WIJ VAN HET VERLOREN RAS: BRIEFWISSELING TUSSEN MR L.A. RIES EN MR H.J. BOUMAN 1923-1962

Reminiscenties aan Reve

Hessel Bouman (red.), ‘Wij van het verloren ras.’ Briefwisseling tussen mr. L.A. Ries en mr. H.J. Bouman 1923-1962, € 19,50

Eerlijk gezegd leek Briefwisseling tussen mr L.A. Ries en mr H.J. Bouman 1923-1962, in eigen beheer uitgegeven door de zoon van laatstgenoemde, me nogal een klus. Leopold Ries was de thesauriër-generaal die in 1936 moest opstappen vanwege een zedenschandaal. Henk Bouman was advocaat te Zwolle. Maar spoedig werd ik gegrepen. Wat een droefheid! Mijn gevoel van vergeefsheid werd deels veroorzaakt door het vertekende, want gefragmenteerde beeld dat een briefwisseling nu eenmaal van mensenlevens geeft. En van wat er allemaal niet bewaard is gebleven had je een tweede boek kunnen maken. Niettemin. In het begin zijn de mannen rond de veertig, zich ervan bewust dat ze hun jeugd zijn ontgroeid, hoewel je aan alles merkt dat ze er nog met één been in staan. Het zedenschandaal en de oorlog houden de vaart er nog een poosje in. Daarna is het alleen nog ouderdomskwalen, verveling en eenzaamheid wat de klok slaat.
Maar de mannen konden schrijven. Met name de brieven van Ries worden steeds beter, wat een troost is - goed schrijven baat. Meedogenloos zijn ook. Of in elk geval baat dat het schrijven. Waar Bouman deels in het Zwolse provincieleven blijft steken, deinst Ries op het laatst nergens meer voor terug. Deed zijn niet aflatende gehamer op de kwaadaardige zinloosheid van het leven eerst nog een beetje obligaat aan - al was ik het steeds met hem eens - gaandeweg gaat het schitteren. Ik moest aan Gerard Reve denken. En aan Montaigne. Ten slotte had ik, schaterend, voortdurend de aanvechting om stukken uit te knippen voor aan de muur.
Het zedenschandaal was feitelijk alleen maar een schandaal. Ries, valselijk beschuldigd, werd gearresteerd op verdenking van ‘ontucht met minderjarigen’. Binnen een week was hij weer vrij, maar toen was de reputatieschade al geleden. Een gerechtelijk vooronderzoek stelde hem zonder reserve buiten vervolging, wat Van Schaik en Oud evenwel, die als ministers van Justitie en Financiën om te beginnen al medeverantwoordelijk waren geweest voor de arrestatie, er niet van weerhield de zaak tot in Kamerdebatten zo te draaien dat ze Ries 'wegens gebleken ongeschiktheid voor het ambt’ 'eervol’ konden ontslaan. Zo veegden ze hun straatje schoon en stond Ries zonder een cent financiële compensatie op straat.
Het is niet toevallig dat de briefwisseling in deze dagen op gang komt, hoewel Ries en Bouman al sinds hun studietijd in Groningen bevriend waren. Bouman stond Ries in de zedenzaak bij als raadsheer en daarna week Ries voor enige tijd naar de Franse Rivièra uit.
Tragisch genoeg werd de voortzetting van de briefwisseling drie jaar later veiliggesteld door het uitbreken van de oorlog. Ries was behalve openlijk homoseksueel ook jood en had als thesauriër-generaal voldoende met nazi-Duitsland te maken gehad om te weten wat er dreigde. Door de functie niet langer gebonden, wist hij tijdig weg te komen, via Zuid-Frankrijk en Portugal naar New York, waar hij tot zijn dood is blijven wonen.
Het is deze dubbele tragiek die de hartslag van de briefwisseling vormt en waar de veel algemener tragiek van Bouman, die bij toeval in Zwolle verzeild raakte en er nooit meer wegkwam, subtiel tegenwicht aan biedt.
