Relict

Relict

Op de dag waarop Maarten Asscher, directeur van de Amsterdamse Athenaeum Boekhandel, aankondigt een eigen reeks onverkrijgbaar geworden modern- klassieke Nederlandse boeken te gaan heruitgeven, vind ik bij concurrent Scheltema, enkele honderden meters verderop, de studie Vervolging, vernietiging, literatuur van S. Dresden in de ramsj. Dit boek over de literatuur die rond en over de verschrikkingen van de Endlösung is ontstaan, is één van de vier titels waarmee Asscher aankondigt de reeks te openen.

Dresdens studie verscheen in 1991 en de vierde druk in 2000. Toen de auteur twee jaar later en kort voor zijn dood de belangrijkste Nederlandse prijs voor de letteren ontving, moet de uitgever het restant van een buikbandje hebben voorzien. «Van de winnaar van de P.C. Hooftprijs 2002» staat felrood om het omslag gedrapeerd.

Dat heeft de ongetwijfeld toch al bescheiden oplage van de vierde druk kennelijk niet geholpen, net zo min als de andere titels van Dresden die bij Scheltema goedkoop worden aangeboden. Het lot van de bloemlezing Het beste van Dresden, die Meulenhoff naar aanleiding van de prijs vorig jaar uitbracht, lijkt vooralsnog onbeslist.

Vrolijk word je niet van een dergelijke onverschilligheid, al gebiedt de eerlijkheid mij op te biechten dat ik Dresden ook niet ben gaan lezen. Wel kwamen er een paar van zijn titels in mijn boekenkast bij en zal ik de resterende onverwijld aanvullen met Scheltema’s aanbod. Zo wordt de ramsj de aflatenhandel van de schuldbewuste lezer, die een laatste maal de kans krijgt zijn nalatigheid goed te maken. En kopen is altijd een voornemen tot lezen, hoe ver dat ook in het verschiet mag liggen.

Op die manier zijn waarschijnlijk talloze huisbibliotheken uitgegroeid tot buiten hun natuurlijke proportie. Iedere plank ramsjboeken betekende een vijftigmaal herhaalde belofte de onmisbare klassiekers daarop ooit nog te zullen lezen. Het stof dat ze zouden moeten vergaren in de kasten en depots van een boekenbranche die zich van haar tijdloze roeping rekenschap aflegde, verzamelen ze nu in de huiskamers. Noem het maar de privatisering van het cultureel eerbetoon.

Daarvan zijn uitgevers en boekhandelaren zich ongetwijfeld bewust. In overgrote meerderheid verknocht aan de wetenschap één van de pijlers van de collectieve beschaving te vertegenwoordigen, zien zij zich ongemakkelijk bediend door een technologie en organisatie die hen efficiënt bij de tijd brengt maar daarmee ook van hun Unzeitgemässigkeit berooft. Sinds de komst van het Centraal Boekhuis en een Angelsaksische marketing is er voor voorraden van te langzaam verkopende titels geen plaats en dus (voor één keer in deze volgorde) geen geld meer.

Wat de ruggengraat van een letterkundig corpus zou moeten zijn, valt daarmee weg uit een handelsbranche die zichzelf nog altijd als het geraamte van de maatschappelijke cultuur beschouwt. Niet bij toeval werd Dresdens boek bij Meulenhoff uitgebracht in de reeks Codex en heet Asschers nieuwe reeks Athenaeum Boekhandel Canon. De naam weerspiegelt de roeping een halt toe te roepen aan de vervluchtiging van de boekhandel, waarin de klassieke backbone steeds meer een louter virtuele steunpilaar blijkt.

Niet de oude klassieken staan daarbij op het spel. Met hun geconsacreerde waarde gaat het verbazend goed. Verkommeren doet vooral het middengebied: moderne klassiekers en de essayistische bemiddelaars tussen lezer en literatuur. Naast Dresden kondigt Asscher de heruitgave aan van de Verzamelde gedichten van Ed. Hoornik, Het regime van de tijd van Jaap Goudsblom en een enigszins detonerende August Willemsen (Het hoge woord).

Iets virtueels blijven deze titels niettemin houden. Ze worden al naar gelang de afname en behoefte gedrukt in printing on demand. Dat zal een stokje moeten steken voor voorraden die bij voorbaat al lonken naar de ramsj en daarmee is Dresdens merkwaardige stoelendans rond Spui en Koningsplein niet alleen ironisch maar ook symbolisch geworden. De Codex-uitgave van Meulenhoff koester ik als een relict van aflopende tijden.