Remote control

Ik wachtte op een parkeervergunning, M op een vrouw, B op een stalker die van de ene op de andere dag was opgehouden haar te stalken. Keer op keer had ze hem afgewimpeld, maar nu het zijn vruchten had afgeworpen was ze toch teleurgesteld in zijn gebrek aan vasthoudendheid.

M wachtte al een poosje. In haar keuken had ze een gedicht ingelijst van Koleka Putuma. In the kitchen, heette het. Het gaat erover dat je jezelf soms terugvindt in de keuken, voor je uit starend, je gedachten aan elkaar nietend. Je staat daar en oefent voor het moment dat iemand je vraagt hoe het gaat. I’m fine.

Mooi gedicht, roep ik vanuit de keuken de woonkamer in. Merkwaardig genoeg zitten er een paar haren tussen de lijst geklemd, hoe zijn die daar nu weer terechtgekomen, met een kordate ruk… Die haren! roept M op hetzelfde moment, in lichte paniek.

Het blijken de haren van de vrouw op wie ze wacht. Op een avond stond de vrouw een curry te maken in haar keuken. Ze had de vrouw tegen de muur gedrukt en haar gekust, waarna er een paar haren waren blijven haken in die lijst. Sindsdien zaten die daar dus. Tegen iedereen die op bezoek kwam zei M: niet aan die haren zitten alsjeblieft. Iedere ochtend controleerde ze of ze er nog altijd zaten. Zolang ze er zaten zou de vrouw terugkomen.

Beduusd kijkt M naar de lijst, waar nog een halve haar in is blijven steken. Ik zoek op de grond tussen de kattenharen naar iets wat kan doorgaan voor een mensenhaar.

Kijk, zeg ik, hij ligt er nog. M houdt de lange blonde haar tussen twee vingers geklemd tegen het licht. Dat is mijn eigen haar, zegt ze misprijzend.

Dit is juist goed, breng ik in. Je zit hier weken te broeden op een paar haren, als een tandeloze voodoo-priesteres op een altaar vol melktanden en bloedvlekken.

Hoezo al die tanden, vraagt M.

Het beeld van een man met een schep die een rechte ­rivier krom wil maken is van een grote schoonheid

Wisten jullie, roept B vanuit de woonkamer, dat Nigeriaanse slachtoffers van mensenhandel vaak niet weg durven te lopen bij hun pooiers omdat ze in de macht zijn van juju-priesters. Ze leggen voor vertrek een eed af tijdens een ceremonie, en als ze die verbreken, geloven ze, zal hun hele familie vervloekt raken. Remote control, noemt de Nigeriaanse overheid dat.

Zie je, zeg ik tegen M, dat magisch denken brengt je nergens. Je moet leven. Denk aan de dronken Rus.

De dronken Rus is een alter ego, een negentiende-eeuwse incarnatie die nog altijd door haar huidige 21ste-eeuwse verschijningsvorm schemert. De dronken Rus zuipt en schrijft en zwiert door de Nevski Prospekt op zoek naar vrouwen. Je kunt van alles op hem aan te merken hebben, maar leven doet hij.

In de tussentijd zoekt M haar heil bij een andere levende Rus, Maxim Osipov, van wie onlangs een verhalenbundel met de uitstekende titel De wereld is niet stuk te krijgen verscheen. Ze leest een passage voor over een voormalig politiek krijgsgevangene. ‘Het is moeilijker een jaar vast te zitten dan vijftien jaar’, stelt die: ‘Als het een jaar is, wacht je alleen maar tot je weer vrij komt, je leeft niet.’

Maar schat, zegt B, wachten op een vrouw is wel iets anders dan het wachten van een krijgsgevangene.

Als je niet kan leven, zegt M, is wachten wachten. Dan is een haar een houvast waar je U tegen zegt.

B, die niet alleen bang is dat de stalker zijn interesse in haar verliest maar ook dat wij onze interesse verliezen in haar stalker, vertelt dat hij van plan is een gekanaliseerde rivier weer meanderend te maken. Dit is geen metafoor: hij wil letterlijk, met een schep in zijn hand, de betreffende rivier omleggen. Het is een kunstproject, zegt B.

Kunst of niet, het beeld van een man met een schep die een rechte rivier krom wil maken is van een grote schoonheid. We moeten de stalker terughalen, zegt M. We hebben hem meer dan ooit nodig.

En dus ondernemen we, in naam der kunst en liefde, enkele pogingen hem opnieuw te interesseren voor onze vriendin B. Hij blijkt ondertussen zeer druk met allerhande projecten; zowel B als de meanderende rivier lijkt voor hem niet meer dan een echo uit een ver verleden. Daar zitten we, op de reservebank, wachtend op van alles en nog wat terwijl zelfs de stalkers al lang verder zijn gegaan, almaar rechtdoor, zonder ook maar één keer achterom te kijken.