Ger Groot

Reliek

«Minstens één maal heb ik een historische sensatie gehad die me is bijgebleven. Ik vertaalde Simon Schama’s Patriotten en bevrijders en zocht wekenlang in het Rijksarchief naar de daarin geciteerde documenten. Bij het openen van een van de mappen lag daar plotseling een briefje van Lodewijk Napoleon, handgeschreven in het onbeholpen Nederlands van een man die voor zijn volk zo graag een goed vorst zou zijn.

De ontroering die me beving had niet alleen te maken met Lodewijks tragische inburgeringswil. Ze berustte ook op een geheimzinnig ontzag voor het papier zelf. Wat Lodewijk geschreven had, hield ik nu in mijn handen: het briefje zelf, dat daardoor van de weeromstuit ook een beetje aan mij gericht leek.

In zijn boekenweekessay Moederlandse geschiedenis (uitgegeven door het CPNB) roept Henk van Os de historische sensatie te hulp om iets van ons geschiedenis bestaan te begrijpen. Plotseling overvalt mij het verleden in een herkenning: dit landschap. Dit gebouw, dit kunstwerk ben ik – maar dan wel dankzij een vervreemding die me uit een te vanzelfsprekend heden heeft weggerukt. Als een reiziger kom ik terug in mijn eigen land en zie mijzelf terug in mijn eigen achterwaartse slagschaduw die de historie is.

Met een esthetische ervaring heeft die sensatie niet veel te maken, merkt Van Os op, al was het maar omdat die laatste eenmalig is. Eén keer in het Rijksmuseum de bureaustoel van Drees zien is genoeg, maar voor de Rembrandts in andere zalen komen we graag nog eens terug. Toch is er tussen beide ervaringen een verwantschap. Ze ontlenen hun betekenis allebei aan de uniciteit van wat ze zien. Maar het onvervangbare dit ontplooit zijn zeggingskracht voor elk van beide in verschillende dimensies. In de kunst gaat het om het hier en nu van een subliem vormgegeven materie, in de geschiedenis om een herinnering die zich desnoods hecht aan een serieproduct, dat onvervangbaar wordt omdat het ooit een bepaalde rol heeft gespeeld.

De filosoof Paul Moyaert heeft die sensatie mooi beschreven in zijn boek De mateloosheid van het christendom. Het kopje waaruit zijn vader koffie dronk blijft vervuld van een unieke herinnering, die niet kan worden overgedragen op een ander deel van het servies wanneer het ooit in scherven mocht vallen. Niet toevallig brengt ook Van Os dat in verband met de verering van de relikwie, waar hij ooit een tentoonstelling omheen organiseerde. Een onooglijk voorwerp wordt heilig, omdat het is aangeraakt door een geschiedenis die ook de mijne is.

In Moyaerts geval is dat evident: vaders kopje belichaamt de eigen afstamming. De relikwie raakt even nauw de levensbetekenis van de gelovige, die zichzelf opgenomen ziet in dezelfde heilsgeschiedenis. Betekenis hebben beide alleen dankzij de identificatie van het ik met een historie die voor die betekenis garant staat omdat af- en toekomst zich erin verzamelen.

Met het esthetische dit heeft dat weinig van doen, omdat de zintuiglijkheid daarvan zich strikt in het hier en nu afspeelt. Het is veelzeggend dat Van Os, wanneer hij van Rembrandts schilderij van Johannes Wtenbogaert de betekenis afleest, uitkomt bij de geschiedenis van de remonstranten, wier voorman hij was. Lichtval en penseelvoering zijn daarvan net zozeer het vehikel geworden als de fraaie reliekschrijnen die hij eerder beschreef. Ze zijn als de drager van datgene waar het om gaat: onmisbaar maar niet doorslaggevend.

Het is veelzeggend dat Van Os’ essay vanzelf in het religieuze belandt. In de historische sensatie krijgt zelfs het onooglijkste iets ontzagwekkends. Het belichaamt een geschiedenis die mijn eigen plaats en belofte wordt, en dat komt al dicht bij een verlossing. Het mooie wijkt voor het heilige, hoe seculier ook.

Zodra het voorwerp een reliek geworden is, wordt de ervaring ervan herhaalbaar of – in liturgische termen – sacramenteel. Dat geldt wellicht ook voor Drees’ bureaustoel. Zelf liet ik mijn vingers graag nog eens over Lodewijks briefje gaan.