchten te plukken van de boompjes die Lubbers sinds 1982 had geplant. Daarom geeft zijn eerste echte electorale overwinning in 1998 een zwaar vertekend beeld van de werkelijkheid. Neder landers keken toen tevreden naar hun aandelenportefeuille of deeltijdbanen en prijsden zich gelukkig met deze grijze premier van wie men geen amok hoefde te verwachten. Dan is het een kwestie van je premierbonus aan het loket komen verzilveren. Gedurende zijn tweede ambtstermijn kwamen ongeveer alle gebreken binnen de publieke sector bloot te liggen. Paars bleek meer liberaal dan sociaal te zijn geweest en binnen het linkse kamp ontdekte men plots het drama van het multiculturalisme. Kok vond het welletjes. Net als Lubbers acht jaar daarvoor besloot hij het zinkende schip op tijd te verlaten. Hoewel ik heel goed begrijp dat het altijd ongemakkelijk en onpraktisch is de rekening aan een vertrekkende premier te presenteren — vergelijk het met het schieten op een ambulance — vind ik dit niet logisch. De paarse partijen gaan een zinderende verkiezingscatastrofe tegemoet en de enige stuurman mag zijn middagdutje in zijn kajuit ongestoord voortzetten.

Maar afgelopen week beging Kok een cruciale misstap door zich in de campagne te mengen. Het moet hem natuurlijk een doorn in het oog zijn geweest dat zijn erfenis van acht jaar vlak voor de notariële bekrachtiging ervan plots waardeloos blijkt te zijn geworden. Maar bovenal is het hem een gruwel dat die nouveau riche van een Fortuyn er met de buit vandoor dreigt te gaan. Fortuyn de flamboyante opschepper, de exhibitionist, de losbandige, vertegenwoordigt alles wat Kok verafschuwt. Deze aso zaait haat, verkondigde Kok vorige week in zijn meest stoffige linkse retoriek. Niet echt geslaagd. Iedereen keek ervan op: is hij er nog? En als hij toch klaar is met zijn siësta, misschien moeten we van de gelegenheid gebruik maken om die oude rekening toch nog onder zijn neus te duwen. Afgelopen zaterdagochtend schreef ik in een column in Trouw dat Kok niet zo makkelijk weg mocht komen: «Wim heeft Pim gecreëerd.» ’s Middags in NRC Handelsblad schreef PvdA-denktank Paul Scheffer: «Het is Wim die Pim heeft gebaard.» Grappige timing. Maandagavond in Noordwijk bleek dat Frits Bolkestein heel goed is in het lezen van kranten: «Kok i kranten: «Kok is medeverantwoordelijk voor de opkomst van Fortuyn.» Wie zal deze woorden uit de mond van For tuyns neef durven tegenspreken?