Economie

Religieus racisme

Het raakste overzicht van de zojuist geëindigde ‘noughties’ stond deze maand in de Financial Times. In acht grafieken wist de Britse zakenkrant het afgelopen decennium perfect te treffen. Van het hoopvolle jaar 2000 naar de schok van het uiteenspatten van de internetbel en 9/11 in 2001, naar het spoedige herstel in 2003 en 2004, naar de speculatieve gekte van 2007, eindigend met de crisis van 2008 en de weifelende stabilisatie van 2009. In het Westen, zo suggereerde de krant, wordt de toekomst nu heel wat angstvalliger tegemoet gezien dan tien jaar geleden, toen we net zonder kleerscheuren waren ontsnapt aan die onheilspellende millenniumbug.
Hoe anders ziet het er vanuit Beijing of Singapore uit! Wat een dramatisch decennium was voor Europeanen en Amerikanen was een feest voor Aziaten, Brazilianen en Indiërs. Eén cijferreeks moge deze kanteling in verwachtingen illustreren. Uitgedrukt in aandeel van het mondiale bruto product bedroeg de bijdrage van de ontwikkelde economieën in 2000 ongeveer 63 procent tegen 37 voor de ontwikkelende economieën (lees: Brazilië, Rusland, India, China en nog wat landen). Aanvang 2010 bedragen de percentages respectievelijk 54 en 46. De Financial Times verbeeldde dat grafisch als twee zich scherp naar elkaar toe neigende lijnen - de ene dalend, de andere stijgend - en suggereerde dat ze elkaar ergens het komende decennium zullen kruisen. Als de tekenen niet bedriegen zou dat wel eens eerder kunnen gebeuren dan we nu denken. Vorige week meldden de kranten dat China voor het eerst Duitsland als grootste exportland was gepasseerd, dat de Chinese automarkt voor het eerst groter was dan de Amerikaanse, en dat anno 2009 vijf van de tien meest waardevolle banken Chinees zijn. Natuurlijk is China niet synoniem aan de categorie 'ontwikkelende economieën’. Maar met 1,3 miljard inwoners, een groeipercentage van rond de tien procent, een snel toenemende middenklasse en kapitaalreserves van 2600 miljard dollar legt alles wat daar gebeurt wel heel veel gewicht in de mondiale schaal.
Of het nu in 2013 gebeurt of in 2017, als de lijnen elkaar kruisen markeert dat een moment van wereldhistorische betekenis. Daarmee komt namelijk een einde aan bijna tweehonderd jaar economische, culturele, politieke en militaire dominantie van een in beginsel Europees brouwsel van instituties, organisaties, ideeën, principes, deugden en waarden. En dat betekent dat de 21ste eeuw er wel eens heel anders zal kunnen gaan uitzien dan wij Europeanen gewend zijn. En niet noodzakelijkerwijs slechter of gewelddadiger. Hoezeer onze blik op Azië ook is gekleurd door het cliché van oosterse wreedheid en hoezeer wij ook menen dat alleen het schreeuwlelijkerige besluitvormingssysteem dat wij democratie noemen individuele autonomie kan waarborgen.
De twee Europese eeuwen zijn niet alleen gelukkige geweest. De scherp gegroeide welvaart, de fors gestegen levensverwachting, de grote technologische vooruitgang en de imposante culturele bloei zijn gekocht tegen de hoge prijs van slavernij, roofzucht, genocide, nietsontziende broedertwisten en een apocalyptische verkrachting van de natuur. Historici hebben lang gezocht naar verklaringen voor de opkomst van het onbeduidende Europa vanaf de zeventiende eeuw en haar absolute mondiale hegemonie vanaf pakweg 1820, toen roofzuchtige Europeanen de ene na de andere regio aan zich wisten te onderwerpen. Voor de hand liggende factoren als superieure technologie, organisatorische brille of economische reserves voldoen niet. Boekdrukkunst, buskruit en kompas zijn Chinese vindingen die daar eerder op grote schaal werden toegepast dan in Europa. Het organisatorisch vernuft dat nodig is om overzeese gebiedsdelen te koloniseren, vloten te bouwen en handel te drijven was ook in China niet onbekend. Er zijn aanwijzingen dat China al voor Columbus jonken de wereldzeeën opstuurde die vijf keer groter waren dan de Santa Maria van deze Genuaan. Ten slotte was tot ver in de achttiende eeuw de welvaart in China hoger dan in Europa, waren Chinezen beter gevoed en gekleed dan Europeanen, kende China verfijndere consumptiegoederen en hadden Chinezen toegang tot meer en beter onderwijs.
Waarom heeft China dan toch het onderspit gedolven? In een prikkelde bijdrage aan dit debat suggereert de historicus John Hobson dat de verklaring moet worden gezocht in de invloed van het christendom met zijn rudimentaire rassenleer, zijn 'uitverkoren volk’, zijn exclusieve heilsbelofte en zijn bloeddorstige intolerantie jegens andersdenkenden. Dit religieus racisme verleidde Europeanen tot genocidale omgang met de gekleurde medemens, legitimeerde een ongebreidelde roofzucht en leverde, in een wonderlijke omkering van de historische werkelijkheid, de grondstof voor de latere beschavingsmissie. Het zal dan ook niet verbazen dat niet iedereen het verscheiden van het Europese tijdperk betreurt.