Religieus abstinent

In zijn Kleine encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week: religieus abstinenten. Steeds minder mensen willen zich afvragen of God wel of niet bestaat.

‘Maar wat is jóuw godsdienst dan?’ Die vraag werd me om de haverklap gesteld toen ik lang geleden in Suriname mijn stage als sociologiestudent deed. Het was een logische vraag, want mijn onderwerp was de ongekende religieuze verscheidenheid in het land. Alle dominees en pastoors, pandits, rabbi’s, dukuns, imams en bonomans die ik het hemd van het lijf vroeg, waren benieuwd wat ik zelf dan wel geloofde.

‘Niks’, zou het eerlijke antwoord zijn geweest, ‘ik vind religie erg interessant als kapstok van moraal, maar zelf geloof ik niks.’ Ik probeerde het een paar keer, maar kwam er niet ver mee. Mijn zegslieden vonden zoiets onvoorstelbaar of zelfs verdacht: wat waren dan mijn motieven om al die vragen te stellen? Om aan die twijfels een eind te maken, bedacht ik een list. ‘Ik heb nog geen geloof’, zei ik. ‘En jullie hebben in Suriname ongeveer alle godsdiensten ter wereld, dus kan ik hier mooi kijken of er iets voor mij bij is.’

In hedendaags Nederland is zo’n leugentje om bestwil niet meer nodig. In 1958 was een kwart van de bevolking onkerkelijk, tegenwoordig ruim tweederde – nergens anders verliep de ontkerkelijking zo snel, en het einde is nog niet in zicht.

Bij het laatste onderzoek naar God in Nederland, dat vorig jaar werd gehouden, werd de bevolking opgedeeld in vier religieuze smaken: theïsten (er is een persoonlijke God: 14 procent), ietsisten (er moet toch íets zijn: 28 procent), agnosten (ik weet het niet: 34 procent) en atheïsten (geen geloof in een hogere macht: 24 procent).

Samen precies honderd procent – maar klopt dat wel? Ik mis een categorie waar ik in ieder geval zelf onder val: de religieus abstinenten. De reli-geheelonthouders, die simpelweg geen belangstelling hebben voor die hele kwestie wel of geen God. Religieus abstinenten zijn niet gelovig, niet ongelovig, niet antigodsdienstig, niet twijfelend – ze zijn ‘religieus absoluut amuzikaal’, zoals socioloog Max Weber zichzelf al een eeuw geleden omschreef.

In zijn boek Republiek van vrije burgers (2008) wierp H.J. Schoo zich op als voorvechter van een leer die hierbij dicht in de buurt kwam: het ‘niksisme’. ‘Wij zijn niks’, placht hij te zeggen. ‘Derde generatie niks.’ Hij doelde daarmee niet op het geharnast atheïsme dat in bekeringsijver niet onder doet voor het gedachtegoed van religieuze zeloten. Schoo’s niksisme was een ‘kale en strenge leer’, wars van zieltjeswinnerij.

Als de onderzoekers van God in Nederland een plekje zouden inruimen voor de niksisten en religieus abstinenten zouden hun resultaten er waarschijnlijk heel anders uitzien. In Nederland laat het thema religie steeds meer mensen onverschillig, maar in de enquêteresultaten vind je dat niet terug. Mensen laten zich braaf indelen in een van de vier keuzevakjes om er vanaf te zijn. Daarnaast weigert een aanzienlijk aantal aan de enquête deel te nemen uit ‘gebrek aan interesse’ en blijft dus buiten beeld. Zowel bij de betrouwbaarheid als de geldigheid van dit onderzoek kunnen dus vraagtekens worden gezet.

Er zijn honderden criteria waarop mensen kunnen worden ingedeeld. Honden- of kattenliefhebber. Borsten of billen. Spanje of Italië. Lopen of fietsen. Ajax of Feijenoord. En, deze dagen, Nederland, Duitsland of België. Wat nu als die hele voetballerij me geen fluit interesseert en er toch een enquêteur bij me aanbelt om mijn gedachtegoed over voetbal te komen opnemen? Laat ik me dan turven als ‘Kuip-Arena-neutraal gezind’ of ‘voetbalagnost’? Welnee, ik heb gewoon geen zin om er ook maar één seconde over na te denken.

Voor mijn houding tegenover godsdienst geldt hetzelfde. Ik ben daarmee geen uitzondering – eerder mainstream. Kijk maar naar de institutionele ontwikkelingen die op dit gebied gaande zijn. De wettelijke en sociale prerogatieven die religieuze organisaties traditioneel genoten, worden successievelijk opgeruimd. Geloofsovertuiging wordt een gewoon attribuut naast vele andere, en hetzelfde geldt voor de clubs die zich ermee bezighouden.

Het meest christelijke dat je van de meeste Nederlanders misschien nog kunt zeggen, is dat ze ‘cultuurchristenen’ zijn: ze houden zich niet meer met God bezig maar geloven wel in de moraal die het christelijk verleden ons heeft nagelaten. Smeult daarin toch nog een restje godsgeloof? Die gedachte kan atheïstische diehards tot razernij brengen. Denk je het ene moment dat we God hebben afgeschaft, zo briesen zij, komt-ie door de achterdeur even zo vrolijk weer binnenstappen met een ander petje op.

So what? Wat zou het? Steeds minder Nederlanders hebben zin om zich daarover het hoofd te breken. De strijd tussen godloochenaars en godverheerlijkers doet denken aan het twistgesprek tussen een rabbijn en een monnik dat Heinrich Heine vereeuwigde in zijn beroemde vers Disputation. Inzet is de vraag wiens geloof het ware is. De Spaanse koningin Blanca de Bourbon, die als arbiter optreedt, oordeelt ten slotte: ‘Welcher Recht hat, weiss ich nicht – Doch es will mich schier bedünken, Dass der Rabbi und der Mönch, Dass sie alle beide stinken.’