Rekkelijkheid

Rembrandt van Rijn, Lachend zelfportret met muts, 1630. Ets op papier, 49 mm x 42 mm © Publiek Domein

De jonge Rembrandt van Onno Blom is gebaseerd op Leids bronnenmateriaal over Rembrandts jonge jaren. Dat materiaal is uiterst schaars. Rembrandt wordt in zijn geboortestad in niet meer dan een handvol formele aantekeningen vermeld; er is het een en ander te vinden over zijn ouders en verdere familie en er bestaat een lange, later vastgelegde impressie door Constantijn Huygens van Rembrandt en Jan Lievens als beginnende schilders, maar bij elkaar past dat allemaal gemakkelijk op drie A4’tjes. Aan dat heel kleine dossier hangt Onno Blom een heuse biografie op.

Het zou een stuk makkelijker zijn te zeggen dat dit gewoon een aantrekkelijk en informatief boek is over de stad Leiden aan het eind van de zestiende, begin zeventiende eeuw. De geschiedenis van de Tachtigjarige Oorlog en het Beleg van Leiden worden opgediept, net als het verhaal van de universiteit, de tulpen in de Hortus, de immigratie uit de Zuidelijke Nederlanden, de textielindustrie, de religieuze twisten, de stadsuitbreidingen, de schutterij, enzovoort, en daardoorheen zijn handig de schaarse feiten over het leven van de jonge Rembrandt verweven.

Maar nee, dit moet een biografie zijn. De schrijver is zich ervan bewust dat met die zeldzame feiten alleen zo’n biografie niet hecht geconstrueerd kan worden. Hij staat zich dus toe te extrapoleren, of, preciezer gezegd, te fabuleren. Zijn pols is bijzonder los. We weten bijvoorbeeld eigenlijk niks over Rembrandts familieleven, maar ‘ongetwijfeld hingen er in Rembrandts ouderlijk huis schilderijen aan de muur’, aldus Blom, of: ‘De jongste zoon zal eindeloos krijttekeningen hebben zitten maken bij het laatste licht van de walmende olielamp.’ Het is duidelijk dat die ‘rekkelijkheid’ in de opvatting van wat een biografie is de vervaardiging van een leesbaar boek flink bevordert; de rekkelijkheid brengt Blom echter ook tot het doen van kloeke beweringen.

Blom doet kloeke beweringen over Rembrandt

Zo is er bijvoorbeeld niets met zekerheid te zeggen over Rembrandts religieuze overtuiging. Er is geen inschrijving in enig genootschap gevonden, in Leiden noch in Amsterdam, hij heeft zich nooit ergens toe bekend. Hoewel de Van Rijns volgens Blom in Leiden naar de gereformeerde kerk gingen, bleven zijn moeder en haar familie en de familie van zijn vader katholiek. Ook zijn twee leermeesters, Swanenburgh en Lastman, waren katholiek. Dat zijn opvallend veel katholieken rond zo’n ontvankelijk jong mens, maar Blom meent bij Rembrandt juist sympathie voor de remonstranten te herkennen. De weduwe en de dochter van Rembrandts broer Adriaen stonden ingeschreven bij de remonstranten, de huisnotaris was remonstrant, en bij het schilderen van het portret van de remonstrantse predikant Johannes Wtenbogaert in 1633 zou ‘het hart van Rembrandt naar Wtenbogaert zijn uitgegaan’.

Dat kan. Dan wordt het glibberig. Die remonstrantse neiging (waar dus geen schijn van bewijs voor is) zou verklaren waarom Rem-brandt nooit opdrachten van het streng calvinistische Leidse stadsbestuur kreeg (die dan weer wel opdrachten verstrekte aan een katholiek als Swanenburgh), maar ’t wordt nog sterker: die religieuze sympathie zou er de oorzaak van zijn dat Rembrandt schilder werd. Die krasse hypothese wordt gevoed door één archiefvondst: in 1621 blijkt Rembrandt ingeschreven te hebben gestaan aan de universiteit. Wat hij daar precies deed, of hij er ook echt college liep, waarom hij geen graad haalde, daar is weer helemaal niets van te zeggen, maar Blom veronderstelt dat toen in 1618 het stadsbestuur van Leiden in handen kwam van de ‘preciezen’, Rembrandt door zijn remonstrantse sympathieën aan de verkeerde kant van het politieke strijdperk bleek te staan. Daardoor werd ‘de carrière die zijn ouders voor hem op het oog hadden in de kiem gesmoord. Een toekomst als bestuurder, wetenschapper of arts was uitgesloten, daarvoor miste hij de juiste achtergrond.’ Jongens, dat is nogal wat: Rembrandts kunstenaarschap zou dan tweede keus zijn. Hij had eigenlijk magistraat willen worden, of zoiets.

Kan. Alles kan. We weten het niet, dat is duidelijk. Op basis van exact dezelfde feiten kun je ook veronderstellen dat de jonge Rembrandt een lamlendig stuk vreten was, die als enige in het gezin naar de Latijnse School én de universiteit mocht, waar hij vervolgens zozeer de kantjes ervan afliep dat zijn vader er genoeg van kreeg en hem op zijn veertiende hardhandig in de leer deed bij een ambachtsman, een schilder. ‘Ga jij maar gewoon met je handen werken, maat.’ Kan ook.

Het kunstenaarschap zoals Rembrandt het begrepen zal hebben was een constructie, een pose, een bijna literaire figuur. Het ‘persoonlijke’ speelde daarin een bijrol: een ambitieuze jonge schilder was hoofdzakelijk gericht op de emulatie van Grote Voorbeelden en op het voldoen aan de voorwaarden die de kunsttheorie aan ‘Een Grote Reputatie’ stelde. De beschrijving van Rembrandts Leidse leven door Jan Jansz Orlers (in diens Beschrijvinge der stad Leyden, 1641) is dan ook ‘geformatteerd’ door dat soort ideeën over hoe een kunstenaarschap zich ontwikkelt. Leiden had een geniale kunstenaar voortgebracht, dus is het onvermijdelijk dat Orlers schrijft dat Rembrandts ouders hem van school haalden omdat ‘zijne natuyrlicke beweginghen alleen streckten tot de Schilder ende Teycken Conste’. Waar of niet: dat hoorde gewoon bij de biografie van een genie.

Het lijkt erop dat Blom zich meer dan een beetje heeft laten beïnvloeden door die vermeende ‘onvermijdelijkheid’ van Rembrandts carrière. En dus roept ook hij een beeld op van een wonderkind, een jongen die eindeloos krijttekeningen zit te maken ‘bij het laatste licht van de walmende olielamp’ – niet een gewone olielamp, neen, een walmende.