Remco Campert

Remco Campert

Vroeg in de morgen werd Tamalinde gewekt door het gekwetter van de aapjes in de tuin van de buitenresidentie van de Nederlandse ambassade in Indonesië. De lome, zoete geur van bloeiende sedap malam drong door de dichte luiken van haar slaapkamer heen. Ze was nu een week hier en het was de laatste van de ambassades die ze op haar kennismakingsronde bezocht. Zoals elke ochtend voelde ze hoe de tengere handjes van de Soendanese tweelingzusjes Adis en Dian haar lichaam zacht streelden en kneedden. Met gesloten ogen gaf ze zich over aan het huiveringwekkende genot dat de zusjes haar bezorgden, een genot dieper dan Roeland-Jan haar ooit geschonken had met zijn haastige, bonkerige omhelzingen.

Toen Adis en Dian zich geruisloos hadden teruggetrokken in de bediendewoning stond ze op en even later dook ze het zwembad in. Wat zou ze vandaag eens gaan doen? Daar hoefde ze niet lang over na te denken want toen ze weer opdook stond Kneepkens, de besnorde ambassaderaad die verantwoordelijk was voor haar wel en wee, aan de rand van het zwembad met een telefoontoestel in zijn hand. ‘Zijne majesteit wil u spreken’, zei hij eerbiedig terwijl hij haar de telefoonhoorn aanreikte. Daarna stelde hij zich afwachtend buiten gehoorsafstand op.

‘Hallo Tamaatje’, klonk de stem van Roeland-Jan, haar toekomstige gemaal, uit het vaderland.

‘Hoe gaat het met mijn kleine, geile diertje? Niet te veel met pisangs in de weer? Ik ben bang dat de plicht je terugroept. In Nederland is de verkiezingscampagne begonnen en Wim Kok, de demissionaire minister-president, wijst me erop dat je aanwezigheid vereist is. Hij wil dat je kennismaakt met de lijsttrekkers van de grote partijen. Een ervan zal ongetwijfeld zijn opvolger worden. Met hem zullen we nog veel te maken krijgen. Vanavond vlieg je terug.’

Tamalinde was, ofschoon niet van koninklijke bloede, een Haagse prinses van Euraziatische afkomst, jong en bloedmooi en tamelijk onschuldig. Op een avond in een Scheveningse disco had ze Roeland-Jan ontmoet, een oudere corpsstudent of een diplomatenzoontje, dacht ze, zoals er wel meer rondhingen in het uitgaans leven. Hij had haar ten dans gevraagd. Zijn bewegingen waren nogal houterig, toch keken op de dansvloer veel mensen naar hem.

Hij bood haar een drankje aan en toen ze aan de bar stonden, waar iedereen ruimte voor hem maakte, vroeg hij of ze met hem mee wilde naar zijn huis. Hoewel ze hem best wel aardig vond, had ze nee gezegd.

‘Weet je eigenlijk wel wie dat was?’ zei John, de barkeeper, toen hij weg was. ‘Dat was de koning.’

De koning?! Ze had koning Roeland-Jan weleens op tv gezien, vaak met zijn moeder, omringd door geforceerd lachende meneren en mevrouwen. Maar hier in de donkere disco had ze hem niet herkend. Je verwachtte de koning van Nederland niet in de disco. En zelf had hij er niets van gezegd.

Terwijl Kneepkens haar op het vliegveld Soekarno-Hatta met een speciaal pasje langs de controle loodste, bedacht ze dat ze niet eens afscheid had kunnen nemen van Adis en Dian.

(wordt vervolgd)