Reli-thriller en actiefilm

MICHEL FABER
THE FIRE GOSPEL
Canongate, 213 blz., € 14,95

De Hollands-Australisch-Schotse schrijver Michel Faber staat te boek als een genreoverstijgend auteur. Zijn romandebuut, Under the Skin (2000), was een sciencefiction-horror-achtig werk, over een buitenaards wezen dat mannen verleidde, vermoordde en het mensenvlees als delicatesse op haar thuisplaneet verkocht, dat gelezen kon worden als parabel over de bio-industie en Big Business. Zijn magnum opus, de vuistdikke roman The Crimson Petal and the White (2002), was een Victoriaanse, moralistische zedenroman, die tegelijk op postmoderne manier onderwerpen als feminisme en metafictie behandelde.
De Schotse uitgeverij Canongate moet dus gedacht hebben dat Faber perfect in hun Myth Series past, iemand die een klassieke mythe kan herinterpreteren naar een hedendaagse roman. Faber koos de legende van Prometheus, de titaan die de mensheid het vuur gaf en door de Goden daarvoor gestraft werd door drieduizend jaar aan een berg te worden vastgeketend, waar elke dag een gier een stuk van zijn lever uit zijn lichaam scheurde. In The Fire Gospel wordt Prometheus gepersonifieerd door een Canadese academicus, Theo Griepenkerl, een naar mannetje, die op bezoek is in een geplunderd Iraaks museum als een zelfmoordaanslag plaatsvindt. In de chaos die volgt vindt Theo negen papyrusrollen, binnen in een stukgeslagen beeld, en drukt ze achterover. De rollen blijken de memoires te zijn van Malchus, een christen uit de eerste eeuw die de kruisiging van Jezus van Nazareth heeft meegemaakt. Met dollartekens in zijn ogen vertaalt Theo, overtuigd atheïst, ze, en ze blijken alles te zijn waar hij op had kunnen hopen.
In het evangelie van Johannes was Malchus een dienaar van de joodse hogepriester, die zijn oor verloor toen Petrus hem te lijf ging in de tuin van Gethsemane bij de arrestatie van Christus. In de teksten van Malchus genas Jezus zijn oor niet, het zou de rest van zijn leven ‘like a woman’s adornment’ aan zijn hoofd hebben gehangen. Nog belangrijker, Malchus zit op de eerste rij bij de kruisiging en terwijl de lichaamssappen van Jezus over zijn hoofd stromen, hoort hij dat de laatste woorden niet het nobele ‘Dit is het einde’ zijn, maar: ‘Kan iemand een einde aan mij maken?’ Als dat einde eenmaal gekomen is, wordt Christus naar een graftombe gebracht en herrijst hij niet.
Ook Theo denkt dat hij de mensheid een gift schenkt: de teksten van Malchus moeten de wereld verder doen evolueren, en verlossen van het godsdienst-DNA. In de praktijk zijn de teksten eerder de Prometheus-mythe in de interpretatie van Mary Shelley’s Frankenstein or the Modern Prometheus (1818); in plaats van een stap voorwaarts is het een stap naar chaos, mensen vallen van hun geloof en richten hun woede op Theo.
Het vuur van Prometheus zit door het hele boek heen; Theo redt de teksten uit het vuur na de bomexplosie, als Theo uit een boekhandel ontvoerd wordt vliegt het pand in de fik, terwijl, zoals één criticus opmerkt, de inhoud van het boek als een vuurtje over de wereld gaat.
Hoezeer Faber ook met de mythes speelt, genreoverstijgend is dit werk niet. Het blijft een reli-thriller, het type thriller waar Faber in het boek de spot mee drijft. Een parabel over geloof wordt het nooit. Het einde, waar Theo al dan niet een spirituele ervaring heeft, is plichtmatig en gezocht: Theo loopt een verwonding onder de ribben op, zoals Jezus aan het kruis door een Romeinse speer. Faber kan schrijven en doet dat soms ook; de lezersrecensies van Theo’s boek op een website zijn hilarisch, hun foute spelling en idiote beweringen zijn een perfecte parodie. En de sardonische manier waarop hij Theo neerzet – terwijl de Iraakse curator zich beklaagt over alles wat hem is overkomen, ergert hij zich alleen aan diens buitensporige hoofdverband; als de man eenmaal opgeblazen is blijft die irritatie – is haarfijn. Toch is het te weinig en te snel. Het verhaal komt gehaast over; personages worden opgevoerd en verdwijnen weer, plotlijnen komen en gaan, zonder een rol in het geheel te hebben.
Van vier van Fabers boeken zijn de filmrechten verkocht; nog niet één is op het witte doek te zien geweest. Misschien dat Faber met de bioscoop in het achterhoofd schreef, want in die zin is dit boek wél genreoverstijgend: het leest als een actiefilm. Er zitten van die simpele trucjes in – terwijl Theo geschminkt wordt, vraagt een domme visagiste van alles: een typische filmconstructie om een podium te geven voor de nodige uitleg. De scène waarin Theo de papierrollen vindt, moet het goed doen als het begin van een trailer; halverwege een kabbelend gesprek slaan een steekvlam en een knal het statief van de camera weg, BAM! – Theo ligt op de grond, de curator is een vlek op de muur, het geluid is bedompt, puin en stof maken het onmogelijk om iets te zien, het geluid heeft plaatsgemaakt voor een ruis, een monotone piep in onze oren – trillend draait de camera om Theo (Clive Owen?) heen, zijn gezicht bebloed, en dan, opeens, ziet hij iets in de buik van een kapotgeslagen beeld. Negen rollen openbaren zich. Credits: The Fire Gospel.