Of Ries en Bouman in hun jonge jaren meer dan alleen vriendschappelijke betrekkingen hebben onderhouden, blijkt nergens onomstotelijk. Een aantal passages doet het sterk vermoeden, al kan het ook zo zijn dat Ries alleen maar verliefd op Bouman is geweest, in dat geval minstens openlijk. Zo heeft hij op zeker moment een aantal van zijn vroegere brieven aan Bouman herlezen. Hij staat weemoedig stil bij de briefschrijver van weleer, 'die echter’, verklaart hij dan onomwonden, 'nog een moeilijker te beschrijven facet vertoonde, door de ongetwijfeld zeer groote liefde, die, telkens weer in andere vormen, ten aanzien van den geadresseerde tot uiting komt. Ik zou haast zeggen, alle verschijnselen en incidenten die “de liefde” pleegt te vertoonen, vindt men hier in a nutshell bijeen.’ En dan rept hij ook nog van de 'oorspronkelijke, ietwat kinderlijke, vreugde over pornografische mogelijkheden’ die de student 'zonder eenige verdringing’ heeft uitgevierd. Helaas besluit hij de brieven te vernietigen en verzoekt hij Bouman om met de rest hetzelfde te doen, wat blijkbaar is geschied.
Ook naar aanleiding van Boumans zilveren bruiloft krijgen we een intiem inkijkje in de vroegere verstandhouding tussen de mannen. Bouman vraagt Ries om een tafelrede. Ries bedankt: 'Hoe duidelijk staat mij het ogenblik nog voor de geest, daar in die achterkamer van nummer 254 Adelheidstraat, dat Gij, gelegen op een kot, mij, gelegen op een bed, op een Zondagochtend plotseling mededeeldet, dat Gij U in het huwelijk zoudt gaan begeven. Ik meen me te herinneren dat ik bij die gelegenheid in tranen ben uitgebarsten, maar ik ben niet zover gegaan als de mij bevriende luitenant Johnny Smith, die, toen hem iets dergelijks overkwam van de zijde van een gewezen marinier met wie hij op de universiteit een kamer - en méér - deelde, zich aanstonds tot de familie van die marinier wendde met het bericht dat hun zoon en broeder hem de gemeenste streek had geleverd ooit een mens aangedaan en daarna doordreef, dat het jonge paar met hem een appartement deelde.’
De passages geven terloops te denken over de positie van Bouman, die zich even later begaan betoont met een gymnasiast die vanwege problemen thuis bij hem is komen inwonen. 'Dat ge hem inmiddels omhelst, zij het soi-disant als een vader, kan niet goed zijn voor Uw gezondheid’, oordeelt Ries, die 'ter voorlopige stimulatie’ een artikel over homoprostitutie meestuurt. 'Je kunt het de jongen, waarover je te veel zwijgt, laten lezen.’
J.L. Heldring zoekt blijkens zijn voorwoord de waarde van de briefwisseling in de 'petite histoire’ die de grondstof van de 'grande histoire’ vormt en als zodanig meer dan alleen anekdotische betekenis heeft. Inderdaad komen we veel aan de weet over de 'politieke, bestuurlijke en culturele elite’ waarvan de mannen deel uitmaakten. Maar dergelijke petite histoire was al ruim voorhanden.
Wat deze briefwisseling in het bijzonder waardevol maakt is de homoseksuele getuigenis, ons overgeleverd uit een tijd waarin homoseksuelen maatschappelijk nog hoegenaamd geen bestaansrecht hadden.


Uitgave in eigen beheer door Hessel Bouman, € 19,50 inclusief verzendkosten in Nederland. Bestelling per e-mail of door overmaking op ING-rekening 4699468 van H.A. Bouman, Santpoort-Zuid, met vermelding van postadres. Ook in de boekhandel te koop of te bestellen, en bij Boek 'n Plank, Vijzelgracht 11, Amsterdam

WIJ VAN HET
VERLOREN RAS: BRIEFWISSELING TUSSEN MR
L.A. RIES EN
MR H.J. BOUMAN 1923-1962
Bewerkt door
Hessel Bouman (tweede, vermeerderde druk); uitgave in eigen beheer, € 19,50